De Noordpoort tot aan de Franse tijd

Wat vandaag nog zo vanzelfsprekend lijkt, is morgen al verdwenen. Bij wijze van spreken dan. Neem nu de Noordpoort. Er resten nog twee opgemetselde blokken die ooit behoorden tot het rechterbeen van de poort, gezien vanuit de stad. Een goed beeld hoe dat er van die kant uitgezien heeft, is er niet. Wel van de voorkant. Bij de uitleg van de stad tussen 1580-1598 werd een nieuwe Noordpoort gebouwd. De oude had ongeveer ter hoogte van de watertoren gestaan. Een van de oudste afbeelding van de nieuwe poort betreft een aanslag van boze boeren op de stad in 1672. Het was het Rampjaar: ‘het bestuur was radeloos, de bevolking redeloos en het land reddeloos…’ Gravures zoals deze geven niet per se de exacte situatie weer, want ze waren voor een groot publiek bedoeld (dus relatief goedkoop en snel geproduceerd) en nogal eens gemaakt door iemand die niet ter plaatste bekend was. Maar dat er een stenen poort was met deuren lijkt wel aannemelijk. De poort ziet er wat weelderiger uit dan op afbeeldingen uit de 18e eeuw, zoals die uit het midden van de eeuw met een brug met beweegbaar deel over de veste.

Eén van de zes afbeeldingen van de ‘overval van opstandige Walcherse boeren te Middelburg, het openlopen van de Noordpoort,’ een kopergravure van S. Fokke uit 1672 – ZA, KZGW ZI III 186 (detail)

Deze poort zou in 1798 vervangen zijn. Dat lijkt wel een erg groot woord voor wie de oude en nieuwe situatie naast elkaar legt. Eerder heeft men de poort wat aan de eisen van de tijd aangepast en meteen de boel wat rechtgetrokken in de Lodewijk XVI-stijl. Cornelis Taselaar heeft de poort frontaal getekend. We zien een jaartal, of beter twee: 1798 en het vierde jaar van de Bataafse Vrijheid. Op de poort allerlei zaken die refereren aan de omwenteling van 1795, waaronder de vrijheidshoed. Cornelis Taselaar was ongeveer 30 jaar oud toen hij zich als kunstoefenaar bij de oprichting van de Teeken Akademie in 1778 inschreef. Hij volgde blijkbaar lessen in bouwkunde, want het jaar daarop werd hij primus in de eerste (= hoogste) klas. Bij de start van het nieuwe seizoen in het najaar werd hij als derde docent in dat vak benoemd en bleef dat tot en met 1799. Als een van de weinige lesgevende meesters heeft hij geen deel van het bestuur van de academie uitgemaakt. Omdat zo weinig over de man bekend is, is het gissen waarom. 

De landsarchitect Conrad Kayser (1750-1824; van 1776 tot 1790 in Middelburg) zal eerst zijn leermeester en vervolgens zijn collega docent op de Teeken Akademie zijn geweest. Van Kayser is onder meer de oorspronkelijke aanbouw van het stadhuis (verwoest in 1940) en daar heeft de herziene Noordpoort wel wat van weg. Het is verleidelijk om te denken dat Cornelis Taselaar meer heeft gedaan dan alleen de poort afbeelden. Er is immers ook sprake van maatvoering. Misschien was hij wel de ontwerper waarbij hij de vormtaal van Kayser heeft geciteerd. Maar Taselaar tekende in dezelfde periode rond 1800 nog twee andere poorten, de Langeviele- en de Sijspoort, op dezelfde manier en die waren al eerder in de jaren ’90 verbouwd, voor de Bataafse tijd. 

Arnold Wiggers

‘De nieuwe Noordpoort te Middelburg aan de stadszijde, met boven de roedenbundel en vrijheidshoed en het opschrift : A° IV. Libert. Batav,’ een tekening in kleur door C. Taselaar, 1799 – 1801 – ZA, KZGW ZI III 346

Goese inbreng

Markt Middelburg, rechts sigarenwinkel van C.F. Diesch, het pand links op de hoek met de Gravenstraat, 1924 – Beelbank Zeeland, Collectie Bosselaers, Antoon (Mechelen), recordnr. 121328
Markt, Gravenstraat Middelburg, Boer, F. den ca. 1900 – Beeldbank Zeeland kaartnr. 27364, recordnr. 13698

Allardus (1759-1801) en Petrus (Pieter) Buker (1768-1836) zagen in Goes het levenslicht in het katholieke gezin van Henricus Buker en Ida van de Velde. De naam Petrus was in juli 1767 ook aan een zoontje gegeven, dat kort na zijn doop overleden zal zijn. Katholiek gedoopt werden ook de vier meisjes in het gezin die allen de volwassen leeftijd bereikten.

Allard trok naar Middelburg getrokken en heeft zich daar in 1778 aangemeld als ‘kunstoefenaar’ aan het toen opgerichte Teeken Collegie. Hij zal toch het reguliere programma gevolgd hebben, want het jaar daarop ontving hij een extra prijs voor zijn inzet (naarstigheid) om in 1784 zijn opleiding af te sluiten als primus in de bouwkunde. De lessen voor dat vak zal hij nog in de St. Jorisdoelen gevolgd hebben, bij gebrek aan plaats op de zolder van het waaggebouw. Ondertussen was Pieter ook op de Teeken Akademie begonnen. Hij won in 1782 en 1785 prijzen naar pleister en in 1789 schopte hij het tot primus naar levend model.  

Pieter huwde in 1797 -het jaar waarin zijn vader overleed- Jacoba Fransisca Kerssen uit Middelburg. In 1800 kocht hij het pand Gravenstraat I. 125 (tussen de Grote Markt en de Zusterstraat) , maar het duurde nog tot december 1801 voordat hij in de Middelburgsche Courant liet weten dat hij zijn ‘Schilder- en Behang-Fabriqc’ naar dat adres had verplaatst.

In 1830 adverteert hij met meubelpapier en schoorsteenstukken, ‘alles tot een verminderden prijs’. Was er heftige concurrentie? In elk geval stond pal boven deze reclame een mededeling van de weduwe J.H. Grauss & Zoon, dat ze meubelpapier naar de laatste smaak en tegen civiele prijzen in de aanbieding heeft. 

Pieter Buker stond bekend als fijnschilder. Bij het 50-jarig bestaan van de Teeken Akademie in 1828 werd een tentoonstelling georganiseerd waar oud-studenten werk konden laten zien. Werk van Pieter Buker werd ook geëxposeerd. In zijn overlijdensadvertentie in 1836 noemt zijn weduwe hem ook ‘Kunstkoper’. Advertenties van een kunsthandel zijn niet bekend, dus kan het zijn dat Buker alleen min of meer decoratief werk in het verlengde van zijn behangsels en schoorsteenstukken kocht en verhandelde. Slechts twee jaar later kwam Jacoba Kerssen ook te overlijden. Uit een advertentie voor een verkoping in het sterfhuis van de weduwe Buker kunnen we afleiden dat vooral werken van vermaarde Teeken Akademie-leerlingen als vader en zoon Koekkoek, maar ook J.C. Haccou en L. van Oppen aanwezig waren, naast werk van niet met name genoemde kunstenaars. In de opsomming werd P. Buker ook genoemd. Of zou de naam uit piëteit het rijtje namen besluiten? Hoe dan ook, werk heb ik helaas niet van hem kunnen vinden. 

Arnold Wiggers

Middelburgse Courant, 26 april 1836, pagina 2 – Krantenbank Zeeland
Middelburgse Courant, 31 mei 1838, pagina 2 – Krantenbank Zeeland

Broedertwist

Een rijtuig met twee paarden en bedienden, met op de achtergrond een landschap met een buitenhuis en een dorp, tekening in kleur, Aarnout de Warem 1810 – Zeeuws Archief HTAM H-58

‘Bij de gebroeders De Warem zijn te bekomen, laatst uitgekomen Kaleidoscopen of Gedaante-Verwisselaars, voor een civielen prijs’, zo adverteerden Johannes Aarnout en Aarnout de Warem in de Middelburgsche Courant van 30 juni 1818. Belangstellenden voor deze ‘toverkijker’ wisten dan dat ze naar de Pottenbakkerssingel moesten, bij de Langevielebrug. De twee oudste zoons van blikslager Adriaan de Warem hadden na diens overlijden in 1815 de zaak, waar metalen (blik, maar ook koper) voorwerpen werden gemaakt en verkocht, voortgezet. De gebroeders -of was het alleen Aarnout?- hadden blijkbaar ambitie en wilden meer dan alleen potten en pannen aan de man brengen. 

