Brand! Brand! Brand!

Zagen ze dat nou goed? Brandde daar iets in de garen en band winkel van Van Eersel aan het eind van de Lange Delft richting Markt? Het was half zeven, zondag 28 juni 1857. De winkel was natuurlijk gesloten en er bleek niemand thuis te zijn. Passanten forceerden de deur en de vlammen sloegen hun tegemoet. Onmiddellijk werd er alarm geslagen en van verschillende kanten kwamen de brandspuiten met hun brandgasten aangesneld, tot uit Vlissingen en Arnemuiden toe. Omwonenden, buurtgenoten en andere vrijwilligers hielpen aanpalende panden ontruimen of met emmers en andere middelen de brandspuiten te vullen. Relatief snel -na ongeveer drie uur- kon de brand ingedamd worden, mede doordat het niet of nauwelijks waaide. Problemen waren er ook: de waterputten waren ver van de plaats des onheils en er werden veel zand en steentjes opgezogen die de spuiten verstopten. De brandgasten uit Arnemuiden waren inmiddels zonder ingezet te zijn teruggestuurd. Er dreigde een onweer met mogelijk blikseminslag en in die hoek van Walcheren had Arnemuiden de enige brandspuiten. 

Gezigt bij het uitbarsten der brand te Middelburg. op Zondag, den 28 Junij 1857, steendruk in kleur door A.A. Nunnink, M.J. la Brand – Zeeuws Archief, KZGW ZI III 316

Zwaar onder de indruk van het gebeuren, berichtte de reporter in de maandagavondeditie ‘van 4 ½ uren’ het feitenrelaas. De Middelburgsche Courant verscheen destijds op dinsdag, donderdag en zaterdag, maar was aan het eind van de vorige dag al te verkrijgen. Op maandag 29 juni werd nageblust en kon grofweg de schade opgenomen worden. De hoek Lange Delft – Lange Burg was verbrand. Vijf winkel-woningpanden waren totaal vernield, de meeste met inboedel en al. Dat de brand zo om zich heen kon grijpen, kwam mede door de eigenaardige bebouwing. De huizen grepen als het ware in elkaar en vormden zo een blok waardoor het vuur moeilijk te bestrijden viel. Uiteraard waren woningen in de buurt, tot ruim 13 toe, beschadigd door de intense hitte. 

Op zaterdag 4 juli was het tijd voor enige reflectie en kreeg het handelsinstinct weer vat op de geesten. Bij A.J. de Wilde was voor 10 cent Overdenking en treurige herinnering aan den vreselijken brand van zondag l.l. van Antje Ball te koop. Boekhandelaar J.J. Ceulen kondigde aan een intekening te openen voor 2 prenten. Hij was van plan steendrukken bij A.A. Nunnink te Den Haag te laten maken met een afbeelding van het blussen uit de Lange Delft gezien, naar een tekening door Labrant, en het terrein de volgende dag, naar een tekening door Wolff. De prijs bedroeg 75 cent en voor niet-intekenaars een gulden. De prenten kwamen er in een oplage van ieder 1000 stuks.

Met Labrant werd Marinus Jillis la Brand bedoeld, destijds 19 jaar en in 1850 en 1852 prijswinnaar naar prent op de Teeken Akademie. Vader Job, (huis)schilder in de Kromme Weele, was in 1827 en 1829 op dezelfde academie onderscheiden. Marinus la Brand (Labrant of Labrand) zou niet oud worden: 17 december 1858 kwam hij al te overlijden.

Het nablussen duurde nog tot donderdag. Geruchten gingen rond. En wie was Wolff? Wordt vervolgd.

Arnold Wiggers

Het oog naar boven slaan

Een interview met Huib Uil en Ilja Mostert over de 19e eeuwse kunstenaar Adriaan Prince en de tekenschool van Zierikzee.

Detail van een gravure op avondmaalszilver van de Oostkerk, ontworpen door Adriaan Prince (1831) – foto: L. Labeur

Liesbeth Labeur

Een beknopt lemma over Adriaan Prince (1779-1859) uit Zierikzee trok al enige tijd de aandacht. De tekst: “Schilder. Woonde zijn hele leven in zijn geboortestad en was daar leraar aan de stadstekenschool. Hij is één van de weinigen die het 19e-eeuwse Schouwse volksleven heeft uitgebeeld. Hij was een vaardig tekenaar en heeft ook landschappen geschilderd en oude meesters gekopieerd.” Het sprak tot de verbeelding. Wie was Adriaan Prince? Wat maakte hij, hoe zag zijn kunst eruit? En wat is er bekend over de tekenschool van Zierikzee?  1

De Teeken Akademie van Middelburg verdiept zich deze jaren in de Zeeuwse tekengeschiedenis en maakt zich sterk voor actuele tekenkunst. In de aanloop naar het 250-jarig bestaan in 2028 hoopt men een Zeeland brede manifestatie in gang te zetten met stads- en dorpstekenaars en met aandacht voor álle tekenscholen die Zeeland heeft gekend, ook de tekenschool van Zierikzee. Adriaan Prince was er vanaf het begin als stadstekenmeester bij betrokken. 

Op zoek naar meer informatie bezoek ik Huib Uil, de voormalige stadsarchivaris van Zierikzee. Hij staat bekend als wandelende encyclopedie. Huib waarschuwde direct. “Omdat mijn voorganger werk heeft gemaakt van Prince heb ik hem in mijn dienstjaren niet heel uitgebreid behandeld. Er is nog het een en ander na te zien. Het is een goed idee om Ilja Mostert ook te vragen, hij is nu werkzaam als archivaris in Zierikzee.” Zo geschiedt. 

Kennen jullie de schilder Adriaan Prince? Of werk van hem? 

Ilja Mostert: “Zoals Huib aangeeft, een onderzoek in de correspondentie van de stad zou meer informatie kunnen opleveren, een tijdrovend werk. Het valt me tegen hoe weinig werk van hem bekend is.” 

Huib Uil: “Uit de publicaties van Wiebe H. Keikes uit 1988 herinner ik me het schilderij van de haven van Viane, toegeschreven aan Adriaan Prince. Een mooi resultaat van het onderzoek was de vondst dat mijn voorganger ontdekte dat dit niet de haven van Viane voorstelt, maar een naschildering is van de gravure ‘het lossen van een schip’ naar een schilderij door de zeventiende-eeuwse schilder Philips Wouwerman.” 2

In 1952 maakt de PZC melding van de vondst van het schilderij op Oude Haven 9: “Het werd ontdekt op de zolder van het pand dat thans behoort aan dhr. C.van der Vliet; Dhr. D. Van der Vliet sr. kocht het van Prince in 1802. De hierboven vermelde gegevens zijn te lezen op de achterzijde van het schilderstuk.” 3

Huib heeft geregeld dat we het werk kunnen bekijken in het Stadhuismuseum. Dat het een reproductie is en geen eigen werk van Prince is niet verwonderlijk. Het tekenonderwijs in West-Europa was in zijn tijd in grote lijnen overal op dezelfde manier opgebouwd. Leerlingen tekenden eerst ‘naar prent’, dan ‘naar pleister’ en tenslotte ‘naar levend model’. 4

5 juni 2021 – Huib Uil leest de aantekening op de achterzijde van het paneel ‘het lossen van een schip’ van Adriaan Prince – foto: L. Labeur

Op de achterzijde van het paneel ontdekt Huib een briefje dat nog niet in eerdere publicaties beschreven is. Hij leest de aanhef. “Het is een brief van restaurateur Hesterman gericht aan Dhr. Van der Vliet.” Ilja: “Het schilderij is in 1916 onderzocht door deze gerenommeerde restaurateur. Hesterman! Hij was in 1911 ook verantwoordelijk voor de restauratie van de Nachtwacht. Het verhaal dat het schilderstuk in 1952 zomaar werd ontdekt op een zoldertje lijkt me niet aannemelijk.” 5

Huib laat uit het depot tevens de bekende prent ‘Man en vrouw van Schouwen’ zien, gemaakt door Prince. “De afbeeldingen waren voor een verzamelwerk over klederdrachten, uitgegeven door E. Maaskamp te Amsterdam in 1805.” Ook is er een prent bekend met daarop het standbeeld van Jacob Cats uit Brouwershaven, naar een ontwerptekening van Adriaan Prince. “Meer werk van hem kennen we niet.”

