Kunsten en Wetenschappen in Middelburg in 1867

Zegewagen 75 Kunsten en wetenschappen uit de Allegorische Optocht, gehouden te Middelburg den 9n Juli 1867, ter gelegenheid van de start van de spoorweg- en kanaalwerken op Walcheren. Albuminedruk 90 x 50 mm (carte-de-visite). J. W. Gerstenhauer Zimmerman, 1867 – Zeeuws Archief Verzameling Beeld en Geluid, inv. nr. 380-381 nr. 31

Beetje donker die foto die J.W. Gerstenhauer Zimmerman gemaakt heeft van de praal- of zegewagen nr. 75 uit de allegorische optocht ter gelegenheid van de spoor- en kanaalwerken op 9 juli 1867. Wat was er eigenlijk te zien op de ‘Zegewagen Kunsten en Wetenschappen’? Volgens de Feestwijzer waren er voorwerpen van kunst en wetenschappen aanwezig en verder veel symboliek.

‘Op de stralen zijn de namen van Nederland’s vermaarde mannen als die van de dichters Vondel en Tollens, van den beroemden geneeskundige Boerhaave, van den bouwmeester van Campen, van de kunstschilders Rembrandt en Koekkoek, van den waterbouwkundige Leeghwater, van den godgeleerde Desiderius Erasmus, van den ingenieur Schraver en van den beroemden acteur Andries Snoek’. 

Om met de laatste te beginnen: podiumkunstenaars, zeker als ze rond 1800 hun glorietijd hadden, zijn wel uit het collectieve geheugen gevallen. De combinatie Rembrandt – Koekkoek is er een uit verschillende divisies: B.C. Koekkoek, Middelburger, is veruit de beroemdste leerling van de Teeken Akademie, maar op gelijke hoogte? 

Waterstaatsingenieur Andries Schraver was ook een Zeeuw, maar een Schraverstraat heb ik niet kunnen vinden. En waar is Cats? Hij werd in de negentiende eeuw nog herdrukt! 

Detail titelpagina van de ‘Feestwijzer voor de viering van den aanvang der spoorweg en kanaalwerken op het eilande Walchere, te Middelburg op den 9 en 10 juli 1867’ – Altorffer, J.C. & W Middelburg, 1867

De Feestwijzer gaat over op de Middelburgse verenigingen.

‘De pijlers dragen schilden, waarop de namen van instellingen ter dezer stede als: Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, Natuurkundig Gezelschap, Middelburgsche afdeeling der maatschappij V.W. en het muziekgezelschap ‘Uit Kunstliefde.’ De draperieën zijn beschilderd met de symbolen van kunst en wetenschap; in het midden een schild met het opschrift ‘Toonkunst’, en aan de andere zijde een schild met het opschrift ‘Muziekgezelschap Uit kunstliefde’, terwijl aan het begin van den wagen een schild met de opschriften ‘Teeken-akademie en Industrieschool’ en aan de keerzijde ‘Tot oefening en uitspanning’ en ‘Koraalvereeniging’.

De Teeken Akademie en de wetenschappelijke clubs bestaan nog, net als de de zangvereniging Tot Oefening en Uitspanning uit 1834, die inmiddels net als het Genootschap Koninklijk is. Al vroeg was er een verband met de landelijke Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst (1829) die in Middelburg een afdeling had. De Koraalvereeniging was een initiatief uit 1864 van Toonkunst en wilde het koraalgezang dwars door alle kerkgenootschappen bevorderen, inclusief de israëlitische gemeente. De landelijke MBT bestaat nog, maar de Koraalvereeniging lijkt in de verzuiling ten onder gegaan. De orkestvereniging Uit Kunstliefde stamde uit 1826 en concerteerde vanaf 1839 in de concertzaal aan de Groenmarkt (Abdij). Met het overlijden van de stadsmuziekmeester Willem Remigius Ceulen (1806-1868) die de leiding had, verliep de vereniging. 

Blijft nog de Maatschappij V.W. Rond deze vereniging hing veel geheimzinnigheid, zoals ook rond de vrijmetselaarloges. Opgericht in 1806 in Amsterdam, kwam er in 1818 een Middelburgse afdeling die waarschijnlijk met de moederinstelling rond 1902 of al eerder werd opgeheven. De latere naam Kunst en Wetenschap bevorderende Maatschappij V.W. onder de zinspreuk Vooruitgang door Wetenschap geeft wel enig inzicht in de bedoelingen, al liet men de wetenschappen graag aan het Genootschap over. In Middelburg waren vooral middenstanders lid, die hier hun eigen service-club met een cultureel randje hadden, nota bene gedurende lange tijd in de bovenzaal van Sociëteit De Vergenoeging aan de Grote Markt, ook zo’n trefpunt voor het o zo gelaagde Middelburg.