Middelburgse Courant, 30 juni 1818 pg. 2 – Krantenbank Zeeland

Het gezin van Adriaan en Johanna Cornelia Catsman bestond verder nog uit twee dochters en de kleine Cornelis, geboren in 1801. Johannes (1785-1857) heeft zeker op de Teeken Akademie les gehad, want hij was in 1803 de beste in de eerste klas naar pleister. Van Aarnout (1792-1844) zijn ook tekeningen bekend, die het aannemelijk maken dat ook hij les heeft gehad. Van Cornelis (1801-1841) is geen werk bekend. Hoewel hij een bakkerszaak in de Vlissingsestraat bestierde, werd hij in zijn overlijdensacte bakkersknecht genoemd. 

Johannes huwde in maart 1813 de 19-jarige Adriana Anthonia Leliaart. De jonge bruid overleed in december in het kraambed bij de geboorte van hun zoon Adrianus Johannis. Ook deze zoon zou al op 27-jarige leeftijd overlijden. Johannes is zijn leven lang verder weduwnaar gebleven. Aan Aarnout en Cornelis bleek het huwelijk niet besteed.

En dan barst er een bom. Op 25 juli 1822 laat de weduwe De Warem in de krant weten dat haar tweede zoon Aarnout de zaak voort gaat zetten, omdat de oudste zoon vertrokken is. Die ziet dat anders en reageert op 1 augustus fel. Zijn ‘ongelukkige en weerloos geworden moeder’ is door ‘overdreven haat en heerszucht’ van zijn broers gemanipuleerd tot het plaatsen van de advertentie. ‘Kunnende de ondergeteekende, in geval van noodzakelijkheid, meer dan voldoende bewijzen, dat hij niet is vertrokken, maar na herhaalde mishandelingen, in het aanzien van verscheidene in de buurt wonende lieden, het huis is uitgestoten, zich dusdanig van het bestuur der affaire beroofd ziende, volstrekt buiten staat zijnde, daar, waar eigen veiligheid gevaarlijk werd, terug te keeren.’ Was getekend: J.A. de Warem.

Aarnout en Cornelis laten dit niet onbeantwoord. Op 3 augustus dagen ze hun broer uit een rechtszaak te beginnen ‘… en zulks niet doende, hem alsdan voor een’ infamen eerrover te zullen houden’. 

Middelburg zal verlekkerd opgekeken hebben van de broedertwist. Tot een rechtszaak zal het wel niet gekomen zijn. Na het overlijden van moeder De Warem-Catsman in 1830 duurde het nog vier jaar voordat de boedel verdeeld was, mogelijk omdat de vete nog even voortduurde. Eindelijk, bij het overlijden van Cornelis in 1841, plaatste Johannes een advertentie uit aller naam wat zou kunnen duiden op een verzoening. 

Johannes begon een eigen blikslagerszaak in de Zusterstraat en Aarnout ging verder met het aanbieden van natuurkundige zaken als het vervaardigen en repareren van ‘Electriseer-Werktuigen met de daarbij horende proeven’ (1834). In 1841 vertoonde hij op de Heerengracht nr. 36 op maandag- en donderdagavond ‘kunstmatige Voorstellingen door de Elektriciteit’. Kaartjes kostten tussen de 49 en 95 cent. 

In 1896 dook de naam van Johannes nog een keer in de krantenkolommen op. Voorzitter dr. J.C. de Man van het Zeeuws Genootschap schonk een zonnewijzer die in de tuin van het pand aan de Wagenaarstraat werd geplaatst. Vervaardiger was J. de Kanter Phz. (1762-1841) die daarbij geholpen was door de koperslager J. de Warem. ‘Het draagt een dier kernachtige opschriften, waarin onze voorouders zoo rijk waren en die zich als van zelf in het geheugen hechten: “Het uur loopt ras. Zo ras verloopt ons leven”.’

Arnold Wiggers

Studie van boeren met vrouw en een kind aan de picknick bij een boerderij, 1 gewassen tekening in O.I. inkt, Johannes Aarnout de Warem 1809/1811 – Zeeuws Archief HTAM H-43

Waterstaatskerk in de Lange Noordstraat

Wie de St. Pieter in Middelburg googelt komt meestal uit bij de in 1834 afgebroken Noordmonster, ook Oude Kerk genoemd, die op het Hofplein stond, pal tegenover het Van de Perrehuis. De kerk is ook nog even kathedraal geweest tussen 1559 en 1574. En dat is een mooie verbinding met die andere St. Pieter, de katholieke kerk die in de Lange Noordstraat stond, totdat de stadsbrand van mei 1940 het gebouw in as legde. Het gebouw was toen nog geen 100 jaar oud. 

Teekeningen voor de nieuwe St. Pieterskerk voor de R.K. Gemeente te Middelburg, gebouwd in de jaren 1844 en 1845, tekening ; gewassen, in kleur, Joseph Bourdrez – Zeeuws Archief, KZGW ZI II, 645

Gebouwd in de jaren 1844-1845 naar een ontwerp van Joseph Broudrez, was de kerk een schoolvoorbeeld van wat een Waterstaatskerk is gaan heten. De Fransen hadden na 1795 dan wel gelijkheid in geloofszaken gebracht, dat betekende nog niet dat alle geloofsgemeenschappen over fatsoenlijke kerken konden beschikken. Geldgebrek, onwil om in te schikken, ondeugdelijke plannen en nog wat problemen, maakten dat de overheid ingreep. In ruil voor financiële bijstand moest vanaf 1824 elke kerkbouw bij de Ministeries voor Erediensten (er waren er twee: één voor de katholieken en één voor de protestanten en anderen) worden aangemeld. Bij gebrek aan andere ambtenaren die verstand hadden van bouwkunde, werden de ingenieurs van Rijkswaterstaat (toen nog onderdeel van Binnenlandse Zaken) ingezet om de plannen te keuren. Op den duur werden deze ingenieurs door de opdrachtgevers ingehuurd: dat bevorderde uiteraard de kans op toestemming voor de bouw behoorlijk.

Joseph Boudrez (Middelburg 1805-1886) was dan wel geen ingenieur, maar vanaf 1839 wel opzichter bij Rijkswaterstaat. Hij had door zijn opleiding aan de Teeken Akademie een degelijke ondergrond. Tussen 1823 en 1826 viel hij driemaal in de prijzen in de afdeling bouwkunde. Hij begon als aannemer en kreeg de aanbesteding in 1837 van het Badpaviljoen in Domburg, een ontwerp van G.H. Grauss. Behalve toezien op de bouw, heeft hij in die functie bij Rijkswaterstaat naast de katholieke kerk in Middelburg ook de hervormde in Arnemuiden, Oud-Vossemeer en ’s-Heerenhoek -nu in het Openluchtmuseum- ontworpen. Tevens was hij bij de bouw van de Nieuwe Kerk in Zierikzee betrokken. Uiteraard was er mee te doen dan kerkenbouw en zijn ook wat waterstaatkundige werken, onder meer in Veere en Waarde, van zijn hand.

De katholieke kerk in de Lange Noordstraat kreeg zuilen en een houten toren, wat elders ook veel werd toegepast. Toch is er geen sprake van een Waterstaatsstijl, zoals vaak wordt gesteld. De architecten bouwden simpelweg in een stijl die destijds overal in West-Europa opgang deed, de neobarok. Na 1848 werd bij de scheiding tussen staat en kerk de directe bemoeienis van de Ministeries een stuk minder, om na 1868 te stoppen. Inmiddels was de neogotiek het je van het en vond onder anderen Pierre Cuypers overal -maar niet bij iedereen- in het land bijval in wat als een typisch katholieke stijl werd gezien.