Wat weten we wel, is er een portret van Adriaan Prince bekend? 

“Helaas niet,” vertelt Huib. Wel algemene gegevens. “Adriaan Prince werd geboren in Zierikzee op 16 augustus 1779 als zoon van Jan Prince en Jopje Olree.” 

“Waarschijnlijk weet ik zijn geboorteadres,” meldt Ilja. “In het lidmatenregister van de Nederduits Gereformeerde kerk wordt   ’s Heer Arendslop in 1775 als woonadres van zijn vader genoemd, een paar jaar voordat Adriaan wordt geboren.” 6

“Bovendien, uit een notariële akte van 11 oktober 1762, blijkt dat een huis aan  ’s Heer Arendslop al bewoond werd door familie. Dit huis moet op den duur in bezit zijn gekomen van vader Jan Prince. Want in eenzelfde soort akte uit 1825, opgesteld vanwege het overlijden van Adriaans vader, wordt dit huis met het wijknummer A385 aangeduid en blijkt dat het pand sinds 4 februari 1792 in bezit was van Jan Prince.”  7

“Het was waarschijnlijk het derde huis aan de westzijde van de  ’s Heer Arendslop, gezien vanaf de Oude Haven. Dit huis bestaat al lang niet meer. In het bevolkingsregister van 1830 staat al dat het niet meer bewoond was. Tegenwoordig staat hier de nieuwbouw van Mondragon.”

Jonge jaren in het schildersgilde

Huib heeft een tocht door Zierikzee georganiseerd, langs plaatsen uit het leven van Prince en Ilja vult aan: “Ik vind Adriaan Prince in zijn jonge jaren één keer terug, in de archieven van het schildersgilde. In de rekening van 1790 staat hij als elfjarig jochie vermeld als ‘leerjongen’ van de weduwe van Lambregt-Klasse. De spelling kan ook ‘Lambrecht’ zijn en de achternaam ‘Klaasse’ of ‘Klaassen’.”  8

In de boedelinventaris van Lambrecht-Klaasse, opgemaakt na het overlijden van Lambrecht in 1788, zijn ‘verwstoffen’ – verf werd toen met een w geschreven – en schildersgereedschappen beschreven. “Het kan bijna niet anders dan dat de weduwe van Lambrecht de spullen heeft gebruikt in 1790, hoe kon ze anders een leerjongen onder haar hoede nemen. Het geeft de leerjongen hoe dan ook kleur.” 9

De inventarisatie beschrijft veel droge ‘verwen’, zoals Berlijns blauw. Daar heb je als schilder maar heel weinig pigment van nodig om een sterke kleur blauw aan te maken. Of neem de pakjes Keulse aarde, ook bekend als Van Dijck bruin. Veel gebruikt voor schaduwpartijen. Ook op de lijst: koningsgeel. Na gebruik moest je je handen goed wassen, het was een giftig pigment. Je kan er een sterke citroengele/oranjekleurige verf van maken. Lakmoes stond ook op de lijst. En papaverolie, dat geeft glans aan verf. Onder gereedschap staan onder andere vermeld een partij nieuwe kwasten, een krijtmolen en een balansschaal.

Met de spellingsvariant ‘s’ komen we Adriaan in 1798 opnieuw tegen, op zeeuwen gezocht: Adriaan Prinse, inwoner van Zierikzee, 19 jaar, ongehuwd, schilder, adres A 89. 10

Huwelijkse jaren en verdriet

In juni 1810 huwt Adriaan met Carolina Josina de Moor te Scherpenisse. 11 Misschien is hij wel naar Tholen gevaren vanuit het haventje van Viane. 

Ilja meldt dat Prince “even daarvoor een huis heeft gekocht in Zierikzee. Uit een transportakte uit 1810, opgesteld op de 19e dag in de grasmaand (april), blijkt dat Adriaan voor 1800 gulden een huis aan de noordzijde van de Oude Haven koopt. Dit is het huis waar het schilderij in 1952 op zolder gevonden werd.” 12

Op 19 september 1811 wordt Adriaan voor het eerst vader. Carolina Josina schenkt in Zierikzee het leven aan Jean Pierre Prince. 

“Het wordt steeds interessanter,” vertelt Ilja. “In 1814 stelt notaris Dignus Boom enkele notariële aktes op. Uit de eerste akte van 30 september 1814 blijkt dat Adriaan Prince 400 gulden heeft geleend bij Pieter Blussé met zijn huis aan Oude Haven 9 als onderpand. De akte die daarop volgt is identiek aan de eerste maar in het tweede geval blijkt dat ook Jan Prince, de vader van Adriaan, 400 gulden heeft geleend, ook met een huis als onderpand, Oude Haven 39b. Pieter Blussé ken ik van het 18e eeuwse familiebedrijf Blussé uit Dordrecht, Naast uitgeverij en boekhandel had men ook een postkantoor en een loterij.”  13 14

Blijkbaar is het bergafwaarts gegaan met Adriaan, want op 31 oktober 1815 (niet in 1802 zoals de PZC in 1952 vermeldt?) is hij gedwongen zijn huis te verkopen aan Dingeman van der Vliet. “Dit is de voorvader van Cornelis van der Vliet die het schilderij op zolder vond in het huis Oude Haven 9.”  15

De contouren van een getormenteerde kunstenaar beginnen zich af te tekenen. In 1815 wordt er een kind geboren in Scherpenisse, Pieter Cornelis Prince. Zijn ze naar familie uitgeweken? In 1818 wordt Prince opnieuw vader, Anna Jobina Carolina wordt geboren. De familie Prince woont dan weer in Zierikzee, op Dam 2. Op 3 januari 1819 overlijdt echtgenote en moeder Carolina Josina de Moor, Adriaan is dan 39 jaar.” 

De oprichting van een teeken-collegie

Huib toont uit de ‘correspondentie over onderwijs’ een brief van de Gouverneur van Zeeland d.d.18 juni 1817, waarin geïnformeerd wordt of er tekenscholen in Zierikzee bestaan. De Curatoren van de Latijnse school, tevens de Plaatselijke Schoolcommissie, antwoorden d.d. 2 juli 1817: “er is geen tekenschool en er zijn geen mogelijkheden die op te richten.” Aanleiding voor deze correspondentie zal het koningsbesluit van 13 april 1817 zijn geweest. Koning Willem I hechtte waarde aan onderwijs. 16

Drie jaar later, op 29 september 1820, dat is anderhalf jaar na het overlijden van de vrouw van Prince, vermeldt de Zierikzeesche Courant dat “de kunstschilders A. Prince en L. van Sprang voornemens zijn om met goedkeuring van Heeren Burgemeesters, binnen deze Stad een teeken-collegie op te rigten.” Correspondentie waaruit deze goedkeuring blijkt, hebben we (nog) niet kunnen achterhalen. 17

Ilja: “Adriaan Prince woont dan op Oude Haven 39b. In de Memorie die opgemaakt is na het overlijden van zijn vrouw, noemt hij A407 als zijn woonadres. Hij is na haar dood in 1819 dus al snel verhuisd naar zijn vader. Dit is ook het huis waar hij zijn eerste tekenlessen gaf getuige de advertenties in de krant.” In 1825 overlijdt de vader van Adriaan.

Huib: “via de krantenbank kun je lezen dat Adriaan Prince vanaf het najaar van 1820 ieder jaar vijf maanden (particulier) tekenles geeft in de vorm van het ‘teeken-collegie’, alleen in het genoemde jaar met L. van Sprang. Hij heeft dit gedaan tot en met 1826. In 1827 is er door de stad zelf een tekenschool opgericht. Vanzelfsprekend houden die twee feiten nauw met elkaar verband.” 