Arnold Wiggers

uit de ‘Feestwijzer voor de viering van den aanvang der spoorweg en kanaalwerken op het eilande Walchere, te Middelburg op den 9 en 10 juli 1867’ – Altorffer, J.C. & W Middelburg, 1867

De ‘trein’ van 9 juli 1867 door Gerstenhauer Zimmerman

De komst van de spoorlijn naar Vlissingen en de daarbij horende kanaalwerken (Kanaal door Walcheren) bracht in 1867 een boel opwinding in de Zeeuwse hoofdstad. Eindelijk, hoopte men, zou de welvaart terugkeren! De verwachtingen waren hoog gespannen. De Vereeniging tot het regelen en bevorderen van volksvermaken organiseerde een allegorische optocht om het glorierijke verleden en de ongetwijfeld zonnige toekomst te symboliseren. Een twaalftal versierde wagens met zinnebeeldige voorstellingen (en de nodige reclame) trok, afgewisseld met ruiters, vaandels en enkele open rijtuigen met iedereen die belangrijk was, door de stad. Jan Wendel Gerstenhauer Zimmerman (1816-1887) heeft er een fraaie tekening van gemaakt, die in kleur -steendruk- te verkrijgen was als uitslaande plaat in een uitgave van Altorffer. Een uitsnede staat in ‘Om prijs en plaats’ p. 131, waar het onderschrift blijkbaar weggevallen is. 

Allegorische Optocht, gehouden te Middelburg den 9n Juli 1867, ter gelegenheid van de start van de spoorweg- en kanaalwerken op Walcheren. Ingekleurd, steendruk van J. W. Gerstenhauer Zimmerman, 1867 – Zeeuws Archief, HTAM H-6

Gerstenhauer Zimmerman was op uitnodiging van de Teeken Akademie naar Middelburg gekomen om (portet)schilder- en tekenlessen aan huis te geven. Blijkbaar was er met het vertrek uit Middelburg van de gebroeders Pouwelsen een voelbaar gebrek aan docerende schilders ontstaan. De Teeken Akademie zelf voorzag immers niet in schildercursussen. December 1861 vestigde hij zich aan de Kinderdijk. Zijn benoeming aan de Teeken Akademie volgde in 1862, waar hij als opvolger van Jacobus Pelgrom tekenen naar pleister doceerde. Daarnaast bleef hij thuis tekenlessen verzorgen, voor jongemannen en jongejuffrouwen afzonderlijk -uiteraard-, zo adverteerde hij.

Middelburgsche Courant, 10 december 1861, pg. 3 – Krantenbank Zeeland

Een aantal getekende portretten en tekeningen van gebouwen van zijn hand werden via steendruk vermenigvuldigd, waardoor hij ook als lithograaf bekend staat. Vanaf 1865 begon hij professioneel te fotograferen, want in maart van dat jaar opende hij een portretfotoatelier, zo liet hij in de Middelburgsche Courant weten. Bij zijn verhuizing naar de Seisdam in 1868 waarschuwde hij zijn clientèle dat hij de clichés uit 1866 en 1867 ging opruimen, dus men kon zijn slag slaan voor een laatste afdruk. Voor de negatieven valt het ergste vrezen … In dat eerste jaar volgde ook zijn benoeming als tekenleraar aan de nieuwe Burgeravondschool, de opvolger van de Teeken Akademie. Met zijn camera heeft Gerstenhauer Zimmerman op Walcheren vele, nu verdwenen gebouwen vastgelegd. Ook tijdens de optocht op 9 juli 1867 heeft hij gefotografeerd. Vermoedelijk heeft hij alle 12 ‘zegewagens’ op de foto gezet. Van 8 resteren in het Zeeuws archief nog exemplaren. Gezien de steendruk van de optocht zou hij deze vast graag dynamischer hebben willen vastleggen als dat technisch gekund had. Nu moest hij voor beweging en overzicht teruggrijpen op het aloude, maar fascinerende tekenen. Na in 1870 naar de hoek Koepoortstraat-Zuidsingel verhuisd te zijn, trok hij in 1871 verder naar Rotterdam waar hij zijn atelier voortzette. Zou hij voorvoelt hebben dat de infrastructurele werken op Walcheren toch niet dat succes zouden worden wat men ervan gehoopt had?