Arnold Wiggers

In de knop gebroken

Zicht op de Lange Jan vanaf Nieuwstraat 11/13 (G 226 ) oktober 2021 – foto: L. Labeur

Wat weten we wel? Cornelis Hendrik werd op 19 november 1829 in Middelburg geboren. Zijn vader was per 1 januari 1825 benoemd tot onderwijzer aan de school in de Nieuwstraat (G 226). Hij zal daar hoofd zijn geweest, want het gezin woonde op G 227, dus het aanpalende pand. De jongen bezocht de Teeken Akademie en kreeg in 1845 een prijs als beste leerling in de derde klas bouwkunde. Dat verraadt al de richting waarin hij zich zou ontwikkelen: timmerman. In 1850 kreeg hij als op één na beste in de tweede klas bouwkunde lof toegezwaaid. En toen kwam dat ongeluk. Mogelijk viel hij van een steiger of van een dak. Hij moet indruk gemaakt hebben, anders zou de directie van de Teeken Akademie bij de prijsuitreiking van dat jaar 1852 niet stilgestaan hebben bij zijn voortijdige dood.

Nieuwstraat (G 227) oktober 2021 – foto: L. Labeur

Welk een leed. Hun enige volwassen zoon Cornelis Hendrik is op 25 maart 1852 bij een val om het leven gekomen. De advertentie die Pieter Verhoeven en Maria Verhoeven-Beaufort in de Middelburgsche Courant zetten, spreekt boekdelen. Toch blijft er genoeg te raden over. Wat is er gebeurd? Hoewel het ongeluk van mond tot mond zal zijn gegaan in de stad, heeft het de krant niet gehaald en blijven ons de details verborgen. Zo ging dat bij gewone stervelingen. 

Zou er bij al dit ongeluk nog een ander sociaal drama gespeeld hebben? Blijkens de advertentie had Cornelis Hendrik sinds korte tijd serieus verkering. Nog niet van dien aard dat haar naam gemeld werd, maar dat hij ‘wat aan het handje had’ moest blijkbaar wereldkundig gemaakt worden. Waren er misschien trouwplannen, of nog dringender; moest er getrouwd worden? Stel dat dat zo was, wie zou dan zijn onfortuinlijke meisje geweest kunnen zijn? 

Een klein zoektochtje in de burgerlijke stand van Middelburg leverde één geboorte buiten echt op die binnen 9 maanden na het ongeval van Cornelis Hendrik plaatsvond. Op 5 oktober beviel Maria (de) Kruijff van een dochtertje, ook Maria genoemd. Niemand eiste het vaderschap op. De ongehuwde Maria vertrok met haar kind naar haar geboortestad Amersfoort en trouwde daar in 1855 met Gerard Abraham de Rochemont. De echtgenoot erkende het kind, doch helaas, de kleine Maria de Rochemont kwam al als peuter te overlijden. 

Pieter en Maria Verhoeven hebben 4 dochters volwassen zien worden, die zo op het oog heel aardig terecht kwamen. Dat ze er lang getuige van waren moge blijken uit de respectabele leeftijden die beiden bereikt hebben: vader Pieter werd 79 jaar en moeder Maria 94.

Arnold Wiggers

Nieuwstraat 11/13 (G 226 ) oktober 2021 – foto: L. Labeur
Weerspiegeling raam Nieuwstraat 11/13 (G 226 ) oktober 2021 – foto: L. Labeur

In de brand, uit de brand?

(vervolg op de blog van vorige week)

Gezigt bij het uitbarsten der brand te Middelburg. op Zondag, den 28 Junij 1857, steendruk in kleur door A.A. Nunnink, M.J. la Brand – Zeeuws Archief, KZGW ZI III 316

Kwart over zes hadden P.L. van Eersel en zijn vrouw hun huis en winkel in garen en band in het pand Arnemuiden aan de Lange Delft in Middelburg verlaten door de Vlissingse poort richting Schroeweg. Om half zeven werd de brand in zijn pand opgemerkt. Sterker, omtrent die tijd had hij zelf ook brand in de stad bemerkt en was in een boerenwoning gegaan om van de schrik te bekomen. Daarna had hij zich niet onmiddellijk naar zijn huis begeven. Dat was verdacht en kon geen toeval zijn, meende de goegemeente. Men wist te vertellen dat Van Eersel eerst onlangs zijn pand en inboedel flink verzekerd had. De krant kon aan het gerucht niet voorbij gaan: alle betrokkenen waren verzekerd. Dat kon destijds gemakkelijk opgevraagd worden en daaruit bleek dat Van Eersel in juni 1856 een verzekering had afgesloten. Dus … riep de krant op niet te lasteren. Dat nam niet weg dat Van Eersel op 5 juli werd vastgezet.  

Buurman Zembsch van de manufacturenzaak in de Lange Burg had geluk. Tussen het puin werd ƒ 3000,– aan bruikbaar zilvergeld teruggevonden. Tijdens de brand had J. Coppejan bij het helpen minder geluk. Hij werd dusdanig getroffen door een uit een huis geworpen zak met geld, dat hij met twee gebroken ribben in het Gasthuis moest worden opgenomen. En horlogemaker Wolf rechts van het pand Arnemuiden had er wijs aan gedaan niet te vertrouwen op zijn brandkast en de inhoud in veiligheid te brengen. De brandkast van Giesbers & Co uit Roermond bleek niet vuurbestendig. Dat noopte de fabriek om op 13 juli alle bezitters van brandkasten van hun fabricaat bijeen te roepen, om aan reputatie te redden wat er te redden viel. 

Ramtoerisme was er volop. Honderden kwamen van het eiland om met eigen ogen de catastrofe te zien. Van Schouwen was er ook belangstelling. Op maandag 6 juli arriveerden 5 schuiten met zo’n 300 kijklustigen. 

Johannes Wolff tekende de ruïnes zoals die op 29 juni te zien waren. Deze tekening stond aan de basis van de tweede prent van de brand. Wolff, dan ongeveer 31 jaar oud, zal op de Teeken Akademie tekenen hebben geleerd, een prijs won hij er niet. Wel als Jean Wolff bij Kunst & Vriendschap, een vereniging -naar het zich laat aanzien- van oud-leerlingen. Mogelijk dat Wolf Marinus la Brand goed kende. Hij trouwde diens wat oudere zuster Johanna Geertruida in 1859. Marinus was toen echter al ruim een half jaar dood. Johannes Wolff stond zijn werkzame leven te boek als winkelier in de Segeerstraat.

En P.L. van Eersel? Het Arrondissementsgerecht vond dat brandstichting of moedwillige nalatigheid niet bewezen kon worden. Tegen deze uitspraak ging de brandverzekering in beroep, zonder resultaat. Op 23 september volgde het Provinciaal Gerechtshof de lagere rechters in hun uitspraak. En nog gaf de Onderlinge Brandwaarborgmaatschappij niet toe. Ze weigerde tot uitbetaling over te gaan. Het is inmiddels 1860 en het draaide uit op een oordeel door scheidsmannen, 21 stuks, aangesteld door de rechtbank, die gingen bepalen wat van de door Van Eersel geëiste ƒ 11.500,–  (nu ongeveer € 120.000) moest worden uitbetaald. Op 17 mei deden de heren uitspraak in het maximale voordeel van de eiser: ƒ 11.500,– min ƒ 1,– en alle gerechtskosten voor rekening van de verzekeraar. 

Arnold Wiggers

Brand! Brand! Brand!

Zagen ze dat nou goed? Brandde daar iets in de garen en band winkel van Van Eersel aan het eind van de Lange Delft richting Markt? Het was half zeven, zondag 28 juni 1857. De winkel was natuurlijk gesloten en er bleek niemand thuis te zijn. Passanten forceerden de deur en de vlammen sloegen hun tegemoet. Onmiddellijk werd er alarm geslagen en van verschillende kanten kwamen de brandspuiten met hun brandgasten aangesneld, tot uit Vlissingen en Arnemuiden toe. Omwonenden, buurtgenoten en andere vrijwilligers hielpen aanpalende panden ontruimen of met emmers en andere middelen de brandspuiten te vullen. Relatief snel -na ongeveer drie uur- kon de brand ingedamd worden, mede doordat het niet of nauwelijks waaide. Problemen waren er ook: de waterputten waren ver van de plaats des onheils en er werden veel zand en steentjes opgezogen die de spuiten verstopten. De brandgasten uit Arnemuiden waren inmiddels zonder ingezet te zijn teruggestuurd. Er dreigde een onweer met mogelijk blikseminslag en in die hoek van Walcheren had Arnemuiden de enige brandspuiten. 