De oprichting van de tekenschool

In de correspondentie van de stad vindt Ilja nogmaals een brief van de Gouverneur van Zeeland. Op 2 augustus 1826 schrijft hij: “de daarstelling van teekenscholen om […] onderwijs te doen geven in de gronde van over teekenkunde, zoals uw edelachtbare uit het koningsbesluit van de 13e april 1817 bekend is, eene zaak waarop Hoogste zelve veel prijs stelt. Dat de toenmalige regering uwer stad ook daaromtrent niet onverschillig was, blijkt uit haren brief van 14 july van dat jaar, waarbij dezelfe opgeeft maatregelen te zullen nemen […]. De maatregelen zijn ondergebleven hetgeen uw voorganger beraamd hebben te verwezenlijken. In de stad Middelburg bestaat reeds jaarenlang zoodanige inrigting. In de steden Vlissingen en Goes zijn die tot stand gebragt. Van 30-60 leerlingen worden zo jaarlijks onderwezen.” 18

De Gouverneur ontvangt snel, al op 11 augustus 1826, antwoord terug. “Het bestuur dezer stad heeft ten oogmerk  op den voet en wijze […] een tekenschool opterigten in den geest van ’s Koningsbesluit van den 13e april 1817.” Vooruitlopend op resultaten rept men van een voorbereidend verslag. Op 18 november 1826 antwoord de Gouverneur terug: “zo heb ik u te verzoeken om mij met het gevolg daarvan, immers den stand dezen zaak bekend te maken.” 

Er volgen brieven met een informatieverzoek over de “gronddelen” van een tekenschool. De tekenmeesters, wat betalen we hen? En hoeveel jongelingen moeten we onderwijzen? De Gouverneur stuurt voorbeelden op, waaronder een reglement van de tekenschool van Groningen. Er worden beloftes gedaan, men heeft het “stellige voornemen” om “doelmatig en zoveel mogelijk in de geest van” een tekenschool “opterigten” voor “teken en bouwkundig onderwijs.” Op 23 januari 1828 volgt dan eindelijk de verlossende brief dat in Zierikzee “hedenavond een aanvang is gemaakt met het geven van lessen.”

Huib vertelt dat Prince als een van de onderwijzers aan de tekenschool verbonden werd. “Ook wordt hij in de boeken vanaf 1827 stadstekenmeester genoemd. Een document waaruit een aanstelling blijkt heb ik niet kunnen achterhalen. In ieder geval kan ik melden dat Adriaan Prince als stadstekenmeester een traktement genoot van 200 gulden per jaar. Het bedrag werd in vier termijnen uitbetaald door het stadsbestuur.

Reglement van Admissie op ‘het’ tekenschool

Ook de Zierikzeesche Courant is op 18 januari 1828 goed gevuld met berichten van de tekenschool. “De commissie der tekenschool binnen de stad Zierikzee, brengt bij deze ter kennis der belanghebbenden, dat men met den 21 dezer maand des avonds ter 6 ure ten huize van Mejufv. de weduwe Van der Baan op de Oude Haven, een aanvang zal worden gemaakt met het geven van onderwijs in de handteekening en Bouwkunde.” 

Voorts roept de commissie alle reeds ingeschreven jongelingen op om de zaterdag daarvoor “aan het lokaal der tekenschool te verschijnen” om het “Reglement van Admissie op het tekenschool te Zierikzee, waarin les gegeven zal worden in het handtekenen, in de regels der vijf orders, en in het tekenen van alle burgerlijke gebouwen, sluizen en molens” in werking te brengen. 

Art. 1 “Geene Leerlingen zullen op dit School aangenomen worden, dan die van het mannelijke geslacht, en den ouderdom van twaalf jaren ingetreden zijn […]” In Art. 5 wordt vermeld dat “minvermogende” jongelieden ook worden uitgenodigd om “voor niet” deel te nemen aan het onderwijs. “Doch niet op het school mogen verschijnen, dan zindelijk en ordentelijk gekleed.”

Art 8 meldt dat “leerlingen zichzelf moeten aanschaffen en altijd op het school voorzien zijn, van eigen tekenbehoeften en papier, desnoods volgens aanwijzing van den tekenmeester, zonder het minste van de ander te mogen lenen, teneinde door geen oponthoud noch stoornis aan zijn medeleerlingen te kunnen veroorzaken.” 

Art. 19 “Eenmaal in het jaar anno ter belooning van naarstigheid, als tot opwekking van eenen edelen naijver, op de plechtigste wijze aan de meest gevorderde leerlingen, eereprijzen met getuigschriften vergezeld; uitgereikt worden, is elke leerling gehouden, naar die prijzen en den rang voor plaatsing te tekenen, zonder zijne tekening daaraan te mogen onttrekken […].”  19

Illustraties van het verdere leven van Prince

Hoewel we in de archieven nog niet meer kunst van Prince zijn tegenkomen lezen we wel een verdere illustratie van zijn leven. Ilja toont een lijst uit 1829 met leerlingen van de tekenschool, waaronder een zoontje, Pieter Cornelis Prince. 20 “Van zijn broer Jean Pierre Prince vinden we in dat jaar ook stukken terug in de archieven. Hij wordt in 1829 veroordeeld voor vier jaar wegens diefstal van zijn baas, notaris Mosselmans, waar hij kantoorklerk is. In afwachting van het vonnis, hij zat in het Gravensteen, schrijft hij een briefje aan zijn vader. “Dierbare vader, diep moet ik mij schamen, ja zelfs sidderen, u deze letteren te zenden, van de cipier vernomen hebbende dat gij niet alles weet om iets voor mij te doen. […] ik bidde, ik smeek u doet toch wat gij kunt voor u zoo diep ongelukkige zoon, wiens tranen van berouw onophoudelijk vloeien. […] Laat mijn broeder Pietje vanavond eens medekomen, opdat hij uit mijn geval leere en een afschrik van deze verfoeilijke zonden krijgt.” Jean Pierre zit zijn straf uit in het tuchthuis van Gent.” 21

In de Zierikzeesche Nieuwsbode lezen we terug over de oprichting van ‘Kunst en Eer’ in 1830, een harmoniegezelschap. Muziekdirecteur was Johannes Frederik Tinteman, terwijl er verder toe behoorden: Adriaan Prince, Pieter Anthony de Reur, Francois Jansons, Abel Vorenkamp […] Men hield repetities in het koor der Groote of Sint -Lievens Monsterkerk […] en als aardigheid wisten tijdgenoten te verhalen dat het bovengenoemd lid, Abel Vorenkamp, die koek- en banketbakker was, de in dit koor hangende grote koperen kaarsenkroon, meermalen aan het slingeren bracht door, na een aanloop hoog opspringend, daartegen een klap te geven.” 22

De tekenschool voor en na de reorganisatie in 1841

In 1838 lezen we in de krant enige passages uit het jaarverslag van de Provincie. Huib vertelt dat “vroeger inlichtingen aan alle gemeenten gevraagd werd en dat de Provincie deze bundelde in het jaarverslag. De krant citeert hier elk jaar uit:” 

“De teeken akademie te Middelburg en de teekenschool te Zierikzee, Goes en Vlissingen worden met belangstelling en ijver in stand gehouden het onderwijs aan dezelve is volgens de bestaande voorschriften ingerigt en voldoet aan het beoogde doel om aan den handwerkman gelegenheid te geven, tot het verkrijgen van de voor zijn bedrijf noodige kennis in de teekenkunst. Het getal der leerlingen heeft in den afgelopen winter 333 bedragen, van welke 143 gratis onderwijs hebben genoten.” 23

In 1841 wordt de tekenschool gereorganiseerd. De tot dusver in functie zijnde onderwijzers, Lieven Koole, timmerman en Adriaan Prince, fijnschilder, nemen eervol ontslag. Adriaan behoudt zijn functie als stadstekenmeester. 24 Met hernieuwd elan wordt het tekenonderwijs vervolgd. Nieuwe docenten worden aangetrokken. Er wordt melding gemaakt van onderwijs in Handteekening en Pleisterbeelden door den heer Jakob Korsten. 25 In de rekeningen van de tekenschool zien we terug dat er nieuwe pleisterbeelden worden aangeschaft. Niet door Korsten, maar door stadsbouwmeester Ary van der Velde: “pleisterkoppen, handen en voeten en voorbeelden van Van Bree.” Er wordt een nieuw reglement gemaakt en de tekenschool verhuist naar het Kerkhof.

De jaarlijkse prijsuitreikingen worden nu in de Lutherse kerk gehouden en in de Courant zet een erelijst met opsommingen van namen, prestaties en prijzen dit alles jaar na jaar luister bij. Tevens wordt er verslag gedaan van de vieringen, zoals die van 1842: “De plechtigheid werd begonnen met heerlijke orgelmuzijk, onder directie van den heer P.H. Van der Weijde terwijl feestzangen werden uitgevoerd.” 