Tekst Arnold Wiggers, beeldonderzoek Arnold Wiggers en Liesbeth Labeur

Een fotografisch zelfportret van J. W. Gerstenhauer Zimmerman staat in:
Adri Verburg en Josephine van Bennekom, In Zeeuws licht gevangen. Fotografie in Middelburg 1842-1870 (Middelburg 1994) p. 53

Zegewagen 75 Kunsten en wetenschappen uit de Allegorische Optocht, gehouden te Middelburg den 9n Juli 1867, ter gelegenheid van de start van de spoorweg- en kanaalwerken op Walcheren. Albuminedruk 90 x 50 mm (carte-de-visite). J. W. Gerstenhauer Zimmerman, 1867 – Zeeuws Archief Verzameling Beeld en Geluid, inv. nr. 380-381 nr. 31, geraadpleegd dd. 6 aug. 2021
Concordans tussen nummers van de ‘Zegewagens’ in Feestwijzer voor de viering van den aanvang der spoorweg en kanaalwerken op het eiland Walcheren, te Middelburg op den 9 en 10 juli 1867, z.p., z.j., (nummers ook vermeld in: G.N. de Stoppelaar, De Zeeuwsche spoorwegfeesten, Middelburg 1867. In beide werken ook een korte beschrijving van alle elementen van de allegorische optocht) en de foto’s van J.W. Gerstenauer Zimmerman (ZA Verzameling Beeld en Geluid, inv. nr. 380-381). Vergelijk ook de steendruk van Gerstenhauer Zimmerman, aanwezig in ZA, Historisch Topografische Atlas Middelburg H6, geraadpleegd dd. 6 aug. 2021
Zegewagen 26 Zeevaart MCC uit de Allegorische Optocht, gehouden te Middelburg den 9n Juli 1867, ter gelegenheid van de start van de spoorweg- en kanaalwerken op Walcheren. Albuminedruk 90 x 50 mm (carte-de-visite). J. W. Gerstenhauer Zimmerman, 1867 – Zeeuws Archief Verzameling Beeld en Geluid, inv. nr. 380-381 nr. 24

Een journalist vraagt zich af

Kunstmuseum in Schuttershofstraat 1887, vervaardiger onbekend – Beeldbank Zeeland

‘Nu door het nieuwe schilderijen-museum in het Schuttershof zoowel als door de oprichting der Kunstclub (waarvan Schütz een der ijverigste leden was) meerder opgewekt leven op dit gebied der kunst zich gaat openbaren, zou de vraag overweging verdienen, of de fondsen der zoogenaamde Teeken-academie, dat hoofd zonder romp, niet praktischer zijn te gebruiken dan door ze jaar in jaar uit te laten vermeerderen. En dan: hoe moet ’t gaan, wanneer eenmaal niet meer eenige welwillende en nauwgezette heeren zich aanbieden om de zaken der schijndoode waar te neemen?’

Hier spreekt de journalist W.N.F. Sibmacher Zijnen (1859-1926), Middelburger van geboorte, in een noot in zijn necrologie van Jan Frederik Schütz (1817-1888) in de Middelburgsche Courant. Schütz behoorde tot een van de bekendste leerlingen van de Teeken Akademie en Sibmacher Zijnen meende dat hij de lezers in 1888 -ruim 20 jaar nadat het onderwijsgeven gestaakt was- nog eens moest uitleggen in een soort terzijde in het artikel wat dat ook alweer was: Teeken Akademie. Dat doet hij verdienstelijk. Helemaal nauwkeurig is hij overigens niet, want hij laat de Teeken Akademie van de Stads-Waag op de Balans meteen naar de St. Pieterstraat verhuizen, waartussen toch echt de periode in het Museum Medioburgensis in de Latijnse Schoolstraat (1787-1840) zat. 

De vraag wat de Teeken Akademie zou kunnen doen, nu het geen onderwijs meer verzorgde, werd niet voor het laatst gesteld. Wat hebben de dirigerende leden niet al voor initiatieven ontplooid sindsdien? Beurzen, kunstprijzen, projecten voor scholen, een prachtig boek en nu de Stadstekenaars. Het kapitaal heeft niet voor niets gerendeerd!

Middelburgs Kunstmuseum gezien richting Schuttershofstraat, T. Kannegieter, 1964 – Beeldbank Zeeland

Met het Kunstmuseum in het Schuttershof is het vanaf het begin in 1888 tot de opheffing in 1961 hangen en wurgen gebleven. Het begon al met het gebouw, waarvan het lekkende glazen dak steeds weer problemen gaf. De organisatie liet ook te wensen over: de openstelling was minimaal en in de zalen vonden ook andere activiteiten plaats, die het nodige ongewenste gesjouw met de stukken met zich meebracht. Doorslaggevend in de mislukking was de programmering: het ontbrak aan spraakmakende kunst in eigen bezit en wisseltentoonstellingen. Het schilderijenbezit van de Teeken Akademie werd er in 1902 maar weggehaald en verkocht. Dat laatste was wellicht niet het meest doordachte. De ‘Kunstclub’ in het artikel heette officieel de Kunstvereeniging, waarover verder weinig bekend is, wat te denken geeft. Nee, dan die ‘welwillende en nauwgezette heeren’: die bleven zich aanbieden en met Inge Garschagen in 1980 kwam ook de eerste vrouw in het bestuur. Schijndood? Op naar de 250.