Gezigt bij het uitbarsten der brand te Middelburg. op Zondag, den 28 Junij 1857, steendruk in kleur door A.A. Nunnink, M.J. la Brand – Zeeuws Archief, KZGW ZI III 316

Zwaar onder de indruk van het gebeuren, berichtte de reporter in de maandagavondeditie ‘van 4 ½ uren’ het feitenrelaas. De Middelburgsche Courant verscheen destijds op dinsdag, donderdag en zaterdag, maar was aan het eind van de vorige dag al te verkrijgen. Op maandag 29 juni werd nageblust en kon grofweg de schade opgenomen worden. De hoek Lange Delft – Lange Burg was verbrand. Vijf winkel-woningpanden waren totaal vernield, de meeste met inboedel en al. Dat de brand zo om zich heen kon grijpen, kwam mede door de eigenaardige bebouwing. De huizen grepen als het ware in elkaar en vormden zo een blok waardoor het vuur moeilijk te bestrijden viel. Uiteraard waren woningen in de buurt, tot ruim 13 toe, beschadigd door de intense hitte. 

Op zaterdag 4 juli was het tijd voor enige reflectie en kreeg het handelsinstinct weer vat op de geesten. Bij A.J. de Wilde was voor 10 cent Overdenking en treurige herinnering aan den vreselijken brand van zondag l.l. van Antje Ball te koop. Boekhandelaar J.J. Ceulen kondigde aan een intekening te openen voor 2 prenten. Hij was van plan steendrukken bij A.A. Nunnink te Den Haag te laten maken met een afbeelding van het blussen uit de Lange Delft gezien, naar een tekening door Labrant, en het terrein de volgende dag, naar een tekening door Wolff. De prijs bedroeg 75 cent en voor niet-intekenaars een gulden. De prenten kwamen er in een oplage van ieder 1000 stuks.

Met Labrant werd Marinus Jillis la Brand bedoeld, destijds 19 jaar en in 1850 en 1852 prijswinnaar naar prent op de Teeken Akademie. Vader Job, (huis)schilder in de Kromme Weele, was in 1827 en 1829 op dezelfde academie onderscheiden. Marinus la Brand (Labrant of Labrand) zou niet oud worden: 17 december 1858 kwam hij al te overlijden.

Het nablussen duurde nog tot donderdag. Geruchten gingen rond. En wie was Wolff? Wordt vervolgd.

Arnold Wiggers

Het oog naar boven slaan

Een interview met Huib Uil en Ilja Mostert over de 19e eeuwse kunstenaar Adriaan Prince en de tekenschool van Zierikzee.

Detail van een gravure op avondmaalszilver van de Oostkerk, ontworpen door Adriaan Prince (1831) – foto: L. Labeur

Liesbeth Labeur

Een beknopt lemma over Adriaan Prince (1779-1859) uit Zierikzee trok al enige tijd de aandacht. De tekst: “Schilder. Woonde zijn hele leven in zijn geboortestad en was daar leraar aan de stadstekenschool. Hij is één van de weinigen die het 19e-eeuwse Schouwse volksleven heeft uitgebeeld. Hij was een vaardig tekenaar en heeft ook landschappen geschilderd en oude meesters gekopieerd.” Het sprak tot de verbeelding. Wie was Adriaan Prince? Wat maakte hij, hoe zag zijn kunst eruit? En wat is er bekend over de tekenschool van Zierikzee?  1

De Teeken Akademie van Middelburg verdiept zich deze jaren in de Zeeuwse tekengeschiedenis en maakt zich sterk voor actuele tekenkunst. In de aanloop naar het 250-jarig bestaan in 2028 hoopt men een Zeeland brede manifestatie in gang te zetten met stads- en dorpstekenaars en met aandacht voor álle tekenscholen die Zeeland heeft gekend, ook de tekenschool van Zierikzee. Adriaan Prince was er vanaf het begin als stadstekenmeester bij betrokken. 

Op zoek naar meer informatie bezoek ik Huib Uil, de voormalige stadsarchivaris van Zierikzee. Hij staat bekend als wandelende encyclopedie. Huib waarschuwde direct. “Omdat mijn voorganger werk heeft gemaakt van Prince heb ik hem in mijn dienstjaren niet heel uitgebreid behandeld. Er is nog het een en ander na te zien. Het is een goed idee om Ilja Mostert ook te vragen, hij is nu werkzaam als archivaris in Zierikzee.” Zo geschiedt. 

Kennen jullie de schilder Adriaan Prince? Of werk van hem? 

Ilja Mostert: “Zoals Huib aangeeft, een onderzoek in de correspondentie van de stad zou meer informatie kunnen opleveren, een tijdrovend werk. Het valt me tegen hoe weinig werk van hem bekend is.” 

Huib Uil: “Uit de publicaties van Wiebe H. Keikes uit 1988 herinner ik me het schilderij van de haven van Viane, toegeschreven aan Adriaan Prince. Een mooi resultaat van het onderzoek was de vondst dat mijn voorganger ontdekte dat dit niet de haven van Viane voorstelt, maar een naschildering is van de gravure ‘het lossen van een schip’ naar een schilderij door de zeventiende-eeuwse schilder Philips Wouwerman.” 2

In 1952 maakt de PZC melding van de vondst van het schilderij op Oude Haven 9: “Het werd ontdekt op de zolder van het pand dat thans behoort aan dhr. C.van der Vliet; Dhr. D. Van der Vliet sr. kocht het van Prince in 1802. De hierboven vermelde gegevens zijn te lezen op de achterzijde van het schilderstuk.” 3

Huib heeft geregeld dat we het werk kunnen bekijken in het Stadhuismuseum. Dat het een reproductie is en geen eigen werk van Prince is niet verwonderlijk. Het tekenonderwijs in West-Europa was in zijn tijd in grote lijnen overal op dezelfde manier opgebouwd. Leerlingen tekenden eerst ‘naar prent’, dan ‘naar pleister’ en tenslotte ‘naar levend model’. 4

5 juni 2021 – Huib Uil leest de aantekening op de achterzijde van het paneel ‘het lossen van een schip’ van Adriaan Prince – foto: L. Labeur

Op de achterzijde van het paneel ontdekt Huib een briefje dat nog niet in eerdere publicaties beschreven is. Hij leest de aanhef. “Het is een brief van restaurateur Hesterman gericht aan Dhr. Van der Vliet.” Ilja: “Het schilderij is in 1916 onderzocht door deze gerenommeerde restaurateur. Hesterman! Hij was in 1911 ook verantwoordelijk voor de restauratie van de Nachtwacht. Het verhaal dat het schilderstuk in 1952 zomaar werd ontdekt op een zoldertje lijkt me niet aannemelijk.” 5

Huib laat uit het depot tevens de bekende prent ‘Man en vrouw van Schouwen’ zien, gemaakt door Prince. “De afbeeldingen waren voor een verzamelwerk over klederdrachten, uitgegeven door E. Maaskamp te Amsterdam in 1805.” Ook is er een prent bekend met daarop het standbeeld van Jacob Cats uit Brouwershaven, naar een ontwerptekening van Adriaan Prince. “Meer werk van hem kennen we niet.”

Wat weten we wel, is er een portret van Adriaan Prince bekend? 

“Helaas niet,” vertelt Huib. Wel algemene gegevens. “Adriaan Prince werd geboren in Zierikzee op 16 augustus 1779 als zoon van Jan Prince en Jopje Olree.” 