Het einde van de stadstekenmeester en de tekenschool

Op 11 april 1859 overlijdt Adriaan Prince. Uit de memorie van Successie 26 blijkt dat hij eigenlijk geen bezittingen had. ‘Ab in testato,’ Prince had geen testament en daarom werden zijn spullen verdeeld onder zijn drie kinderen. Hij heeft “geene roerende of onroerende goederen nagelaten”. Het sterfhuis van Adriaan Prince is Lange Nobelstraat 38. 

Enige dagen later maakt de Zierikzeesche Nieuwsbode in een zinnetje melding van het overlijden: “Overleden, A. Prince, oud ruim 79 jaar, weduwnaar.” 27 Tekenmeester J. Korsten vraagt of hij nu Stadstekenmeester mag worden. Dit verzoek wordt niet gehonoreerd. 28 In 1869 wordt de tekenschool opgeheven. De burgeravondschool neemt het onderwijs over. 

(Tekst loopt door na de afbeelding)

Aantekeningenportret Huib Uil – L. Labeur 2021

Het oog naar boven slaan

Spijtig genoeg zijn we geen nieuw werk van Adriaan Prince tegengekomen. Enige dagen na het interview mailt Huib Uil: “Je hebt diverse berichten uit de Krantenbank geput. Tik nog eens in: ‘Prince’ en het jaartal ‘1832’. Je krijgt dan de Zierikzeesche Courant van 3 februari 1832 met een bericht over de vervaardiging van een avondmaalstel in Zierikzee, bestemd voor de Oostkerk te Middelburg. Het werd vervaardigd naar ‘levensgrote’ tekeningen van de schilder A. Prince. Een mooie uitdaging is om te achterhalen of dat avondmaalservies bewaard is gebleven in Middelburg.”

Er wordt direct een onderzoek gestart en warempel, hoewel niet compleet is het stel bewaard gebleven. Vergelijken we de gravure op het zilver met het verdere bericht uit de krant dan kan het niet anders dan hetzelfde avondmaalszilver zijn: “Als men de gravure naspeurt en de tekeningen welke het geheel op elk stuk aan het oog aanbiedt; dan is het of alles leeft en de Adelaar, het oog naar boven gericht, zich van de aarde losmaakt om reiner streken te bewonen, niet ongelijk aan den christen die met een gelovig gemoed zal aanzitten en uit de stukken het brood etende en den wijn drinkende, zijn oog naar boven slaat, en daar zijne hoop vestigt.”  29

(Tekst loopt door na de afbeelding)

Detail van een gravure op avondmaalszilver van de Oostkerk, ontworpen door Adriaan Prince (1831) – foto: L. Labeur

Waarom werd een Zierikzeese zilversmid en Adriaan Prince ingeschakeld voor de levering? “Schenker Abraham Caland heeft Prince goed gekend want hij zat in het bestuur van de tekenschool. Hij heeft in Zierikzee gewoond en was alhier ingenieur van de waterstaat.”

Zo vinden we opnieuw een gereproduceerd werk van Adriaan Prince, het vierde. Misschien zou Adriaan Prince vandaag een designer zijn geweest. Het beknopte lemma, waar dit artikel mee begon, kan in ieder geval uitgebreid worden. 

(Tekst loopt door na de afbeelding)

Aantekeningenportret Ilja Mosterd – L. Labeur 2021

Dit artikel is een herpublicatie en verscheen eerder in het tijdschrift Zeeland (jrg 2021 nr 3), een kwartaaluitgave van het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen.

  1. https://encyclopedievanzeeland.nl/Adriaan_Prince, geraadpleegd op 5 juni 2021.
  2. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Nieuwsbode, 20-10-1988, p.4.
  3. ZB Krantenbank Zeeland, PZC, 11-7-1952, p.19.
  4. www.teekenakademiemiddelburg.nl, geraadpleegd op 30 juli 2021.
  5. www.rkd.nl/nl/over-het-rkd/actueel/nieuws/889-een-geheim-vernis-restauratiefotos-van-de-nachtwacht-uit-1911, geraadpleegd op 20-8-2021.
  6. Zeeuws Archief Zierikzee (ZAZ), archief Hervormde Gemeente te Zierikzee, Kerkenraad (toegang 5411), inv.nr.32.
  7. ZAZ, Notariële Archieven Zeeland (toegang 13.1), inv.nr.2412.
  8. ZAZ, archief Ambachtsgilden te Zierikzee (toegang 5218), inv.nr.189.
  9. ZAZ, archief Weeskamer te Zierikzee (toegang 5052), inv.nr.148.2.
  10. Zeeuws Archief Middelburg (ZAM), archief Gewestelijke Besturen van Zeeland (toegang 4), inv.nr.256.
  11. Archief Tholen, Trouwboek NH kerk Scherpenisse, afschrift Hollestelle (toegang GAT_053), inv.nr.DTB_80.
  12. ZAZ, Rechterlijke, Weeskamer en Notariële Archieven Schouwen-Duiveland (toegang 5025), inv.nr.3894.
  13. ZAZ, Notariële Archieven Zeeland (toegang 13.1), inv.nr.2471.
  14. J.A. Baggerman, Een lot uit de loterij. Het wel en wee van een uitgeversfamilie in de achttiende eeuw. 2001, SDU Den Haag.
  15. ZAZ, Notariële Archieven Zeeland (toegang 13.1), inv.nr.2474.
  16. ZAZ, archief Stad en Gemeente Zierikzee (toegang 5022), inv.nr.806.
  17. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Nieuwsbode, 29-9-1820, p.2.
  18. ZAZ, archief Stad en Gemeente Zierikzee (toegang 5022), inv.nr.3385.
  19. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Nieuwsbode, 18-1-1828, p. 1 en 2.
  20. ZAZ, archief Stad en Gemeente Zierikzee (toegang 5022), inv.nr.3406
  21. ZAM, Rechterlijke Archieven Zeeland (toegang 12), inv.nr.120
  22. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Nieuwsbode, 29-1-1930, p.1.
  23. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Courant, 20-7-1838, p.2.
  24. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Nieuwsbode, 24-7-1925, p.1.
  25. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Courant, 8-10-1841, p.2
  26. ZAM, archief Ontvangers der Successierechten (toegang 398), inv.nr.700 (memorienummer 6542).
  27. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Nieuwsbode, 16-4-1859, p.2.
  28. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Courant, 11-5-1859, p.1.
  29. ZB Krantenbank Zeeland, Zierikzeesche Courant, 3-2-1832, p.2.

Over de auteur

Liesbeth Labeur (Middelburg, 1975) is kunstenaar en woont en werkt in Middelburg. In haar artistieke praktijk staan Babylonische beeldverwarring en piëtistisch vormgebruik centraal. Dit uit zich enerzijds in tekeningen die een intieme wereld verbeelden en anderzijds in social practice, kunst maken met iedereen, zoals in het uitbundige project All You Can Art van Kunsthal Rotterdam, een beweging waar zij deel van uitmaakt. Labeur volgde haar opleiding autonome kunst aan de AKV St. Joost in Breda, een kunstacademie die ontstaan is vanuit de tekenschool van Breda. Ook maakt ze deel uit van het bestuur van Teeken Akademie Middelburg. www.liesbethlabeur.nl 

Werken in zilver

Leendert Jacobus Leendertse schreef zich bij de oprichting van het Teeken Collegie in als kunstoefenaar. Hij was in dat oprichtingsjaar 1778 vermoedelijk de 20 al gepasseerd en kon zich eigenstandig bewegen. Leendert Hoogkamer en Arnoldus (Aarnout) Wilod (Wilot) waren wat jonger en werden door hun vaders als leerling ingeschreven. Allen zouden zilversmeden worden.

Rond deze tijd kende Middelburg maar liefst 50 in het gilde opgenomen goud- en zilversmeden. In 1807 waren dat er nog 28. Vervolgens veranderde het vak in de loop van de negentiende eeuw door de economische omstandigheden in Middelburg dusdanig, dat zelden nog sprake was van echt smeedwerk. Reparaties en verkoop van elders gemaakte juwelen vormden het hoofdwerk. Een enkele edelsmid specialiseerde zich op sierraden voor de streekdrachten. 

De makers van zilveren voorwerpen werden vanaf 1502 verplicht hun werk met een uniek stempel herkenbaar te maken. Daarna werd het werk ter keuring aangeboden. De keurmerken en een stadswapen die er ingeslagen zijn, vertellen iets over de kwaliteit van het zilver en de geografische herkomst. Vanwege de prijs van de grondstoffen, zullen goud- en zilversmeden tot de beter gesitueerde handwerkslieden hebben behoord. 

