De familie Geijp: (kunst)schilders

Adriaan Marinus Geijp (1855-1926) was een zeer productief kunstschilder. Met regelmaat duikt er werk van hem op bij veilinghuizen en op veilingsites. Geboren in Middelburg vertrok hij rond 1880 met vrouw Margaretha Jenneke Kautz (1855-1917) en 2 kinderen naar Den Haag, waar hij tot zijn dood bleef werken. Daar werden nog 12 kinderen (bron Wiewaswie.nl) geboren. Bij zijn overlijden waren van deze 14 kinderen nog 3 in leven. Elders is zelfs sprake van in totaal 17 kinderen, waarvan er 3 de pensioengerechtigde leeftijd bereikten. 

Mijn oog viel op een ‘Gezicht op Middelburg’ dat onlangs op verschillende veilingsites opdook. Oordeel zelf. Er mag veel verdwenen zijn in Middelburg, doch dit heeft er nooit gestaan. Een snelle beschouwing van zijn werk laat veel sfeer-werk zien, wat gezien zijn productie voor de handel ook verklaarbaar is. Traceerbare situaties zijn er nauwelijks of niet, waardoor het werk beter verkoopbaar was.

Dan was er ook nog de mededeling dat hij lessen op de Teeken Akademie in Middelburg zou hebben gevolgd. Gezien zijn geboortejaar en de sluiting van de academie in 1867 kan dit hooguit het laatste seizoen 1866-1867 zijn geweest. Mogelijk heeft hij tekenlessen gevolgd aan de Burger Avondschool die vanaf 1867 in het gebouw aan de St. Pieterstraat van start ging. 

Adriaan (of André) geldt vooral als autodidact, wat enige nuance behoeft. Schilder- en tekentalent zat in de familie. Zijn vader Johan Frederik Geijp (1813-1892) was schilder en had de Teeken Akademie in 1831 afgesloten als beste in de hoogste klas tekenen naar pleister. Daar zal hij les hebben gehad van onder anderen zijn eigen vader Johan Godfried Geijp (1776-1848), waarover later meer. Deze grootvader van Adriaan had een eigen zaak, waar zijn zoon Johan Frederik behalve de grove kwast ook het penseel voor decoratief werk zal hebben gehanteerd. Huwen deed Johan Frederik in 1842 in Zierikzee met de aldaar geboren Wilhelmina van Sas (1817-1888). Het paar vestigde zich in Middelburg. Opmerkelijk feitje is nog dat ze het in de zomer van 1859 aan de stok kreeg met ene Maria Kuijpers, wat resulteerde in een veroordeling tot een boete van ƒ 3. 

Johan Frederiks iets jongere neef, Jacobus Geijp (Middelburg 1814- Veere 1902) was ook schilder, opgeleid aan de Teeken Akademie, waar ook hij van Johan Godfried Geijp, zijn oom, les zal hebben gehad. Jacobus was primus in de hoogste klas naar prent in 1834, waarna hij de academie zal hebben verlaten. 

Jacobus begon in februari 1844 een eigen zaak in de Kapoenstraat B 34, liet hij zijn stadgenoten in de krant weten, met daarachter: ‘jongen nodig’. In mei liet hij, opnieuw per advertentie, weten dat hij met Petronella Meeuse (Middelburg 1812-Veere 1891) getrouwd was. Hoewel haar geboorteakte in Middelburg is opgemaakt, komt ze in de burgerlijke stand verder voor als Koudekerkse. In juli 1868 verhuisde het gezin naar Veere, nadat zijn zaak in de Middelburgse Kapoenstraat (nu A 18) sinds mei 1867 voor rekening van een viertal firmanten, waaronder Jacobus, werd voortgezet. Hoe dat precies zat, is onduidelijk.

Tekeningen, decoratiewerk of schilderijen zijn noch van Johan Frederik, noch van Jacobus bekend. Als zij al vrij werk maakten, blijft het gissen wat zij vastlegden. Van Adriaan Marinus is er te kust en te keur. 