“Waarschijnlijk weet ik zijn geboorteadres,” meldt Ilja. “In het lidmatenregister van de Nederduits Gereformeerde kerk wordt   ’s Heer Arendslop in 1775 als woonadres van zijn vader genoemd, een paar jaar voordat Adriaan wordt geboren.” 6

“Bovendien, uit een notariële akte van 11 oktober 1762, blijkt dat een huis aan  ’s Heer Arendslop al bewoond werd door familie. Dit huis moet op den duur in bezit zijn gekomen van vader Jan Prince. Want in eenzelfde soort akte uit 1825, opgesteld vanwege het overlijden van Adriaans vader, wordt dit huis met het wijknummer A385 aangeduid en blijkt dat het pand sinds 4 februari 1792 in bezit was van Jan Prince.”  7

“Het was waarschijnlijk het derde huis aan de westzijde van de  ’s Heer Arendslop, gezien vanaf de Oude Haven. Dit huis bestaat al lang niet meer. In het bevolkingsregister van 1830 staat al dat het niet meer bewoond was. Tegenwoordig staat hier de nieuwbouw van Mondragon.”

Jonge jaren in het schildersgilde

Huib heeft een tocht door Zierikzee georganiseerd, langs plaatsen uit het leven van Prince en Ilja vult aan: “Ik vind Adriaan Prince in zijn jonge jaren één keer terug, in de archieven van het schildersgilde. In de rekening van 1790 staat hij als elfjarig jochie vermeld als ‘leerjongen’ van de weduwe van Lambregt-Klasse. De spelling kan ook ‘Lambrecht’ zijn en de achternaam ‘Klaasse’ of ‘Klaassen’.”  8

In de boedelinventaris van Lambrecht-Klaasse, opgemaakt na het overlijden van Lambrecht in 1788, zijn ‘verwstoffen’ – verf werd toen met een w geschreven – en schildersgereedschappen beschreven. “Het kan bijna niet anders dan dat de weduwe van Lambrecht de spullen heeft gebruikt in 1790, hoe kon ze anders een leerjongen onder haar hoede nemen. Het geeft de leerjongen hoe dan ook kleur.” 9

De inventarisatie beschrijft veel droge ‘verwen’, zoals Berlijns blauw. Daar heb je als schilder maar heel weinig pigment van nodig om een sterke kleur blauw aan te maken. Of neem de pakjes Keulse aarde, ook bekend als Van Dijck bruin. Veel gebruikt voor schaduwpartijen. Ook op de lijst: koningsgeel. Na gebruik moest je je handen goed wassen, het was een giftig pigment. Je kan er een sterke citroengele/oranjekleurige verf van maken. Lakmoes stond ook op de lijst. En papaverolie, dat geeft glans aan verf. Onder gereedschap staan onder andere vermeld een partij nieuwe kwasten, een krijtmolen en een balansschaal.

Met de spellingsvariant ‘s’ komen we Adriaan in 1798 opnieuw tegen, op zeeuwen gezocht: Adriaan Prinse, inwoner van Zierikzee, 19 jaar, ongehuwd, schilder, adres A 89. 10

Huwelijkse jaren en verdriet

In juni 1810 huwt Adriaan met Carolina Josina de Moor te Scherpenisse. 11 Misschien is hij wel naar Tholen gevaren vanuit het haventje van Viane. 

Ilja meldt dat Prince “even daarvoor een huis heeft gekocht in Zierikzee. Uit een transportakte uit 1810, opgesteld op de 19e dag in de grasmaand (april), blijkt dat Adriaan voor 1800 gulden een huis aan de noordzijde van de Oude Haven koopt. Dit is het huis waar het schilderij in 1952 op zolder gevonden werd.” 12

Op 19 september 1811 wordt Adriaan voor het eerst vader. Carolina Josina schenkt in Zierikzee het leven aan Jean Pierre Prince. 

“Het wordt steeds interessanter,” vertelt Ilja. “In 1814 stelt notaris Dignus Boom enkele notariële aktes op. Uit de eerste akte van 30 september 1814 blijkt dat Adriaan Prince 400 gulden heeft geleend bij Pieter Blussé met zijn huis aan Oude Haven 9 als onderpand. De akte die daarop volgt is identiek aan de eerste maar in het tweede geval blijkt dat ook Jan Prince, de vader van Adriaan, 400 gulden heeft geleend, ook met een huis als onderpand, Oude Haven 39b. Pieter Blussé ken ik van het 18e eeuwse familiebedrijf Blussé uit Dordrecht, Naast uitgeverij en boekhandel had men ook een postkantoor en een loterij.”  13 14

Blijkbaar is het bergafwaarts gegaan met Adriaan, want op 31 oktober 1815 (niet in 1802 zoals de PZC in 1952 vermeldt?) is hij gedwongen zijn huis te verkopen aan Dingeman van der Vliet. “Dit is de voorvader van Cornelis van der Vliet die het schilderij op zolder vond in het huis Oude Haven 9.”  15

De contouren van een getormenteerde kunstenaar beginnen zich af te tekenen. In 1815 wordt er een kind geboren in Scherpenisse, Pieter Cornelis Prince. Zijn ze naar familie uitgeweken? In 1818 wordt Prince opnieuw vader, Anna Jobina Carolina wordt geboren. De familie Prince woont dan weer in Zierikzee, op Dam 2. Op 3 januari 1819 overlijdt echtgenote en moeder Carolina Josina de Moor, Adriaan is dan 39 jaar.” 

De oprichting van een teeken-collegie

Huib toont uit de ‘correspondentie over onderwijs’ een brief van de Gouverneur van Zeeland d.d.18 juni 1817, waarin geïnformeerd wordt of er tekenscholen in Zierikzee bestaan. De Curatoren van de Latijnse school, tevens de Plaatselijke Schoolcommissie, antwoorden d.d. 2 juli 1817: “er is geen tekenschool en er zijn geen mogelijkheden die op te richten.” Aanleiding voor deze correspondentie zal het koningsbesluit van 13 april 1817 zijn geweest. Koning Willem I hechtte waarde aan onderwijs. 16

Drie jaar later, op 29 september 1820, dat is anderhalf jaar na het overlijden van de vrouw van Prince, vermeldt de Zierikzeesche Courant dat “de kunstschilders A. Prince en L. van Sprang voornemens zijn om met goedkeuring van Heeren Burgemeesters, binnen deze Stad een teeken-collegie op te rigten.” Correspondentie waaruit deze goedkeuring blijkt, hebben we (nog) niet kunnen achterhalen. 17

Ilja: “Adriaan Prince woont dan op Oude Haven 39b. In de Memorie die opgemaakt is na het overlijden van zijn vrouw, noemt hij A407 als zijn woonadres. Hij is na haar dood in 1819 dus al snel verhuisd naar zijn vader. Dit is ook het huis waar hij zijn eerste tekenlessen gaf getuige de advertenties in de krant.” In 1825 overlijdt de vader van Adriaan.

Huib: “via de krantenbank kun je lezen dat Adriaan Prince vanaf het najaar van 1820 ieder jaar vijf maanden (particulier) tekenles geeft in de vorm van het ‘teeken-collegie’, alleen in het genoemde jaar met L. van Sprang. Hij heeft dit gedaan tot en met 1826. In 1827 is er door de stad zelf een tekenschool opgericht. Vanzelfsprekend houden die twee feiten nauw met elkaar verband.” 

De oprichting van de tekenschool

In de correspondentie van de stad vindt Ilja nogmaals een brief van de Gouverneur van Zeeland. Op 2 augustus 1826 schrijft hij: “de daarstelling van teekenscholen om […] onderwijs te doen geven in de gronde van over teekenkunde, zoals uw edelachtbare uit het koningsbesluit van de 13e april 1817 bekend is, eene zaak waarop Hoogste zelve veel prijs stelt. Dat de toenmalige regering uwer stad ook daaromtrent niet onverschillig was, blijkt uit haren brief van 14 july van dat jaar, waarbij dezelfe opgeeft maatregelen te zullen nemen […]. De maatregelen zijn ondergebleven hetgeen uw voorganger beraamd hebben te verwezenlijken. In de stad Middelburg bestaat reeds jaarenlang zoodanige inrigting. In de steden Vlissingen en Goes zijn die tot stand gebragt. Van 30-60 leerlingen worden zo jaarlijks onderwezen.” 18

De Gouverneur ontvangt snel, al op 11 augustus 1826, antwoord terug. “Het bestuur dezer stad heeft ten oogmerk  op den voet en wijze […] een tekenschool opterigten in den geest van ’s Koningsbesluit van den 13e april 1817.” Vooruitlopend op resultaten rept men van een voorbereidend verslag. Op 18 november 1826 antwoord de Gouverneur terug: “zo heb ik u te verzoeken om mij met het gevolg daarvan, immers den stand dezen zaak bekend te maken.” 