Leendert Jacobus Leendertse was in 1769 een leerjongen, wat iemand rond zijn elfde verjaardag kon worden. Zijn leermeester was Johannes D’Hoy, een zilversmid waar behoorlijk wat werk van is overgeleverd, onder weer Avondmaalsvaatwerk. Dit duidt op een zeker vakmanschap, waar Leendertse in zijn opleiding van geprofiteerd zal hebben. Op 21 maart 1787 toen hij tegen de 30 moet hebben gelopen, werd hij in het gilde opgenomen. Behalve een aantal kleinere gebruiksvoorwerpen en twee Avondmaalschotels is een bijzondere tabaksdoos van zijn hand bekend, die zich in het Zeeuws Museum bevindt. Een humidor -meestal een pot om de tabak op de juiste vochtigheidsgraad te houden- in de vorm van gestapelde boeken. In dit geval een logische vorm, want de ontvanger van dit geschenk in 1793 was de bekende boekverkoper Pieter Gillissen, sinds 50 jaar opgenomen in het Middelburgse boekdrukkers-, binders- en verkopersgilde, die het stuk bij Leendertse liet maken. 

Zilveren tabaksdoos in boekvorm, Leendert Jacobus Leendertsen – Zeeuws Museum, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed AB1724

Leendert Hoogkamer leerde het vak van zijn vader Willem. Op 20 oktober 1783 werd hij als meester toegelaten. Van hem is geen werk overgeleverd, mogelijk ook omdat hij in 1797 vrij jong stierf. Van Arnoldus Wilod is meer bekend. Hij stierf 18 juni 1842 in zijn ‘79e levensjaar’ volgens de advertentie die zijn weduwe Catharina Susanna Menschaar in de Middelburgsche Courant plaatste. Plaats van overlijden was Oud Vossemeer, waar hij sinds 1827 rentenierde na 40 jaar in het goud- en zilversmedengilde opgenomen te zijn geweest. Hij was net als Leendertse op 21 maart 1787 toegelaten. Hun twee dochters waren met predikanten getrouwd: de oudste dochter met Jacobus Versprille, de jongste met Cornelis Giltaij. Beide dominees stonden in de buurt van Oud Vossemeer op de kansel. Van Wilod zijn prachtstukken bekend. Tot de stadhuiscollectie behoort het inktstel in Lodewijk XVI-stijl dat voorzien is van het jaarstempel 1801.

Zilveren inktstel met kandelaar, Lodewijk XVI, de deksels voorzien van parelrand. Meesterteken Arnoldus Wilot, Middelburg – Zeeuws Archief, Stadhuiscollectie Middelburg, nr 163

In 1980 ontving het Zeeuws Genootschap van een anonieme schenker een zilveren koelvat gedateerd 1802. Het stuk werd in 1806 geschonken aan Pieter Ackermans (1747-1817), directeur van de Wisselbank. Behalve dat zijn moeder Maria Bomme een zuster van de eerste secretaris van de Teeken Akademie Leendert Bomme was, was hij van de zelfde instelling penningmeester. Middelburg was ook toen zo groot niet.

Wijnkoelvat van zilver geschonken aan Pieter Akkermans, Arnoldus Wilot – Zeeuws Museum, KZGW G99-029

Arnold Wiggers

De Houten Gevel uit de Langedelft

Zal Lieven Wouter Agelink begrepen hebben dat Langedelft B 125 (ongeveer tegenover de ingang van de Heerenstraat) in 1816 een bijzonder pand was? Het huis met het beeldje van Petrus tussen de bovenramen had toen als een van de laatste panden in Middelburg een middeleeuwse houten voorgevel. Lieven Wouter was zoals zijn vader Jan Agelink maljenier, wat inhield dat zij kleine ijzerwaren verkochten. Lieven Wouter liet een tekening van de gevel maken met wat bedrijvigheid ervoor en droeg het werk op aan zijn vrouw Adriana Elisabeth Bogaart. De datering is 17 januari 1816. Toevallig? In juni zou ze bevallen van hun eerste kind. 

De tekenaar was Jacob Beverland (1775-1864), die in 1807 door de Teeken Akademie werd bedeeld met een prijs als primus van de eerste klas naar prent. Zijn leven lang bleef hij te boek staan als metselaar, dus gezien zijn leeftijd zal hij dat beroep toen al wel onder de knie hebben gehad. Niet dat hij zich niet verder ontwikkelde: in 1816 en 1817 werd hij op de Teeken Akademie onderscheiden als beste leerling in de bouwkunde. 

De houten gevel aan de Lange Delft te Middelburg B 125 (nu 79), in 1888 geplaatst aan de zijmuur van het voormalige museum van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen aan Achter het Hofplein, hersteld door Cornelis Levinus van Sorge (1817-1893) getekend door Jacob Beverland (1775-1864) in 1816 – Zeeuws Archief, KZGW ZI II 716

De maljenierszaak van Agelink zou voortgezet worden door Antoni van den Broecke, eerst nog een jaar onder de naam Agelink en Van den Broecke, maar vanaf 1831 onder eigen naam. Wat hun onderlinge betrekking was, is onduidelijk. Van den Broeckes dochter trouwde met de koopman (hij wordt ook ijzerhandelaar genoemd) Leendert van Benthem Jutting, die na de dood van zijn schoonvader in 1870 het pand achter de houten gevel vooral voor opslag gebruikte.

Ook in Zeeland besefte men rond 1860 dat er toch wel erg veel werd afgebroken. Een commissie die ijverde voor behoud van oude gebouwen werd ingesteld om hier wat tegengas te geven. Teeken Akademie leerling Jan Frederik Schütz (1817-1888) maakte in 1863 een tekening van de inmiddels wat treurige gevel zo zonder top. Ondertussen was het wel de laatste houten voorgevel in de stad. De commissie wist in 1875 de gemeenteraad zover te krijgen dat de eigenaar een subsidie ontving voor het herstel ervan. De eerste restauratie in Middelburg was een feit. Het resultaat werd vastgelegd door weer een oud-leerling van de academie en latere tekenmeester aan de Burgeravondschool Cornelis Levinus van Sorge (1817-1893). Hoewel er goed werk geleverd werd, waren enkele ingrepen achteraf gezien minder gelukkig, zoals de kleur ossenbloedrood, die de gevel nooit gehad had. 

De houten gevel aan de Lange Delft te Middelburg B 125 (nu 79), in 1888 geplaatst aan de zijmuur van het voormalige museum van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen aan Achter het Hofplein, hersteld door Cornelis Levinus van Sorge (1817-1893) getekend door Jan Frederik Schütz (1817-1888) in 1863 – Zeeuws Archief, KZGW ZI II 717

Als Van Benthem Jutting in 1887 komt te overlijden en de vraag naar winkelpanden in de Langedelft groter wordt, besluit zijn weduwe Pieternella Johanna van Benthem Jutting-van den Broecke de gevel te vervangen voor iets moderners dat als winkel dienst kan doen. De gevel schenkt ze aan het Zeeuws Genootschap, mits deze de verplaatsing betaalt. Die monteert de gevel aan de zijkant van zijn zojuist verworven pand aan de Wagenaarstraat. Ondanks vandalisme, een discutabel plan tot herplaatsing en dankzij een restauratie in 1990 en 2015 is de laatste Middelburgse houten gevel aan Achter het Hofplein nog steeds te zien. Iets, dat in ieder geval niet zo geweest zou zijn als hij in de Langedelft was blijven staan…

Arnold Wiggers

De houten gevel aan de Lange Delft te Middelburg B 125 (nu 79), in 1888 geplaatst aan de zijmuur van het voormalige museum van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen aan Achter het Hofplein, hersteld door Cornelis Levinus van Sorge (1817-1893) van wie ook de tekening uit 1875 is – Zeeuws Archief, KZGW ZI II 718

Zie ook: J.H. Kluiver, De middeleeuwse houten gevel Wagenaarstraat 1 te Middelburg. Geschiedenis en restauraties. In: Archief. Mededelingen van het KZGW, 1992, p. 33-55

Stadstekenmeester Jacobus Pelgrom (1811-1861)

Gezicht op de stad Middelburg, gezien van de haven, met een deel van de Rouaansekaai, en links een man met juk en hond. Een inkttekening, gewassen in kleur, vervaardigd door J. Pelgrom in 1859/1861 – ZA, KZGW ZI II 279

Waar mogelijk bleef Middelburg in de negentiende eeuw zich beroepen op haar glorieuze verleden. Een tekenschool was weliswaar voldoende voor een stad van die omvang, maar er was nu eenmaal een heuse Teeken Akademie en voor de kwaliteit ervan stond men, als de financiën het toelieten. In 1857 ontstond een vacature tekenmeester naar pleister en de dirigerende leden gingen onmiddellijk op zoek naar een gediplomeerd opvolger. Van de vier kandidaten voldeed Jacobus Pelgrom het best. 