Arnold Wiggers

De portefeuille in het hart

Om prijs en plaats’ De Middelburgse Teeken Akademie 1778-2003 (Middelburg 2004) heeft in het hart de voor- en achterkant van een portefeuille, uitgereikt op 24 juli 1844. In het Zeeuws Archief wordt in de Verzameling Noordhoek-Lievense een map met tekeningen van Johannes Jacobus Lievense en mogelijk zijn zoon Cornelids bewaard. In het boek lijken map en inhoud een eenheid, maar is dat ook zo? Twijfelachtig, want Lievense komt in 1844 niet voor tussen de opsomming van prijswinnaars in de Middelburgsche Courant. Hoe zit dit? 

Wie was Johannes Jacobus Lievense? Geboren in 1806 in Middelburg als zoon van de apothekersassistent Evert Lievense en Margrieta van den Broeke kreeg hij in 1826, 1827 en 1828 de eerste prijs naar prent in de derde, tweede en eerste klas van de Teeken Akademie. Het jaar daarop ronde hij opnieuw met een eerste prijs in de eerste klas naar pleister zijn basisopleiding af. Er volgde nog een prijs voor ‘doorzigtkunde’ in 1832 en in 1836 een prijs voor een oefening naar een spierman. Hij was toen al getrouwd met Susanna Vlieger uit Vrouwenpolder. In de trouwacte heette hij schilder van beroep. Naast het werk in de portefeuille is er niet veel werk van hem bekend. Zo af en toe duiken er typisch negentiende-eeuwse verdienstelijke schilderstukjes op.

Uit zijn tweede huwelijk met Maria Frederika van de Woestijne kwamen onder anderen Cornelis en Johanna Marghrieta voort. Cornelis werd onderwijzer en huwde Louisa Sanders, de dochter van de burgemeester van Heille, in Sluis. Hij was daar hoofd van een bijzondere school en kon ook goed tekenen. Mogelijk zit er ook werk van hem in de map. Ook Johanna Marghrieta zocht het hogerop. Zij huwde Nicolaas Johannes Bastmeijer, tussen 1870 en 1920 hoofdonderwijzer te Bruinisse. Zijn naam staat op een etiket in de map die op het archief wordt bewaard. Een dochter uit het gezin trouwde met J.C. Noordhoek, waardoor de lijn Lievense-Noordhoek duidelijk is. 

Aanschouwing van de map in het archief maakt in een oogopslag duidelijk dat de samenstellers van het boek uit 2004 een Teeken Akademie portefeuille met een representatieve inhoud van een gewone negentiende-eeuwse kunstmap hebben gecombineerd. Het hart van het jubileumboek bestaat uit de voor- en achterkant met de mooie binnenkanten van de portefeuille van Hendrik Pieter Dormaar, waartussen de tekeningen van Lievense zijn geplaatst. Vooruit, voor een feestuitgave mag het. Je moet ook niet alles geloven wat gedrukt of gedigitaliseerd is …

Arnold Wiggers

Voorzijde portefeuille Johannes Jacobus Lievense 1844 – Teeken akademie Middelburg
Knielende man met vaas, tekening naar prent, in zwart krijt, 33 x 42 cm, Johannes Jacobus Lievense, 1830 – Zeeuws Archief, verzameling Noordhoek-Lievense
Voorzijde portefeuille Hendrik Pieter Dormaar 1844 – Teeken akademie Middelburg zoals gebruikt in het boek ‘Om prijs en plaats’

Een grote portefeuille voor een klein prijsje

De jaarlijkse vergaderingen van de Teeken Akademie met de prijsuitdelingen en de exposities waren belangrijke momenten in het openbare Middelburgse leven. Uiteraard was de stad als een van de subsidiënten vertegenwoordigd door een of meerdere heren van stand. Die vonden in de vergaderzaal onder de dirigerende leden -het bestuur- nogal eens standsgenoten. Als de vergadering aanstaande was, werd dit enkele keren in de kolommen van de Middelburgsche Courant gemeld, met als sluitstuk een verslag van de bijeenkomst en de namen van de prijswinnaars, van hoog naar laag.

Er was immers een door de koning beschikbaar gestelde grote en een kleine medaille te winnen, naast nog wat aanmoedigingsprijzen uit het fonds nagelaten door Daniel Steven Schorer. Dit alles naast de boeken die de Akademie zelf verdeelde. Magere en vette jaren zullen zich afgewisseld hebben, wat zich vertaalde in duurdere en minder dure boeken. In het begin werden de hoogste prijzen ook nog in extra luxe banden gebonden, na 1800 trad er een versobering qua materiaalkeuze op. 