Er volgen brieven met een informatieverzoek over de “gronddelen” van een tekenschool. De tekenmeesters, wat betalen we hen? En hoeveel jongelingen moeten we onderwijzen? De Gouverneur stuurt voorbeelden op, waaronder een reglement van de tekenschool van Groningen. Er worden beloftes gedaan, men heeft het “stellige voornemen” om “doelmatig en zoveel mogelijk in de geest van” een tekenschool “opterigten” voor “teken en bouwkundig onderwijs.” Op 23 januari 1828 volgt dan eindelijk de verlossende brief dat in Zierikzee “hedenavond een aanvang is gemaakt met het geven van lessen.”

Huib vertelt dat Prince als een van de onderwijzers aan de tekenschool verbonden werd. “Ook wordt hij in de boeken vanaf 1827 stadstekenmeester genoemd. Een document waaruit een aanstelling blijkt heb ik niet kunnen achterhalen. In ieder geval kan ik melden dat Adriaan Prince als stadstekenmeester een traktement genoot van 200 gulden per jaar. Het bedrag werd in vier termijnen uitbetaald door het stadsbestuur.

Reglement van Admissie op ‘het’ tekenschool

Ook de Zierikzeesche Courant is op 18 januari 1828 goed gevuld met berichten van de tekenschool. “De commissie der tekenschool binnen de stad Zierikzee, brengt bij deze ter kennis der belanghebbenden, dat men met den 21 dezer maand des avonds ter 6 ure ten huize van Mejufv. de weduwe Van der Baan op de Oude Haven, een aanvang zal worden gemaakt met het geven van onderwijs in de handteekening en Bouwkunde.” 

Voorts roept de commissie alle reeds ingeschreven jongelingen op om de zaterdag daarvoor “aan het lokaal der tekenschool te verschijnen” om het “Reglement van Admissie op het tekenschool te Zierikzee, waarin les gegeven zal worden in het handtekenen, in de regels der vijf orders, en in het tekenen van alle burgerlijke gebouwen, sluizen en molens” in werking te brengen. 

Art. 1 “Geene Leerlingen zullen op dit School aangenomen worden, dan die van het mannelijke geslacht, en den ouderdom van twaalf jaren ingetreden zijn […]” In Art. 5 wordt vermeld dat “minvermogende” jongelieden ook worden uitgenodigd om “voor niet” deel te nemen aan het onderwijs. “Doch niet op het school mogen verschijnen, dan zindelijk en ordentelijk gekleed.”

Art 8 meldt dat “leerlingen zichzelf moeten aanschaffen en altijd op het school voorzien zijn, van eigen tekenbehoeften en papier, desnoods volgens aanwijzing van den tekenmeester, zonder het minste van de ander te mogen lenen, teneinde door geen oponthoud noch stoornis aan zijn medeleerlingen te kunnen veroorzaken.” 

Art. 19 “Eenmaal in het jaar anno ter belooning van naarstigheid, als tot opwekking van eenen edelen naijver, op de plechtigste wijze aan de meest gevorderde leerlingen, eereprijzen met getuigschriften vergezeld; uitgereikt worden, is elke leerling gehouden, naar die prijzen en den rang voor plaatsing te tekenen, zonder zijne tekening daaraan te mogen onttrekken […].”  19

Illustraties van het verdere leven van Prince

Hoewel we in de archieven nog niet meer kunst van Prince zijn tegenkomen lezen we wel een verdere illustratie van zijn leven. Ilja toont een lijst uit 1829 met leerlingen van de tekenschool, waaronder een zoontje, Pieter Cornelis Prince. 20 “Van zijn broer Jean Pierre Prince vinden we in dat jaar ook stukken terug in de archieven. Hij wordt in 1829 veroordeeld voor vier jaar wegens diefstal van zijn baas, notaris Mosselmans, waar hij kantoorklerk is. In afwachting van het vonnis, hij zat in het Gravensteen, schrijft hij een briefje aan zijn vader. “Dierbare vader, diep moet ik mij schamen, ja zelfs sidderen, u deze letteren te zenden, van de cipier vernomen hebbende dat gij niet alles weet om iets voor mij te doen. […] ik bidde, ik smeek u doet toch wat gij kunt voor u zoo diep ongelukkige zoon, wiens tranen van berouw onophoudelijk vloeien. […] Laat mijn broeder Pietje vanavond eens medekomen, opdat hij uit mijn geval leere en een afschrik van deze verfoeilijke zonden krijgt.” Jean Pierre zit zijn straf uit in het tuchthuis van Gent.” 21

In de Zierikzeesche Nieuwsbode lezen we terug over de oprichting van ‘Kunst en Eer’ in 1830, een harmoniegezelschap. Muziekdirecteur was Johannes Frederik Tinteman, terwijl er verder toe behoorden: Adriaan Prince, Pieter Anthony de Reur, Francois Jansons, Abel Vorenkamp […] Men hield repetities in het koor der Groote of Sint -Lievens Monsterkerk […] en als aardigheid wisten tijdgenoten te verhalen dat het bovengenoemd lid, Abel Vorenkamp, die koek- en banketbakker was, de in dit koor hangende grote koperen kaarsenkroon, meermalen aan het slingeren bracht door, na een aanloop hoog opspringend, daartegen een klap te geven.” 22

De tekenschool voor en na de reorganisatie in 1841

In 1838 lezen we in de krant enige passages uit het jaarverslag van de Provincie. Huib vertelt dat “vroeger inlichtingen aan alle gemeenten gevraagd werd en dat de Provincie deze bundelde in het jaarverslag. De krant citeert hier elk jaar uit:” 

“De teeken akademie te Middelburg en de teekenschool te Zierikzee, Goes en Vlissingen worden met belangstelling en ijver in stand gehouden het onderwijs aan dezelve is volgens de bestaande voorschriften ingerigt en voldoet aan het beoogde doel om aan den handwerkman gelegenheid te geven, tot het verkrijgen van de voor zijn bedrijf noodige kennis in de teekenkunst. Het getal der leerlingen heeft in den afgelopen winter 333 bedragen, van welke 143 gratis onderwijs hebben genoten.” 23

In 1841 wordt de tekenschool gereorganiseerd. De tot dusver in functie zijnde onderwijzers, Lieven Koole, timmerman en Adriaan Prince, fijnschilder, nemen eervol ontslag. Adriaan behoudt zijn functie als stadstekenmeester. 24 Met hernieuwd elan wordt het tekenonderwijs vervolgd. Nieuwe docenten worden aangetrokken. Er wordt melding gemaakt van onderwijs in Handteekening en Pleisterbeelden door den heer Jakob Korsten. 25 In de rekeningen van de tekenschool zien we terug dat er nieuwe pleisterbeelden worden aangeschaft. Niet door Korsten, maar door stadsbouwmeester Ary van der Velde: “pleisterkoppen, handen en voeten en voorbeelden van Van Bree.” Er wordt een nieuw reglement gemaakt en de tekenschool verhuist naar het Kerkhof.

De jaarlijkse prijsuitreikingen worden nu in de Lutherse kerk gehouden en in de Courant zet een erelijst met opsommingen van namen, prestaties en prijzen dit alles jaar na jaar luister bij. Tevens wordt er verslag gedaan van de vieringen, zoals die van 1842: “De plechtigheid werd begonnen met heerlijke orgelmuzijk, onder directie van den heer P.H. Van der Weijde terwijl feestzangen werden uitgevoerd.” 

Het einde van de stadstekenmeester en de tekenschool

Op 11 april 1859 overlijdt Adriaan Prince. Uit de memorie van Successie 26 blijkt dat hij eigenlijk geen bezittingen had. ‘Ab in testato,’ Prince had geen testament en daarom werden zijn spullen verdeeld onder zijn drie kinderen. Hij heeft “geene roerende of onroerende goederen nagelaten”. Het sterfhuis van Adriaan Prince is Lange Nobelstraat 38. 