Arnold Wiggers

Adriaan Marius Geijp (1855-1926), ‘Gezicht op Middelburg’

Stadstekenaars Middelburg, 11 juni 2023

“De vaas!” zegt Luna en ze gaat op het kanon zitten. Haar vader komt naast haar zitten, ze hebben allebei een strohoed op. “Vandaag tekenen we de vaas.” We zijn op het Abdijplein in Middelburg. Ik spreek de Stadstekenaars van Middelburg, vader Richard en dochter Luna Dijkwel. 

Luna en Richard Dijkwel, Stadstekenaar van Middelburg, in actie op het Abdijplein – foto L. Labeur

Luna bladert door haar boekje, op zoek naar een leeg vel. In haar hand heeft ze een fineliner.  “Met dikte 1 kan je het lekkerst tekenen,” vertelt ze. “Thuis teken ik met potlood, dan heb ik een tafel. Maar hier is het tekenen met een pennetje het fijnst.” 

Ze laat tekeningen uit haar schetsboek zien en legt ze naast de tekeningen van haar vader. “Kijk, hier waren we bij de Gistpoort, en daar het Lulgebouw. Die heb ik in 3D getekend.” Vader en dochter tekenen steeds samen hetzelfde. Dat levert een boeiend dubbelperspectief op. 

En vandaag tekenen ze dus gezamenlijk de vaas op het Abdijplein. Het was ooit een waterpomp, zo vindt Luna uit. Ze tekent daarom nog twee rondjes. Eentje voor de hendel en eentje waar het water uit kwam.

Luna Dijkwel, een van de Stadstekenaars van Middelburg, in actie – foto L. Labeur
Luna Dijkwel, een van de Stadstekenaars van Middelburg, in actie – foto L. Labeur
De resultaten van vandaag, de vaas op het Abdijplein – foto L. Labeur
Tekeningen van het Lulgebouw van de Stadstekenaars van Middelburg Richard en Luna Dijkwel – foto: L. Labeur
Tekeningen van de Gistpoort van de Stadstekenaars van Middelburg Richard en Luna Dijkwel – foto: L. Labeur

Portret van meester Meertens

A.G. van Prooijen, Abraham Meertens, 1815. Tekening ca. 10 x 10 cm
Zeeuws Genootschap, schenking Velhorst, 2023
A.G. van Prooijen, Abraham Meertens, 1815. Tekening ca. 10 x 10 cm Zeeuws Genootschap, schenking Velhorst, 2023

Een van de medeoprichters van de Teeken Akademie in 1778 was Abraham Meertens (1747-1823). Tot aan zijn dood bleef hij ook als tekenmeester aan de academie verbonden, naast zijn werkzaamheden als kunst- en behangselschilder. Volgens een lijkdicht moet hij een echte kindervriend en een populaire leraar zijn geweest. 

Hoewel over zijn persoonlijke leven niet veel bekend is, lijkt het erop dat Abraham Meertens (hij noemde zich lang Abraham Junior) zelf geen nageslacht had. In 1797 komt hij in een telling voor als 51-jarige weduwnaar. Gegevens over dit huwelijk ontbreken, zelfs de naam van de partner blijft verborgen. In 1803 trad de toen 56-jarige Abraham opnieuw in het huwelijk. Op 29 mei 1803 ging hij in ondertrouw met Elisabeth Jacoba Scheffens (ook Scheffers) (ca. 1772-1862), wat wel betekend zal hebben dat er in juni getrouwd is. Bij het opmaken van de boedel ten behoeve van de successie in 1824 is de veel jongere weduwe zijn universele erfgename en erft zij het huis aan de Wal. Van kinderen, ook uit een eerder huwelijk, is dan geen sprake. Opmerkelijk is de waarde van de schilderijen en tekeningen die op ƒ 270 getaxeerd werd. Best een bedrag, gerekend naar ƒ 900 waarop het huis werd geschat. Mogelijk was ‘liggende Brakhond, bij eenig dood Wild’ ook nog in het huis op de Wal. Het schilderij was in 1828 tijdens de expositie ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan in het academiegebouw Museum Medioburgensis te zien. 