Het kon altijd nog iets goedkoper. Tussen 1842 en 1845 zijn er minstens vijf portefeuilles uitgedeeld als prijzen. Van drie van deze prijzen weten we dat ze zijn uitgedeeld als prijs in de laagste klassen naar prent: de beginnende jongens op school. Op zichzelf best indrukwekkende mappen waar de leerlingen hun tekeningen goed en handig in konden vervoeren en bewaren. Mooie zijden linten, het bekende Vernuft en Vlijt-medaillon in leer op de voorkant en een pendant met de datum op de rug. Leer kwam er verder niet aan te pas: de kartonnen mappen werden beplakt met gemarmerd papier, waarin bruin de hoofdkleur is. Bij opening was daar de bekende geschreven opdracht en overheerste blauw marmerpapier. 

Hendrik Pieter Dormaar (1826-1893) kreeg 24 juli 1844 zo’n map als ereprijs in het tekenen in de vierde klasse naar prent. Hij zal hem zijn leven lang bewaard hebben, want nu nog, terwijl hij in de kluis van ZB|Bibliotheek van Zeeland ligt, bevat de portefeuille officiële stukken van Dormaar, doch geen tekeningen. Wellicht heeft hij na de Teeken Akademie niet zo veel meer getekend. In zijn werkzame leven was hij net als zijn vader passementwerker, wat vermoedelijk betekende dat hij uniformen en andere kostuums vervaardigde met veel tressen, kwasten en ander frutselwerk voor hoogwaardigheidsbekleders. Een jaar later was er weer een map voor Hendrik Pieter als ereprijs naar prent in de derde klasse, die de tand des tijds goed heeft doorstaan en ook in de ZB is. Al in 1842 had hij een prijs gewonnen als de beste in de vijfde klasse bouwkunde. In de opsomming in de krant was hij hekkensluiter. Het is onbekend waaruit de prijs bestond, maar de winnaar uit de vijfde klasse naar prent, Hendrik van Nederveen, ontving … een portefeuille. 

Arnold Wiggers

Voorzijde portefeuille Hendrik Pieter Dormaar 1844 – Teeken akademie Middelburg
Oor naar prent, een tekening van Hendrik van Nederveen, 1845 – Teeken Akademie Middelburg
Geschreven opdracht binnenzijde portefeuille Hendrik van Nederveen, 1845 – Teeken Akademie Middelburg

Stadstimmerman

Stadstimmerman Middelburg, een beeld van Peter de Jong uit 1955 – L. Labeur

Een stadsdichter heeft Middelburg al jaren en wie weet binnenkort ook stadstekenaars. De Teeken Akademie is op zoek naar een stadstekenklas en gaat later dit jaar aan de slag om in 2022 stadstekenaars aan te stellen. Al veel langer, namelijk sinds 1955, heeft Middelburg een stadstimmerman. Een beeld van Peter de Jong (1920-1990) siert sinds dat jaar de brug in de Vlissingse straat. Het was een opdracht van de gemeente en is hier geplaatst omdat de stads timmerschuur zich hier bevond. De Jong was nauw betrokken bij de restauratie van onder meer de beelden op het stadhuis en was zodoende zelf toch ook een soort stadstimmerman. Middelburg had al in de zestiende eeuw een stadstimmerman, die met een aantal gezellen de bezittingen van de stad onderhield. 

Foto van de stadstimmerman in wording uit het boek ‘Ik ben een stenenbikker’. Peter de Jong (1920-1990), beeldhouwer (Vlissingen 2010) door Jan J.B. Kuipers – L. Labeur

In de opsomming in de Middelburgsche Naamwyzer van bijvoorbeeld 1848 van gemeente bedienden -zo werden ze genoemd- vinden we wel functies als bierdragers, erfscheiders, lijkdienaars en nachtwakers, maar geen timmerlieden. Er was wel een stadsarchitect. Dat was in dat jaar Gerardus Hendrik Grauss (1807-1862), die opgeleid was aan de Teeken Akademie en met zijn broer de behangselschilder Johan Jacob Frederik (ca. 1806-1882) er ook lesgaf.

In de stad zijn de Bellink- en de Spijkerbrug van de hand van Grauss. De verbouwingen die hij eerst in en daarna ook aan de buitenzijde van de Nieuwe Kerk aan de Groenmarkt ontwierp, waren nogal drastisch. Weliswaar maakte hij de gevel die door de eeuwen heen steeds verder ingebouwd was weer vrij zichtbaar, maar de omlijsting en de pinakels konden latere deskundigen niet bekoren. De grote pleiter voor monumentenzorg Victor de Stuers vond het een lachwekkende koekebakkersstijl en bij de restauratie aan het eind van de negentiende eeuw werd het weer verwijderd. 