Deze Amsterdammer was in zijn geboortestad opgeleid aan de academie, waar o.a. Cornelis Kruseman en Jan Willem Pieneman zijn leermeesters waren. In zijn studietijd maakte hij een reis naar de Schotse Hooglanden. Tot 1842 werkte hij in Amsterdam, waarna hij naar Oosterbeek verhuisde. Vanaf 1848 was hij actief als stadstekenmeester: eerst in Zaandam (waar zijn eerste echtgenote overleed en hij achterbleef met 3 kleine kinderen), daarna vanaf 1850 (na een tweede huwelijk) in Zutphen en vervolgens vanaf 1854 in Arnhem. 

Pelgrom werd door de dirigerende leden voorgedragen en door B&W van Middelburg in 1858 benoemd. In april 1859 was er werk van Pelgrom te zien in het academiegebouw in de St. Pieterstraat. Een viertal kleinere werken en drie grote: een wintergezicht in de Alpen, een gezicht bij Arnhem en een storm bij Hardenstein aan de Ruhr. Vooral dat laatste schilderij trok de belangstelling door de treffende wijze waarop het geschilderd was. De rotspartijen getuigden van een getrouwe studie van de natuur, zo schreef de recensent in de Middelburgsche Courant. De Romantiek bloeide en Pelgrom had hier blijkbaar een snaar bij het modebewuste publiek getroffen. Wellicht betaalde de reis naar het Ruhrgebied en Heidelberg zich in dit schilderij uit. Van een reis naar de Alpen is nergens sprake, zodat het Wintergezicht in de Alpen mogelijk minder natuurgetrouw was, voor zover kunstbeschouwers in Middelburg hier een oordeel uit eigen aanschouwing over konden hebben. 

Een Gezicht bij Arnhem dat wellicht in Middelburg heeft gehangen, was tot voor kort te koop bij een kunsthandel in het land. Mogelijk is het schilderij Veemarkt uit 1847 dat daar nog te koop is, ook een resultaat van zijn reis naar Duitsland. Eigenlijk een ‘modern’ schilderij met de restanten van de oude agrarische samenleving in de vorm van een kleurige veemarkt op de heuvelige voorgrond en de nieuwe tijd met lustig rokende grauwe industrieschoorstenen in het stroomgebied van een rivier (Ruhr?) op de achtergrond. Het is verleidelijk om hier een kunstzinnig commentaar op de industrialisatie in te zien. 

Veemarkt, Jacobus Pelgrom, 1847 – simonis-buunk.nl, geraadpleegd op 23 augustus 2021

In 1860 was er weer werk van Pelgrom te zien, waaronder nu ook Walcherse thema’s, wat de recensent weliswaar beviel, maar niet met alles was hij even gelukkig: soms was het hem wat te bont. Het Zeeuws Genootschap bezit een serie gewassen tekeningen van Pelgrom die veelal nu verdwenen gebouwen in de stad en omgeving (Popkensburg) tonen. Het is onduidelijk waarom Pelgrom al in juli 1861 ontslag vroeg, wat hem door B&W eervol verleend werd. Passen doet het wel in het rijtje van kortstondige betrekkingen van de kunstenaar. Hij toog met vrouw en 6 kinderen naar Amsterdam en stierf daar nog voor het jaar om was, 50 jaar oud.

Arnold Wiggers

Kunsten en Wetenschappen in Middelburg in 1867

Zegewagen 75 Kunsten en wetenschappen uit de Allegorische Optocht, gehouden te Middelburg den 9n Juli 1867, ter gelegenheid van de start van de spoorweg- en kanaalwerken op Walcheren. Albuminedruk 90 x 50 mm (carte-de-visite). J. W. Gerstenhauer Zimmerman, 1867 – Zeeuws Archief Verzameling Beeld en Geluid, inv. nr. 380-381 nr. 31

Beetje donker die foto die J.W. Gerstenhauer Zimmerman gemaakt heeft van de praal- of zegewagen nr. 75 uit de allegorische optocht ter gelegenheid van de spoor- en kanaalwerken op 9 juli 1867. Wat was er eigenlijk te zien op de ‘Zegewagen Kunsten en Wetenschappen’? Volgens de Feestwijzer waren er voorwerpen van kunst en wetenschappen aanwezig en verder veel symboliek.

‘Op de stralen zijn de namen van Nederland’s vermaarde mannen als die van de dichters Vondel en Tollens, van den beroemden geneeskundige Boerhaave, van den bouwmeester van Campen, van de kunstschilders Rembrandt en Koekkoek, van den waterbouwkundige Leeghwater, van den godgeleerde Desiderius Erasmus, van den ingenieur Schraver en van den beroemden acteur Andries Snoek’. 

Om met de laatste te beginnen: podiumkunstenaars, zeker als ze rond 1800 hun glorietijd hadden, zijn wel uit het collectieve geheugen gevallen. De combinatie Rembrandt – Koekkoek is er een uit verschillende divisies: B.C. Koekkoek, Middelburger, is veruit de beroemdste leerling van de Teeken Akademie, maar op gelijke hoogte? 

Waterstaatsingenieur Andries Schraver was ook een Zeeuw, maar een Schraverstraat heb ik niet kunnen vinden. En waar is Cats? Hij werd in de negentiende eeuw nog herdrukt! 

Detail titelpagina van de ‘Feestwijzer voor de viering van den aanvang der spoorweg en kanaalwerken op het eilande Walchere, te Middelburg op den 9 en 10 juli 1867’ – Altorffer, J.C. & W Middelburg, 1867

De Feestwijzer gaat over op de Middelburgse verenigingen.

‘De pijlers dragen schilden, waarop de namen van instellingen ter dezer stede als: Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, Natuurkundig Gezelschap, Middelburgsche afdeeling der maatschappij V.W. en het muziekgezelschap ‘Uit Kunstliefde.’ De draperieën zijn beschilderd met de symbolen van kunst en wetenschap; in het midden een schild met het opschrift ‘Toonkunst’, en aan de andere zijde een schild met het opschrift ‘Muziekgezelschap Uit kunstliefde’, terwijl aan het begin van den wagen een schild met de opschriften ‘Teeken-akademie en Industrieschool’ en aan de keerzijde ‘Tot oefening en uitspanning’ en ‘Koraalvereeniging’.

De Teeken Akademie en de wetenschappelijke clubs bestaan nog, net als de de zangvereniging Tot Oefening en Uitspanning uit 1834, die inmiddels net als het Genootschap Koninklijk is. Al vroeg was er een verband met de landelijke Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst (1829) die in Middelburg een afdeling had. De Koraalvereeniging was een initiatief uit 1864 van Toonkunst en wilde het koraalgezang dwars door alle kerkgenootschappen bevorderen, inclusief de israëlitische gemeente. De landelijke MBT bestaat nog, maar de Koraalvereeniging lijkt in de verzuiling ten onder gegaan. De orkestvereniging Uit Kunstliefde stamde uit 1826 en concerteerde vanaf 1839 in de concertzaal aan de Groenmarkt (Abdij). Met het overlijden van de stadsmuziekmeester Willem Remigius Ceulen (1806-1868) die de leiding had, verliep de vereniging. 

Blijft nog de Maatschappij V.W. Rond deze vereniging hing veel geheimzinnigheid, zoals ook rond de vrijmetselaarloges. Opgericht in 1806 in Amsterdam, kwam er in 1818 een Middelburgse afdeling die waarschijnlijk met de moederinstelling rond 1902 of al eerder werd opgeheven. De latere naam Kunst en Wetenschap bevorderende Maatschappij V.W. onder de zinspreuk Vooruitgang door Wetenschap geeft wel enig inzicht in de bedoelingen, al liet men de wetenschappen graag aan het Genootschap over. In Middelburg waren vooral middenstanders lid, die hier hun eigen service-club met een cultureel randje hadden, nota bene gedurende lange tijd in de bovenzaal van Sociëteit De Vergenoeging aan de Grote Markt, ook zo’n trefpunt voor het o zo gelaagde Middelburg.