Frederik Nagtglas weet in zijn Levensberichten van Zeeuwen te melden dat de Teeken Akademie een portret van hem bewaarde. Niet lang na het verschijnen van dit naslagwerk, in juni 1893 verkocht het bestuur het gebouw in de Lange Sint Pieterstraat, waarna het voortvarend ontruimd moest worden. De gemeente wilde voor de start van het nieuwe schoolseizoen in de winter nog wat verbouwingen doorvoeren. Het Zeeuws Genootschap had in het nieuwe museum (sinds 1888) aan de Wagenaarstraat nog voldoende ruimte en wat als Zeeuws geclassificeerd kon worden verhuisde daarnaartoe. De meest kostbare schilderijen zouden als niet-Zeeuws in Amsterdam in 1902 verkocht worden. Toch is in de collectie van het Genootschap het portret van Meertens niet te vinden. Onduidelijk is ook wat het geweest is: een schilderij of een tekening en door wie?

Bij de schenking van Erik Velhorst aan het Genootschap dit voorjaar is een getekend portretje van een heer in een ovalen lijstje achter glas. De zichtmaat is maximaal 9 x 7 cm. In 1989 is het oude etiket verwijderd en de achterkant opnieuw dichtgeplakt. Alleen de originele datering, 1815, is bewaard gebleven. De tekst van de oorspronkelijke achterkant is opnieuw als volgt genoteerd: ‘Meester Mertens. Getekend door A.Z. van Prooijen’. De tekenaar moet Adriaan Gerrit van Prooijen (1796-1854) zijn geweest, die in 1815 zijn opleiding aan de Teeken Akademie afsloot met de zilveren medaille als hoogste onderscheiding in de tekenkunst. Zou hij uit erkentelijkheid zijn tekenleraar Abraham Meertens hebben getekend? Een (school)meester Mertens of een andere onderwijsgevende Meertens is in die tijd in de wijde omtrek van Middelburg niet te vinden. Abraham Meertens heeft hiermee een gezicht gekregen. 

Arnold Wiggers

De inschrijving voor de de Stadstekenklas 2023/2024 is geopend. 

De Teeken Akademie is op zoek naar een klas uit de midden- of bovenbouw van het basisonderwijs op Walcheren die graag tekent. Bedoeling is dat de leerlingen in drie fasen gedurende het schooljaar 2023-2024 hun visie op wat Middelburg is in tekeningen vastleggen. De tekeningen worden gepubliceerd en aan het eind van het jaar geëxposeerd. Uiteindelijk vinden de tekeningen een plek in het archief waar ze voor iedereen in te zien zijn en tot in lengte van dagen bewaard blijven.

De Teeken Akademie kent een lange traditie van bevorderen van de tekenkunst. Vanaf 1778 werden door de Akademie tekenlessen naar prent, naar gipsen beelden en naar levend model gegeven. In een moderne versie betekent dat een les aan de hand van bestaande prenten, een les in het Zeeuws Museum waar nog originele pleisterbeelden zijn en een les in de open lucht ‘naar het model Middelburg’, verzorgd door docenten, aangezocht door de Teeken Akademie.

Klassen kunnen zich aanmelden via het inschrijfformulier. Inschrijven kan tot 15 september 2023. Een vakkundige jury zal na de zomervakantie uit de aanmeldingen de Stadstekenklas van het jaar aanwijzen.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met A. Wiggers, info@teekenakademiemiddelburg.nl

Stadstekenklas 2022/2023 – foto L. Labeur

Erfgoed veiliggesteld

A. G. van Prooijen, Portret van Adriana Wisse (ca. 1766-1831). Tekening, in lijst achter glas – Aanwinst KZGW 2023

Het is mooi als familiestukken doorgegeven kunnen worden aan een volgende generatie. Wat als die er niet is of er geen belangstelling voor heeft, ook als het oudste stuk van ruim 250 jaar geleden dateert? Wanneer het materiaal geografisch dan ook nog wat uit de richting is geraakt, dreigt het nogal eens einde oefening te worden. Zo niet bij Erik Velhorst. Hij heeft voor het Zeeuws erfgoed dat bij hem in de Achterhoek terecht gekomen was, via de Teeken Akademie een goed onderkomen gevonden. 