Dan lijkt de stadtimmerman het beter getroffen te hebben. Het eerste beeld van De Jong in Middelburg viel nogal in de smaak en er volgden er nog vele die her in der in de stad geplaatst zijn. Sommige zijn wel eens van plek veranderd, zoals het Paaseilandbeeld dat onlangs in het Molenwaterpark een nieuwe plek vond. 

Arnold Wiggers

Gezigt op de Nieuwe Kerk te Middelburg, prent J. F. Schütz, 1850 – Zeeuws Archief, KZGW ZI II 553
De voorgevel van de Nieuwe Kerk aan de Groenmarkt te Middelburg, met aangrenzende panden, vóór de wijziging, steendruk J. Tuyter, 1848 – Zeeuws Archief, KZGW ZI II 550

Was Marinus Fagel de eigenaar?

Titelpagina uit 1740 van ‘Het Groot Schilderboek’ van Gerard de Lairesse

Zo af en toe verschijnt er een prijsband van de Teeken Akademie op een veiling. Op woensdag 23 juni was dat ook het geval. De inhoud was de tweede druk uit 1740 van Gerard de Lairesse’s Groot Schilderboek, een titel die vaker werd gegeven. Helaas is de opdracht niet meer aanwezig, zodat we niet met zekerheid weten wie de band op 3 september 1834 in ontvangst mocht nemen. Was het een nieuwe eigenaar die niet wilde dat de oude in het boek werd genoemd of de familie die het boek op de markt bracht en zich er voor schaamde en daarom de opdracht er uitknipte? Gelukkig had de academie de gewoonte op het achterplat de datum van de uitreiking te vermelden, zodat we zonder archief -verbrand in 1940- toch een aanwijzing hebben. In de Middelburgsche Courant werden de prijswinnaars elk jaar vermeld. Omdat leerlingen die eerder dit werk als prijs ontvingen zonder uitzondering aan het eind van hun opleiding zaten, lijkt de meest voor de hand liggende kandidaat Marinus Fagel. Hij was in dat jaar de beste tekenaar in de tweede klas naar pleister. Eerder, in 1829 en 1832, was hij ook al met prijzen vereerd.

Marinus Fagel werd op 15 maart 1814 in de Korte Noordstraat in wijk L op nummer 76 (nu de fietszaak van Rens Petiet) geboren. Zijn vader Gerardus en moeder Dina Eijbaard hadden op dat adres een tabakswinkel, die langzamerhand eerder een slijterij werd, gezien de advertenties voor wijnen, rum en siroop de pons (punch). Na zijn prijs in 1834 vernemen we niets meer over Marinus in Middelburg. De eerste keer dat we hem tegenkomen, is in Dordrecht, waar hij als schrijnwerker (meubelmaker) actief was. De dan veertigjarige Marinus stapte op 24 januari 1855 met de achtendertigjarige Francina Versluijs (1816-1885) in het huwelijksbootje. Bij dit huwelijk werd ook de in 1841 geboren Johannes Versluijs door Marinus erkend en gewettigd. Na enige tijd In Dordrecht vertrok het gezin na de geboorte van dochter Gerardine in 1858 naar Rotterdam. Het overlijden van Marinus in 1900 staat in Den Haag geregistreerd, waar toen ook zijn enige dochter woonde. 

Helaas is geen enkele tekening of ander werk van de hand van Marinus Fagel bekend. En de prijsband? Afgehamerd op € 430 (met kosten € 550) komt hij niet in mijn boekenkast…

Arnold Wiggers

Sigarenzakje van papier liggend bedrukt in zwarte inkt reclametekst “J. BREEDVELD TABAKSFABRIEK HET WAPEN VAN ZEELAND HANDEL IN GEDISTILLEERD KORTE NOORDSTRAAT L 75-76 MIDDELBURG” en onderlangs “LITH. FADDEGON & CO. AMST.”, de onderhelft liggend bedrukt twee woningen onder een rechte lijst met links een drankenwinkel en rechts een tabakswinkel (N.B. Rechts is 75, links 76) – pipemuseum.nl

Veelbelovend: de fijnschilder J.B.H. Ham

Oprechte Haarlemse courant, 28 april 1801 – delpher.nl

De Krantenbank Zeeland blijft een genoegen om door te lopen, al was het maar om te zien wat de mensen zoal bezighield. Of niet, want wie zou nou ‘oh ja’ gezegd hebben, toen de redacteur van dienst van de PZC op 2 april 1952 meldde: ‘Vandaag is het 150 jaar geleden, dat de Middelburgse genreschilder Jean Baptiste Ham op jeugdige leeftijd in zijn geboortestad overleed’?

Jean (Jan, Joannes) Baptist (Baptista) Hendrik (Henricus) Ham werd op 1 mei 1769 in Middelburg geboren in het gezin van Herman Bernard Ham uit Brabant en Petronella Gybels uit Antwerpen. De gegevens over het gezin zijn uiterst schaars, mogelijk ook omdat ze katholiek waren, maar van meer kinderen lijkt geen sprake.