Arnold Wiggers

uit de ‘Feestwijzer voor de viering van den aanvang der spoorweg en kanaalwerken op het eilande Walchere, te Middelburg op den 9 en 10 juli 1867’ – Altorffer, J.C. & W Middelburg, 1867

De ‘trein’ van 9 juli 1867 door Gerstenhauer Zimmerman

De komst van de spoorlijn naar Vlissingen en de daarbij horende kanaalwerken (Kanaal door Walcheren) bracht in 1867 een boel opwinding in de Zeeuwse hoofdstad. Eindelijk, hoopte men, zou de welvaart terugkeren! De verwachtingen waren hoog gespannen. De Vereeniging tot het regelen en bevorderen van volksvermaken organiseerde een allegorische optocht om het glorierijke verleden en de ongetwijfeld zonnige toekomst te symboliseren. Een twaalftal versierde wagens met zinnebeeldige voorstellingen (en de nodige reclame) trok, afgewisseld met ruiters, vaandels en enkele open rijtuigen met iedereen die belangrijk was, door de stad. Jan Wendel Gerstenhauer Zimmerman (1816-1887) heeft er een fraaie tekening van gemaakt, die in kleur -steendruk- te verkrijgen was als uitslaande plaat in een uitgave van Altorffer. Een uitsnede staat in ‘Om prijs en plaats’ p. 131, waar het onderschrift blijkbaar weggevallen is. 

Allegorische Optocht, gehouden te Middelburg den 9n Juli 1867, ter gelegenheid van de start van de spoorweg- en kanaalwerken op Walcheren. Ingekleurd, steendruk van J. W. Gerstenhauer Zimmerman, 1867 – Zeeuws Archief, HTAM H-6

Gerstenhauer Zimmerman was op uitnodiging van de Teeken Akademie naar Middelburg gekomen om (portet)schilder- en tekenlessen aan huis te geven. Blijkbaar was er met het vertrek uit Middelburg van de gebroeders Pouwelsen een voelbaar gebrek aan docerende schilders ontstaan. De Teeken Akademie zelf voorzag immers niet in schildercursussen. December 1861 vestigde hij zich aan de Kinderdijk. Zijn benoeming aan de Teeken Akademie volgde in 1862, waar hij als opvolger van Jacobus Pelgrom tekenen naar pleister doceerde. Daarnaast bleef hij thuis tekenlessen verzorgen, voor jongemannen en jongejuffrouwen afzonderlijk -uiteraard-, zo adverteerde hij.

Middelburgsche Courant, 10 december 1861, pg. 3 – Krantenbank Zeeland

Een aantal getekende portretten en tekeningen van gebouwen van zijn hand werden via steendruk vermenigvuldigd, waardoor hij ook als lithograaf bekend staat. Vanaf 1865 begon hij professioneel te fotograferen, want in maart van dat jaar opende hij een portretfotoatelier, zo liet hij in de Middelburgsche Courant weten. Bij zijn verhuizing naar de Seisdam in 1868 waarschuwde hij zijn clientèle dat hij de clichés uit 1866 en 1867 ging opruimen, dus men kon zijn slag slaan voor een laatste afdruk. Voor de negatieven valt het ergste vrezen … In dat eerste jaar volgde ook zijn benoeming als tekenleraar aan de nieuwe Burgeravondschool, de opvolger van de Teeken Akademie. Met zijn camera heeft Gerstenhauer Zimmerman op Walcheren vele, nu verdwenen gebouwen vastgelegd. Ook tijdens de optocht op 9 juli 1867 heeft hij gefotografeerd. Vermoedelijk heeft hij alle 12 ‘zegewagens’ op de foto gezet. Van 8 resteren in het Zeeuws archief nog exemplaren. Gezien de steendruk van de optocht zou hij deze vast graag dynamischer hebben willen vastleggen als dat technisch gekund had. Nu moest hij voor beweging en overzicht teruggrijpen op het aloude, maar fascinerende tekenen. Na in 1870 naar de hoek Koepoortstraat-Zuidsingel verhuisd te zijn, trok hij in 1871 verder naar Rotterdam waar hij zijn atelier voortzette. Zou hij voorvoelt hebben dat de infrastructurele werken op Walcheren toch niet dat succes zouden worden wat men ervan gehoopt had?

Tekst Arnold Wiggers, beeldonderzoek Arnold Wiggers en Liesbeth Labeur

Een fotografisch zelfportret van J. W. Gerstenhauer Zimmerman staat in:
Adri Verburg en Josephine van Bennekom, In Zeeuws licht gevangen. Fotografie in Middelburg 1842-1870 (Middelburg 1994) p. 53

Zegewagen 75 Kunsten en wetenschappen uit de Allegorische Optocht, gehouden te Middelburg den 9n Juli 1867, ter gelegenheid van de start van de spoorweg- en kanaalwerken op Walcheren. Albuminedruk 90 x 50 mm (carte-de-visite). J. W. Gerstenhauer Zimmerman, 1867 – Zeeuws Archief Verzameling Beeld en Geluid, inv. nr. 380-381 nr. 31, geraadpleegd dd. 6 aug. 2021
Concordans tussen nummers van de ‘Zegewagens’ in Feestwijzer voor de viering van den aanvang der spoorweg en kanaalwerken op het eiland Walcheren, te Middelburg op den 9 en 10 juli 1867, z.p., z.j., (nummers ook vermeld in: G.N. de Stoppelaar, De Zeeuwsche spoorwegfeesten, Middelburg 1867. In beide werken ook een korte beschrijving van alle elementen van de allegorische optocht) en de foto’s van J.W. Gerstenauer Zimmerman (ZA Verzameling Beeld en Geluid, inv. nr. 380-381). Vergelijk ook de steendruk van Gerstenhauer Zimmerman, aanwezig in ZA, Historisch Topografische Atlas Middelburg H6, geraadpleegd dd. 6 aug. 2021
Zegewagen 26 Zeevaart MCC uit de Allegorische Optocht, gehouden te Middelburg den 9n Juli 1867, ter gelegenheid van de start van de spoorweg- en kanaalwerken op Walcheren. Albuminedruk 90 x 50 mm (carte-de-visite). J. W. Gerstenhauer Zimmerman, 1867 – Zeeuws Archief Verzameling Beeld en Geluid, inv. nr. 380-381 nr. 24

Een journalist vraagt zich af

Kunstmuseum in Schuttershofstraat 1887, vervaardiger onbekend – Beeldbank Zeeland

‘Nu door het nieuwe schilderijen-museum in het Schuttershof zoowel als door de oprichting der Kunstclub (waarvan Schütz een der ijverigste leden was) meerder opgewekt leven op dit gebied der kunst zich gaat openbaren, zou de vraag overweging verdienen, of de fondsen der zoogenaamde Teeken-academie, dat hoofd zonder romp, niet praktischer zijn te gebruiken dan door ze jaar in jaar uit te laten vermeerderen. En dan: hoe moet ’t gaan, wanneer eenmaal niet meer eenige welwillende en nauwgezette heeren zich aanbieden om de zaken der schijndoode waar te neemen?’

Hier spreekt de journalist W.N.F. Sibmacher Zijnen (1859-1926), Middelburger van geboorte, in een noot in zijn necrologie van Jan Frederik Schütz (1817-1888) in de Middelburgsche Courant. Schütz behoorde tot een van de bekendste leerlingen van de Teeken Akademie en Sibmacher Zijnen meende dat hij de lezers in 1888 -ruim 20 jaar nadat het onderwijsgeven gestaakt was- nog eens moest uitleggen in een soort terzijde in het artikel wat dat ook alweer was: Teeken Akademie. Dat doet hij verdienstelijk. Helemaal nauwkeurig is hij overigens niet, want hij laat de Teeken Akademie van de Stads-Waag op de Balans meteen naar de St. Pieterstraat verhuizen, waartussen toch echt de periode in het Museum Medioburgensis in de Latijnse Schoolstraat (1787-1840) zat. 