Een blog in september 2022 over de graveur Adriaan Gerrit van Prooijen (1796-1854) vormde de verbinding. In de familie Velhorst was sedert lang een ingelijst portretje van een oudere vrouw, getekend door Van Prooijen. Op het stuk was in de loop van de tijd een etiket geplakt dat het ‘grootmoeder Jannetje Wisse Ao 1818 Huisvrouw van Meester van Prooijen’ voorstelt. Met de meester wordt Cornelis van Prooijen bedoeld, schoolmeester van Wissenkerke die daar tussen 1784 en zijn dood in 1810 de kinderen onderwijs gaf. Officieel heette zijn wederhelft Adriana Wisse. Ze werd rond 1766 geboren, werd moeder van drie kinderen, waarvan Adriaan Gerrit de middelste was, en stierf in Middelburg in 1838.

Het etiketje is dus door de volgende generatie achter op het lijstje geplakt. Vermoedelijk was dat Johanna Jozina (1822-1908) de oudste dochter van Adriaan Gerrit en Neeltje Gerardina Blaaubeen. Eventueel kan het ook haar enige broer, de militair Marinus Johannes Pieter (1824-1865) geweest zijn. Beiden hebben zich gedurende hun leven, maar niet tegelijk, in Doetinchem gevestigd: Johanna Jozina, sinds 1845 weduwe Leonardus Christiaan Herklots, kwam in 1866, mogelijk omdat haar schoonzuster Lousa Gerardina van Prooijen-Bruijn in augustus 1865 ook alleen was komen te staan. Ze vestigde zich samen met haar dochter Anna Petronella in de stad aan de Oude IJssel. Die laatste kwam al in december te overlijden, 22 jaar oud, waarna Johanna Jozina de laatste nakomeling van de graveur was. 

Hoe kwam het portret van Adriana van Prooijen-Wisse nu in de familie Velhorst terecht? 

Er loopt een lijn van de familie Velhorst naar de Zeeuwse familie Rispaljé, van wie telgen in de loop van de 19e eeuw ook naar Doetinchem trokken. Een familierelatie met Van Prooijen was er niet. De Zeeuwse afkomst, de Hervormde kerk of wellicht het feit dat Marinus van Prooijen officier van gezondheid was en Gerrit Verschuur, echtgenoot van Francina Johanna Rispaljé, apotheker, maken het aannemelijk dat er goede betrekkingen zijn ontstaan. 

Ook de Rispaljé’s waren ‘bewaarderig’: tussen de overgedragen stukken is een in 1772 uitgereikt prijsboekje en een poorters-eed uit Veere van 1797 om de oudste maar eens te noemen. De erfstukken Van Prooijen werden met het eigen materiaal door de jaren heen gekoesterd. Dat mogen nu Zeeuwse instellingen in naam van het Zeeuws Genootschap gaan doen.

In 1828 was op de tentoonstelling bij het 50-jarig bestaan van de academie ‘Een oude vrouw, in zwart krijt, (naar G. Douw)’ van Van Prooijen te zien. Het portretje van Adriana Wisse kan hier niet mee bedoeld zijn. Weliswaar konden vrouwen van 52 er destijds best oud uitzien, het werk is in ‘craion’ (tekenpen) en de houding is anders dan bij de gekende geschilderde dames op leeftijd van Gerard Dou. Met het portretje van zijn moeder is nu ook een tekening van Teeken Akademie-leerling Adriaan Gerrit van Prooijen in een openbare, Zeeuwse bewaarplaats. 