Enige dagen later maakt de Zierikzeesche Nieuwsbode in een zinnetje melding van het overlijden: “Overleden, A. Prince, oud ruim 79 jaar, weduwnaar.” 27 Tekenmeester J. Korsten vraagt of hij nu Stadstekenmeester mag worden. Dit verzoek wordt niet gehonoreerd. 28 In 1869 wordt de tekenschool opgeheven. De burgeravondschool neemt het onderwijs over. 

(Tekst loopt door na de afbeelding)

Aantekeningenportret Huib Uil – L. Labeur 2021

Het oog naar boven slaan

Spijtig genoeg zijn we geen nieuw werk van Adriaan Prince tegengekomen. Enige dagen na het interview mailt Huib Uil: “Je hebt diverse berichten uit de Krantenbank geput. Tik nog eens in: ‘Prince’ en het jaartal ‘1832’. Je krijgt dan de Zierikzeesche Courant van 3 februari 1832 met een bericht over de vervaardiging van een avondmaalstel in Zierikzee, bestemd voor de Oostkerk te Middelburg. Het werd vervaardigd naar ‘levensgrote’ tekeningen van de schilder A. Prince. Een mooie uitdaging is om te achterhalen of dat avondmaalservies bewaard is gebleven in Middelburg.”

Er wordt direct een onderzoek gestart en warempel, hoewel niet compleet is het stel bewaard gebleven. Vergelijken we de gravure op het zilver met het verdere bericht uit de krant dan kan het niet anders dan hetzelfde avondmaalszilver zijn: “Als men de gravure naspeurt en de tekeningen welke het geheel op elk stuk aan het oog aanbiedt; dan is het of alles leeft en de Adelaar, het oog naar boven gericht, zich van de aarde losmaakt om reiner streken te bewonen, niet ongelijk aan den christen die met een gelovig gemoed zal aanzitten en uit de stukken het brood etende en den wijn drinkende, zijn oog naar boven slaat, en daar zijne hoop vestigt.”  29

(Tekst loopt door na de afbeelding)

Detail van een gravure op avondmaalszilver van de Oostkerk, ontworpen door Adriaan Prince (1831) – foto: L. Labeur

Waarom werd een Zierikzeese zilversmid en Adriaan Prince ingeschakeld voor de levering? “Schenker Abraham Caland heeft Prince goed gekend want hij zat in het bestuur van de tekenschool. Hij heeft in Zierikzee gewoond en was alhier ingenieur van de waterstaat.”

Zo vinden we opnieuw een gereproduceerd werk van Adriaan Prince, het vierde. Misschien zou Adriaan Prince vandaag een designer zijn geweest. Het beknopte lemma, waar dit artikel mee begon, kan in ieder geval uitgebreid worden. 

(Tekst loopt door na de afbeelding)

Aantekeningenportret Ilja Mosterd – L. Labeur 2021

Dit artikel is een herpublicatie en verscheen eerder in het tijdschrift Zeeland (jrg 2021 nr 3), een kwartaaluitgave van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.

  1. https://encyclopedievanzeeland.nl/Adriaan_Prince, geraadpleegd op 5 juni 2021.
  2. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Nieuwsbode, 20-10-1988, p.4.
  3. ZB Krantenbank Zeeland, PZC, 11-7-1952, p.19.
  4. www.teekenakademiemiddelburg.nl, geraadpleegd op 30 juli 2021.
  5. www.rkd.nl/nl/over-het-rkd/actueel/nieuws/889-een-geheim-vernis-restauratiefotos-van-de-nachtwacht-uit-1911, geraadpleegd op 20-8-2021.
  6. Zeeuws Archief Zierikzee (ZAZ), archief Hervormde Gemeente te Zierikzee, Kerkenraad (toegang 5411), inv.nr.32.
  7. ZAZ, Notariële Archieven Zeeland (toegang 13.1), inv.nr.2412.
  8. ZAZ, archief Ambachtsgilden te Zierikzee (toegang 5218), inv.nr.189.
  9. ZAZ, archief Weeskamer te Zierikzee (toegang 5052), inv.nr.148.2.
  10. Zeeuws Archief Middelburg (ZAM), archief Gewestelijke Besturen van Zeeland (toegang 4), inv.nr.256.
  11. Archief Tholen, Trouwboek NH kerk Scherpenisse, afschrift Hollestelle (toegang GAT_053), inv.nr.DTB_80.
  12. ZAZ, Rechterlijke, Weeskamer en Notariële Archieven Schouwen-Duiveland (toegang 5025), inv.nr.3894.
  13. ZAZ, Notariële Archieven Zeeland (toegang 13.1), inv.nr.2471.
  14. J.A. Baggerman, Een lot uit de loterij. Het wel en wee van een uitgeversfamilie in de achttiende eeuw. 2001, SDU Den Haag.
  15. ZAZ, Notariële Archieven Zeeland (toegang 13.1), inv.nr.2474.
  16. ZAZ, archief Stad en Gemeente Zierikzee (toegang 5022), inv.nr.806.
  17. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Nieuwsbode, 29-9-1820, p.2.
  18. ZAZ, archief Stad en Gemeente Zierikzee (toegang 5022), inv.nr.3385.
  19. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Nieuwsbode, 18-1-1828, p. 1 en 2.
  20. ZAZ, archief Stad en Gemeente Zierikzee (toegang 5022), inv.nr.3406
  21. ZAM, Rechterlijke Archieven Zeeland (toegang 12), inv.nr.120
  22. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Nieuwsbode, 29-1-1930, p.1.
  23. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Courant, 20-7-1838, p.2.
  24. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Nieuwsbode, 24-7-1925, p.1.
  25. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Courant, 8-10-1841, p.2
  26. ZAM, archief Ontvangers der Successierechten (toegang 398), inv.nr.700 (memorienummer 6542).
  27. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Nieuwsbode, 16-4-1859, p.2.
  28. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Courant, 11-5-1859, p.1.
  29. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Courant, 3-2-1832, p.2.

Over de auteur

Liesbeth Labeur (Middelburg, 1975) is kunstenaar en woont en werkt in Middelburg. In haar artistieke praktijk staan Babylonische beeldverwarring en piëtistisch vormgebruik centraal. Dit uit zich enerzijds in tekeningen die een intieme wereld verbeelden en anderzijds in social practice, kunst maken met iedereen, zoals in het uitbundige project All You Can Art van Kunsthal Rotterdam, een beweging waar zij deel van uitmaakt. Labeur volgde haar opleiding autonome kunst aan de AKV St. Joost in Breda, een kunstacademie die ontstaan is vanuit de tekenschool van Breda. Ook maakt ze deel uit van het bestuur van Teeken Akademie Middelburg. www.liesbethlabeur.nl 

Werken in zilver

Leendert Jacobus Leendertse schreef zich bij de oprichting van het Teeken Collegie in als kunstoefenaar. Hij was in dat oprichtingsjaar 1778 vermoedelijk de 20 al gepasseerd en kon zich eigenstandig bewegen. Leendert Hoogkamer en Arnoldus (Aarnout) Wilod (Wilot) waren wat jonger en werden door hun vaders als leerling ingeschreven. Allen zouden zilversmeden worden.

Rond deze tijd kende Middelburg maar liefst 50 in het gilde opgenomen goud- en zilversmeden. In 1807 waren dat er nog 28. Vervolgens veranderde het vak in de loop van de negentiende eeuw door de economische omstandigheden in Middelburg dusdanig, dat zelden nog sprake was van echt smeedwerk. Reparaties en verkoop van elders gemaakte juwelen vormden het hoofdwerk. Een enkele edelsmid specialiseerde zich op sierraden voor de streekdrachten. 

De makers van zilveren voorwerpen werden vanaf 1502 verplicht hun werk met een uniek stempel herkenbaar te maken. Daarna werd het werk ter keuring aangeboden. De keurmerken en een stadswapen die er ingeslagen zijn, vertellen iets over de kwaliteit van het zilver en de geografische herkomst. Vanwege de prijs van de grondstoffen, zullen goud- en zilversmeden tot de beter gesitueerde handwerkslieden hebben behoord. 