De vraag wat de Teeken Akademie zou kunnen doen, nu het geen onderwijs meer verzorgde, werd niet voor het laatst gesteld. Wat hebben de dirigerende leden niet al voor initiatieven ontplooid sindsdien? Beurzen, kunstprijzen, projecten voor scholen, een prachtig boek en nu de Stadstekenaars. Het kapitaal heeft niet voor niets gerendeerd!

Middelburgs Kunstmuseum gezien richting Schuttershofstraat, T. Kannegieter, 1964 – Beeldbank Zeeland

Met het Kunstmuseum in het Schuttershof is het vanaf het begin in 1888 tot de opheffing in 1961 hangen en wurgen gebleven. Het begon al met het gebouw, waarvan het lekkende glazen dak steeds weer problemen gaf. De organisatie liet ook te wensen over: de openstelling was minimaal en in de zalen vonden ook andere activiteiten plaats, die het nodige ongewenste gesjouw met de stukken met zich meebracht. Doorslaggevend in de mislukking was de programmering: het ontbrak aan spraakmakende kunst in eigen bezit en wisseltentoonstellingen. Het schilderijenbezit van de Teeken Akademie werd er in 1902 maar weggehaald en verkocht. Dat laatste was wellicht niet het meest doordachte. De ‘Kunstclub’ in het artikel heette officieel de Kunstvereeniging, waarover verder weinig bekend is, wat te denken geeft. Nee, dan die ‘welwillende en nauwgezette heeren’: die bleven zich aanbieden en met Inge Garschagen in 1980 kwam ook de eerste vrouw in het bestuur. Schijndood? Op naar de 250.

Arnold Wiggers

De portefeuille in het hart

Om prijs en plaats’ De Middelburgse Teeken Akademie 1778-2003 (Middelburg 2004) heeft in het hart de voor- en achterkant van een portefeuille, uitgereikt op 24 juli 1844. In het Zeeuws Archief wordt in de Verzameling Noordhoek-Lievense een map met tekeningen van Johannes Jacobus Lievense en mogelijk zijn zoon Cornelids bewaard. In het boek lijken map en inhoud een eenheid, maar is dat ook zo? Twijfelachtig, want Lievense komt in 1844 niet voor tussen de opsomming van prijswinnaars in de Middelburgsche Courant. Hoe zit dit? 

Wie was Johannes Jacobus Lievense? Geboren in 1806 in Middelburg als zoon van de apothekersassistent Evert Lievense en Margrieta van den Broeke kreeg hij in 1826, 1827 en 1828 de eerste prijs naar prent in de derde, tweede en eerste klas van de Teeken Akademie. Het jaar daarop ronde hij opnieuw met een eerste prijs in de eerste klas naar pleister zijn basisopleiding af. Er volgde nog een prijs voor ‘doorzigtkunde’ in 1832 en in 1836 een prijs voor een oefening naar een spierman. Hij was toen al getrouwd met Susanna Vlieger uit Vrouwenpolder. In de trouwacte heette hij schilder van beroep. Naast het werk in de portefeuille is er niet veel werk van hem bekend. Zo af en toe duiken er typisch negentiende-eeuwse verdienstelijke schilderstukjes op.

Uit zijn tweede huwelijk met Maria Frederika van de Woestijne kwamen onder anderen Cornelis en Johanna Marghrieta voort. Cornelis werd onderwijzer en huwde Louisa Sanders, de dochter van de burgemeester van Heille, in Sluis. Hij was daar hoofd van een bijzondere school en kon ook goed tekenen. Mogelijk zit er ook werk van hem in de map. Ook Johanna Marghrieta zocht het hogerop. Zij huwde Nicolaas Johannes Bastmeijer, tussen 1870 en 1920 hoofdonderwijzer te Bruinisse. Zijn naam staat op een etiket in de map die op het archief wordt bewaard. Een dochter uit het gezin trouwde met J.C. Noordhoek, waardoor de lijn Lievense-Noordhoek duidelijk is. 

Aanschouwing van de map in het archief maakt in een oogopslag duidelijk dat de samenstellers van het boek uit 2004 een Teeken Akademie portefeuille met een representatieve inhoud van een gewone negentiende-eeuwse kunstmap hebben gecombineerd. Het hart van het jubileumboek bestaat uit de voor- en achterkant met de mooie binnenkanten van de portefeuille van Hendrik Pieter Dormaar, waartussen de tekeningen van Lievense zijn geplaatst. Vooruit, voor een feestuitgave mag het. Je moet ook niet alles geloven wat gedrukt of gedigitaliseerd is …

Arnold Wiggers

Voorzijde portefeuille Johannes Jacobus Lievense 1844 – Teeken akademie Middelburg
Knielende man met vaas, tekening naar prent, in zwart krijt, 33 x 42 cm, Johannes Jacobus Lievense, 1830 – Zeeuws Archief, verzameling Noordhoek-Lievense
Voorzijde portefeuille Hendrik Pieter Dormaar 1844 – Teeken akademie Middelburg zoals gebruikt in het boek ‘Om prijs en plaats’

Een grote portefeuille voor een klein prijsje

De jaarlijkse vergaderingen van de Teeken Akademie met de prijsuitdelingen en de exposities waren belangrijke momenten in het openbare Middelburgse leven. Uiteraard was de stad als een van de subsidiënten vertegenwoordigd door een of meerdere heren van stand. Die vonden in de vergaderzaal onder de dirigerende leden -het bestuur- nogal eens standsgenoten. Als de vergadering aanstaande was, werd dit enkele keren in de kolommen van de Middelburgsche Courant gemeld, met als sluitstuk een verslag van de bijeenkomst en de namen van de prijswinnaars, van hoog naar laag.

Er was immers een door de koning beschikbaar gestelde grote en een kleine medaille te winnen, naast nog wat aanmoedigingsprijzen uit het fonds nagelaten door Daniel Steven Schorer. Dit alles naast de boeken die de Akademie zelf verdeelde. Magere en vette jaren zullen zich afgewisseld hebben, wat zich vertaalde in duurdere en minder dure boeken. In het begin werden de hoogste prijzen ook nog in extra luxe banden gebonden, na 1800 trad er een versobering qua materiaalkeuze op. 

Het kon altijd nog iets goedkoper. Tussen 1842 en 1845 zijn er minstens vijf portefeuilles uitgedeeld als prijzen. Van drie van deze prijzen weten we dat ze zijn uitgedeeld als prijs in de laagste klassen naar prent: de beginnende jongens op school. Op zichzelf best indrukwekkende mappen waar de leerlingen hun tekeningen goed en handig in konden vervoeren en bewaren. Mooie zijden linten, het bekende Vernuft en Vlijt-medaillon in leer op de voorkant en een pendant met de datum op de rug. Leer kwam er verder niet aan te pas: de kartonnen mappen werden beplakt met gemarmerd papier, waarin bruin de hoofdkleur is. Bij opening was daar de bekende geschreven opdracht en overheerste blauw marmerpapier. 

Hendrik Pieter Dormaar (1826-1893) kreeg 24 juli 1844 zo’n map als ereprijs in het tekenen in de vierde klasse naar prent. Hij zal hem zijn leven lang bewaard hebben, want nu nog, terwijl hij in de kluis van ZB|Bibliotheek van Zeeland ligt, bevat de portefeuille officiële stukken van Dormaar, doch geen tekeningen. Wellicht heeft hij na de Teeken Akademie niet zo veel meer getekend. In zijn werkzame leven was hij net als zijn vader passementwerker, wat vermoedelijk betekende dat hij uniformen en andere kostuums vervaardigde met veel tressen, kwasten en ander frutselwerk voor hoogwaardigheidsbekleders. Een jaar later was er weer een map voor Hendrik Pieter als ereprijs naar prent in de derde klasse, die de tand des tijds goed heeft doorstaan en ook in de ZB is. Al in 1842 had hij een prijs gewonnen als de beste in de vijfde klasse bouwkunde. In de opsomming in de krant was hij hekkensluiter. Het is onbekend waaruit de prijs bestond, maar de winnaar uit de vijfde klasse naar prent, Hendrik van Nederveen, ontving … een portefeuille. 

Arnold Wiggers

Voorzijde portefeuille Hendrik Pieter Dormaar 1844 – Teeken akademie Middelburg
Oor naar prent, een tekening van Hendrik van Nederveen, 1845 – Teeken Akademie Middelburg
Geschreven opdracht binnenzijde portefeuille Hendrik van Nederveen, 1845 – Teeken Akademie Middelburg