Arnold Wiggers

Achterzijde A. G. van Prooijen, Portret van Adriana Wisse (ca. 1766-1831) – Aanwinst KZGW 2023

Prinses Marianne

Jan van Ouwerkerk, Het raderstoomschip ‘Prinses Marianne’, 1825 – Maritiem Museum Rotterdam
Jan van Ouwerkerk, Diptiek, voorstellende zicht op de ‘Keeten’, 1839 – Stadhuismuseum Zierikzee

Het stoomschip ‘Prinses Marianne’ door Jan van Ouwerkerk

Waar zijn ze gebleven, de zee- en stroomgezichten van Jan van Ouwerkerk (1774-1866)? Dat vroeg ik in een vorig blog. Flossie van Ouwerkerk weet er minstens een te hangen: in het depot van het Stadhuismuseum Zierikzee. Contact met het museum leverde niet 1, maar zelfs 2 schilderijen van Van Ouwerkerk op. Of toch weer niet helemaal, want de twee stukken worden beschouwd als een eenheid, een diptiek. Zoeken op Ouwerkerk in het onlinebestand van het Stadhuismuseum leverde mij geen treffer op. Bij zoeken op ‘diptiek’ verschijnen de doeken, met een uitgebreide beschrijving van het afgebeelde: een keur aan vaartuigen op Het Keeten, met linksonder Zierikzee. Het werk blijkt zelfs op zaal te hangen. Is de hoogte (156 cm) van beide delen gelijk, de breedte is dat niet. Mogelijk is het ooit een geheel geweest en heeft het met z’n ruim 4 meter de beleving van het ruime sop in de woonkamer gebracht.

Hoewel niet op de voorgrond, staat de ‘Prinses Marianne’ op het linkerdeel letterlijk centraal: een op 7 april 1825 bij de werf Hollandia van Cornelis van Zwieten in Amsterdam van stapel gelopen raderstoomschip. Het werd in de vaart genomen als beurtschip van Middelburg op Rotterdam en vice versa. In 9 uur kon het stoomjacht de afstand tussen beide steden overbruggen, daarbij niet gehinderd door tegenwind, zoals hier, waar het op weg is naar Middelburg.

De kans is groot dat Van Ouwerkerk de compositie in zijn atelier heeft opgezet, al was het maar omdat met een zee zoals afgebeeld het schetsen aan dek niet mee zal vallen. Bovendien had hij de ‘Prinses Marianne’ al eens eerder geschilderd. Immers, we weten dat op de jubileumtentoonstelling van de Teeken Akademie in 1828 een ‘Prinses Marianne in woelig water’ gehangen heeft. 

Op de website van het Stadhuismuseum wordt verwezen naar het Maritiem Museum Rotterdam, waar ook een schilderij van Van Ouwerkerk aanwezig is, getiteld ‘Het raderstoomschip “Prinses Marianne”’, dat wèl in depot hangt. Het schip op het Zierikzeese diptiek lijkt gekopieerd van dit scheepsportret, want ook hier vaart het in dezelfde uitmonstering naar links. De stad linksonder zou heel goed Veere kunnen zijn, zodat ‘Prinses Marianne’ dan zou opstomen naar het Havenkanaal van 1817. Het is uit de beschrijving niet duidelijk of de datering (1825) op het schilderij is aangebracht of afgeleid is van de tewaterlating van het schip. De kans is wel groot dat het hier hetzelfde scheepsportret betreft dat in 1828 in het Museum Medioburgensis heeft gehangen. 

Afgaande op de berichtgeving in de Middelburgsche Courant begon de ‘Prinses Marianne’ aan zijn beurtdiensten in augustus 1825. Het stoomjacht is in november 1832 uit de vaart gehaald, om in februari 1836 weer terug te keren. In juli 1839 lijkt het schip voor de beurtdienst afgedankt te zijn. Zou het diptiek in het Stadhuismuseum de laatste vaart van de ‘Prinses Marianne’ als beurtschip verbeelden? Nog eenmaal in 1842 komt het stoomjacht in de krantenkolommen voor en wel na een aanvaring bij Dordrecht. ‘Door den sterken bouw’ was de averij minimaal, meldt de krant met onverholen trots. Vanwege haar eigenzinnige levenswandel, doorstond de naamgeefster, prinses Marianne der Nederlanden (1810-1883), het jongste kind van koning Willem I, ook menig stootje. 