Leendert Jacobus Leendertse was in 1769 een leerjongen, wat iemand rond zijn elfde verjaardag kon worden. Zijn leermeester was Johannes D’Hoy, een zilversmid waar behoorlijk wat werk van is overgeleverd, onder weer Avondmaalsvaatwerk. Dit duidt op een zeker vakmanschap, waar Leendertse in zijn opleiding van geprofiteerd zal hebben. Op 21 maart 1787 toen hij tegen de 30 moet hebben gelopen, werd hij in het gilde opgenomen. Behalve een aantal kleinere gebruiksvoorwerpen en twee Avondmaalschotels is een bijzondere tabaksdoos van zijn hand bekend, die zich in het Zeeuws Museum bevindt. Een humidor -meestal een pot om de tabak op de juiste vochtigheidsgraad te houden- in de vorm van gestapelde boeken. In dit geval een logische vorm, want de ontvanger van dit geschenk in 1793 was de bekende boekverkoper Pieter Gillissen, sinds 50 jaar opgenomen in het Middelburgse boekdrukkers-, binders- en verkopersgilde, die het stuk bij Leendertse liet maken. 

Zilveren tabaksdoos in boekvorm, Leendert Jacobus Leendertsen – Zeeuws Museum, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed AB1724

Leendert Hoogkamer leerde het vak van zijn vader Willem. Op 20 oktober 1783 werd hij als meester toegelaten. Van hem is geen werk overgeleverd, mogelijk ook omdat hij in 1797 vrij jong stierf. Van Arnoldus Wilod is meer bekend. Hij stierf 18 juni 1842 in zijn ‘79e levensjaar’ volgens de advertentie die zijn weduwe Catharina Susanna Menschaar in de Middelburgsche Courant plaatste. Plaats van overlijden was Oud Vossemeer, waar hij sinds 1827 rentenierde na 40 jaar in het goud- en zilversmedengilde opgenomen te zijn geweest. Hij was net als Leendertse op 21 maart 1787 toegelaten. Hun twee dochters waren met predikanten getrouwd: de oudste dochter met Jacobus Versprille, de jongste met Cornelis Giltaij. Beide dominees stonden in de buurt van Oud Vossemeer op de kansel. Van Wilod zijn prachtstukken bekend. Tot de stadhuiscollectie behoort het inktstel in Lodewijk XVI-stijl dat voorzien is van het jaarstempel 1801.

Zilveren inktstel met kandelaar, Lodewijk XVI, de deksels voorzien van parelrand. Meesterteken Arnoldus Wilot, Middelburg – Zeeuws Archief, Stadhuiscollectie Middelburg, nr 163

In 1980 ontving het Zeeuws Genootschap van een anonieme schenker een zilveren koelvat gedateerd 1802. Het stuk werd in 1806 geschonken aan Pieter Ackermans (1747-1817), directeur van de Wisselbank. Behalve dat zijn moeder Maria Bomme een zuster van de eerste secretaris van de Teeken Akademie Leendert Bomme was, was hij van de zelfde instelling penningmeester. Middelburg was ook toen zo groot niet.

Wijnkoelvat van zilver geschonken aan Pieter Akkermans, Arnoldus Wilot – Zeeuws Museum, KZGW G99-029

Arnold Wiggers

De Houten Gevel uit de Langedelft

Zal Lieven Wouter Agelink begrepen hebben dat Langedelft B 125 (ongeveer tegenover de ingang van de Heerenstraat) in 1816 een bijzonder pand was? Het huis met het beeldje van Petrus tussen de bovenramen had toen als een van de laatste panden in Middelburg een middeleeuwse houten voorgevel. Lieven Wouter was zoals zijn vader Jan Agelink maljenier, wat inhield dat zij kleine ijzerwaren verkochten. Lieven Wouter liet een tekening van de gevel maken met wat bedrijvigheid ervoor en droeg het werk op aan zijn vrouw Adriana Elisabeth Bogaart. De datering is 17 januari 1816. Toevallig? In juni zou ze bevallen van hun eerste kind. 

De tekenaar was Jacob Beverland (1775-1864), die in 1807 door de Teeken Akademie werd bedeeld met een prijs als primus van de eerste klas naar prent. Zijn leven lang bleef hij te boek staan als metselaar, dus gezien zijn leeftijd zal hij dat beroep toen al wel onder de knie hebben gehad. Niet dat hij zich niet verder ontwikkelde: in 1816 en 1817 werd hij op de Teeken Akademie onderscheiden als beste leerling in de bouwkunde. 

De houten gevel aan de Lange Delft te Middelburg B 125 (nu 79), in 1888 geplaatst aan de zijmuur van het voormalige museum van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen aan Achter het Hofplein, hersteld door Cornelis Levinus van Sorge (1817-1893) getekend door Jacob Beverland (1775-1864) in 1816 – Zeeuws Archief, KZGW ZI II 716

De maljenierszaak van Agelink zou voortgezet worden door Antoni van den Broecke, eerst nog een jaar onder de naam Agelink en Van den Broecke, maar vanaf 1831 onder eigen naam. Wat hun onderlinge betrekking was, is onduidelijk. Van den Broeckes dochter trouwde met de koopman (hij wordt ook ijzerhandelaar genoemd) Leendert van Benthem Jutting, die na de dood van zijn schoonvader in 1870 het pand achter de houten gevel vooral voor opslag gebruikte.

Ook in Zeeland besefte men rond 1860 dat er toch wel erg veel werd afgebroken. Een commissie die ijverde voor behoud van oude gebouwen werd ingesteld om hier wat tegengas te geven. Teeken Akademie leerling Jan Frederik Schütz (1817-1888) maakte in 1863 een tekening van de inmiddels wat treurige gevel zo zonder top. Ondertussen was het wel de laatste houten voorgevel in de stad. De commissie wist in 1875 de gemeenteraad zover te krijgen dat de eigenaar een subsidie ontving voor het herstel ervan. De eerste restauratie in Middelburg was een feit. Het resultaat werd vastgelegd door weer een oud-leerling van de academie en latere tekenmeester aan de Burgeravondschool Cornelis Levinus van Sorge (1817-1893). Hoewel er goed werk geleverd werd, waren enkele ingrepen achteraf gezien minder gelukkig, zoals de kleur ossenbloedrood, die de gevel nooit gehad had. 

De houten gevel aan de Lange Delft te Middelburg B 125 (nu 79), in 1888 geplaatst aan de zijmuur van het voormalige museum van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen aan Achter het Hofplein, hersteld door Cornelis Levinus van Sorge (1817-1893) getekend door Jan Frederik Schütz (1817-1888) in 1863 – Zeeuws Archief, KZGW ZI II 717

Als Van Benthem Jutting in 1887 komt te overlijden en de vraag naar winkelpanden in de Langedelft groter wordt, besluit zijn weduwe Pieternella Johanna van Benthem Jutting-van den Broecke de gevel te vervangen voor iets moderners dat als winkel dienst kan doen. De gevel schenkt ze aan het Zeeuws Genootschap, mits deze de verplaatsing betaalt. Die monteert de gevel aan de zijkant van zijn zojuist verworven pand aan de Wagenaarstraat. Ondanks vandalisme, een discutabel plan tot herplaatsing en dankzij een restauratie in 1990 en 2015 is de laatste Middelburgse houten gevel aan Achter het Hofplein nog steeds te zien. Iets, dat in ieder geval niet zo geweest zou zijn als hij in de Langedelft was blijven staan…

Arnold Wiggers

De houten gevel aan de Lange Delft te Middelburg B 125 (nu 79), in 1888 geplaatst aan de zijmuur van het voormalige museum van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen aan Achter het Hofplein, hersteld door Cornelis Levinus van Sorge (1817-1893) van wie ook de tekening uit 1875 is – Zeeuws Archief, KZGW ZI II 718

Zie ook: J.H. Kluiver, De middeleeuwse houten gevel Wagenaarstraat 1 te Middelburg. Geschiedenis en restauraties. In: Archief. Mededelingen van het KZGW, 1992, p. 33-55