Jan Baptist had talent voor tekenen en zal de Teeken Akademie bezocht hebben, althans de krant weet te melden dat hij verschillende prijzen gewonnen heeft, wat door het ontbreken van bronnen en kranten in deze periode moeilijk te controleren valt. In elk geval was hij in 1790 primus in de klas naar model, wat betekende dat hij toen al als volleerd werd beschouwd. Of dit een gouden medaille opleverde, zoals de PZC schrijft, valt te bezien. Frederik Nagtglas schreef in zijn Levensberichten dat de jonge kunstenaar vervolgens naar Luik vertrok en daar bij een kunstenaar Le Franc werkte.

Op 21 januari 1792 was hij weer in Middelburg en trouwde daar Cornelia van Pelt uit Roosendaal. In haar parochie deden ze dat op 14 februari nog eens voor de kerk. In november het jaar daaropvolgend kocht hij een huis in de Lange Delft. Ondertussen had hij zich tot een portret- en fijnschilder ontwikkeld, waar slechts weinig van bekend is. Zijn bestemming zou toch vooral elders liggen. Na de komst van de Fransen in 1795 wijdde hij tot aan zijn dood in 1801 zijn tijd vooral aan de nieuwe politiek onder het motto Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap. Hij was agent tot zuivering van de Grondvergaderingen, ontvanger van de (extra)belastingen, betrokken bij de burgerbewapening en kiezer. Kortom, een sterk geloof in een nieuw staatsbestel, zoals dat meer en vurig leefde bij de emanciperende (katholieke) middenstand. 

En dan is het 22 april 1801. Petronella adverteerde in de Middelburgsche Courant (en de Oprechte Haarlemse Courant) dat heden ‘ … uit myne liefde-armen [is] weggerukt …’ de vader van haar vier kinderen. Ook haar schoonmoeder weduwe H.B. Ham werd nadrukkelijk bij de rouw betrokken. Zij was het die bijna acht maanden later in dezelfde krant liet weten dat haar schoondochter, de weduwe J.B.H. Ham, was bevallen van een welgeschapen zoon. 

Terug naar 1952. De arme redacteur, die zo verlegen zat om kopij, sloeg met zijn ‘vandaag 150 jaar’ de plank behoorlijk mis: niet alleen de datum, ook de jaren (1771-1802) kloppen niet. Hij vertrouwde te veel op de biograaf Van der Aa, waar hij deze keer Nagtglas had moeten volgen, die de juiste data wist die hoorden bij ‘de veel belovende jonge man.’

Provinciale Zeeuwse Courant, 2 april 1952, pg. 2 – Krantenbank Zeeland

Voor werk zie mutualart.com of artnet.com

Verdwenen Middelburg in tekening en op schaal

Ook zonder een alles vernietigende stadsbrand zoals die van 17 mei 1940, is het behoud van monumenten geen vanzelfsprekendheid. De vooruitgang eist zo zijn tollen… Met de aanleg van het Kanaal door Walcheren haast letterlijk.

De aanleg van het Kanaal door Walcheren – Zeeuws Archief, KZGW ZA III 326-9

De verwachtingen waren hoog gespannen in Middelburg toen duidelijk werd dat de Zeeuwse hoofdstad een directe verbinding met het vasteland zou krijgen via een spoorlijn die Londen via een veerboot op Vlissingen met Berlijn zou gaan verbinden. Vanwege afspraken met België diende Nederland te zorgen voor open waterverbindingen tussen Antwerpen en Rotterdam. Met de spoorlijn verdween het toch al sterk verzande Sloe als doorgang. De oplossing werd gevonden in het doortrekken van het Havenkanaal van 1817 naar Vlissingen. Vanaf 1866 werd er een enorme onteigeningsprocedure in gang gezet, waarin waarschijnlijk menig klein grond- en opstalbezitter meer kreeg dan hij of zij ooit voor mogelijk had gehouden.

Vlissingsche Poort te Middelburg 1868, tekening C.L. Ovaal – Zeeuws Archief, KZGW ZI II 363b

De Vlissingse Poort, een net als de Kloveniersdoelen in renaissancestijl tussen 1596 en 1634 gebouwde stadspoort, viel in 1867-1868 ten prooi aan de afbraakwoede voor een gehoopte economische opleving. Het gebouw lag ter hoogte van de huidige Schroebrug. Christiaan Lodewijk Ovaa (1852-1887), geheel in de traditie van zijn voorouders timmerman en prijswinnende leerling (1867) van de Teeken Akademie, was blijkbaar geïnteresseerd in de constructie van de poort. Nauwgezet legde hij de poort in het laatst van zijn bestaan op schaal vast en vervaardigde een plattegrond. De tekeningen zullen gebruikt zijn voor het model in eikenhout van zijn hand, dat in 1871 tentoongesteld werd in het gebouw van de Teeken Akademie. Het dubbeltje entree kwam geheel ten goede aan de conciërge, die tenslotte ook de receptie deed en zaalwacht was.

Middelburgse Courant, 13 oktober 1871 – Krantenbank Zeeland

Door de jaren heen dook het model links en rechts nog eens in de krant op. In maart 1873 ontving Ovaa ƒ 5,– als prijs voor het inzenden van het model voor een tentoonstelling door de Middelburgse afdeling van de Vereniging tot bevordering van fabrieks- en handwerksnijverheid in Nederland. Het model maakte een reis naar Amsterdam in 1877 om te pronken op de Nationale Tentoonstelling als onderdeel van de Zeeuwse inzending, waarbij vermoedelijk ook tekeningen ter illustratie zijn gemaakt. Een set van dergelijke tekeningen is in elk geval beschreven en verloren gegaan. Ovaa had blijkbaar lol in het vervaardigen van gebouwen op schaal in hout, want een model van de Abdijpoort -waarmee vermoedelijk de Balanspoort wordt aangeduid- is in 1883 goed voor de eremedaille op een nijverheidstentoonstelling en een geldbedrag van ƒ 20,–. In dezelfde tentoonstelling was ook het schaalmodel van de Vlissingse Poort weer eens te zien, wat beloond werd met een prijs, groot ƒ 2,50. Overigens liep het ook met het model niet goed af: was het origineel dan wel niet verbrand in 1940, de ‘houten afbeelding’ deed het als onderdeel van de Stadhuiscollectie alsnog.

De gevels van de Vlisssingse poort te Middelburg aan de stadszijde en landzijde, tekening C.L. Ovaal – Zeeuws Archief, KZGW ZI II 363a

Dames in de Teeken Akademie

De Teeken Akademie was een mannenaangelegenheid. Maar wat doen de Dames van Luyk tussen de Kunstoefenaars in 1778?

Bij de oprichting van het Teeken Collegie in 1778 kon secretaris Bomme in zijn Inwijdingsrede een uitgebreide lijst van honoraire leden publiceren. Het lijkt erop dat iedereen die er toe deed (of dat dacht) in Middelburg als begunstiger te boek wilde staan. Uit alle standen werden 39 jongens voor het tekenonderwijs aangemeld en 59 personen tekenden in als ‘Kunstoefenaar’: kunstenaars, amateurs en ambachtslieden.

Daaronder vinden we de ‘Dames van Luyk’. Wie denkt met twee (of meer) vrouwen van doen te hebben, komt bedrogen uit. De voornaam Dames stamt af van Damiaan of Damianus. Een man dus, die in 1797 voorkomt in het bevolkingsregister van Middelburg als smid. Waarschijnlijk is hij het die in 1784 trouwt als Domes van Luyk. Pieter van Luyk die tegelijk met hem inschreef, zou goed zijn iets oudere broer kunnen zijn geweest.

Portret van mademoiselle van der Perre uit ‘Silhouetten getekend door den schilder-teekenaar J. Perkois te Middelburg rond 1795’ – RKD

De enige plek waar we vrouwelijke kunstenaars tegenkomen is vanaf 1822 de jaarlijkse tentoonstelling. In dat jaar hangen er 3 olieverfschilderijen van amateurkunstenaar Jacoba Johanna van de Perre (1778-1835). Zij was dochter van Paulus Ewaldus van de Perre en behoorde tot de absolute bovenlaag van de stad. Mevrouw Schummelketel-van de Perre was vertegenwoordigd met 2 schilderijen naar voorbeeld van een ander werk en een eigen werk met vissende figuren. Ook op de expositie ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan in 1828 exposeerde zij, samen met de dan 21-jarige Johanna Maria Tak (1807-1874) en de 17-jarige Johanna Jacoba Graus (1811-1884), naast natuurlijk de mannelijke leerlingen en oud-leerlingen. Waar de dames -want dat waren het- hun opleiding hebben gehad is onbekend. Het lijkt aannemelijk dat zij een privé-docent aan huis lieten komen om de teken- en schilderkunst onder de knie te krijgen. Misschien leerden de beide Johanna’s de fijne kneepjes van hun broers die de Teeken Akademie wel mochten bezoeken.

Van Jacoba Johanna Schummelketel-van de Perre is een veilingcatalogus (1836) bekend, waaruit blijkt dat zij de meest gangbare kunstboeken (Van Gool, Goeree, De Lairesse, Van der Mander en Houbraken) in haar kast had staan en een omvangrijke hoeveelheid teken- en schilderbenodigheden bezat. Helaas is geen werk meer van haar bekend.