Arnold Wiggers

Met dank aan Flossie van Ouwerkerk voor het signaleren en Minke van Meerten en Albert Scheffers (Stadhuismuseum Zierikzee) voor de informatie.

Jong Zeeuws Tekentalent Kian Wisse ontvangt penning

Kian Wisse wint de Prijs voor Zeeuws Jong Tekentalent 2023 en daarmee ook een prijspenning – foto: Teeken Akademie

Het moet al snel ter tafel zijn gekomen, misschien wel op de oprichtingsvergadering op 1 oktober 1778 bij Van de Mandere thuis. Naast een motto ‘Vernuft en Vlyt’, had het Teeken Collegie (vanaf 1784 Teeken Akademie) wilden de heren ook een ‘cachet’. Een stempel om belangrijke stukken van een lakzegel te kunnen voorzien. 

Twee ideeën werden samengevoegd en uitgewerkt door tekenaar Jacob Perkois. Rechts staat een Genius in de gestalte van een ventje, want het genie moet nog groeien. Het vlammetje op zijn hoofd staat symbool voor bijzondere begaafdheid. Links zijn attributen afgebeeld die verwijzen naar tekenen, schilderen, beeldhouwen en de bouwkunde. Uiteindelijk zou het schilderen en beeldhouwen niet onderwezen worden; tekenen en de bouwkunde bleven de hoofdrichtingen. Op de achtergrond een stralende, opgaande zon boven de zee, zinnebeelden voor een fantastische toekomst, de voorwaarden zijn ervoor geschapen. In de onderrand een guirlande met het wapen van de stad. 

De stempel werd gesneden door J.M. Holtzhey, destijds verbonden aan de Zeeuwse Munt, die ook een tweede maakte met alleen letters. Van beide stempels zijn afdrukken bewaard. De lakzegels zijn op een bijzondere manier tot ons gekomen. De beste leerlingen ontvingen jaarlijks een prachtige boekband met aan de binnenkant van het voorplat een ‘cachet’: de boekbinder maakte in het midden een verdieping ter grootte van een penning, liet het vollopen met vloeibare rode zegellak en drukte daar het stempel in af. Het zegel werd met een mooi contrasterend groen rondje afgewerkt. 

In 1786 besloten de heren het ontwerp van de genius, de voorwerpen en de stralende zon in metaal uit te laten voeren. Stuk voor stuk met de hand gedreven maakte goudsmid J.W. Gericke in elk geval 3 exemplaren die in 1787, 1788 en 1789 uitgereikt zijn. Het exemplaar aan een breed zijden lint, in 1787 uitgereikt aan Simon de Koster, was in de Stadhuiscollectie en is in 1940 verloren gegaan. Hoe fraai ook, de gedreven medailles waren aan de dure kant. Geslagen medailles konden goedkoper geleverd worden en vervingen op den duur de zeer kostbare, in rood marokijn uitgevoerde boekbanden die er voor de primussen sinds 1780 geweest waren. Gerard Kockers, adjunct-stempelsnijder bij de Zeeuwse Munt, kreeg in 1790 de opdracht stempels te maken waarmee penningen konden worden geslagen. Helemaal van een leien dakje ging dat niet: de eerste stempels werden bij het verhitten beschadigd, waardoor de prijswinnaar Jan Baptist Ham in 1790 genoegen moest nemen met een mindere detaillering. Vanaf 1791 was de kwaliteit in orde. Nadat de eerste koninklijke penning in 1822 werd uitgereikt, werd de eigen penning als aanmoedigingsprijs ingezet.

Een penning is een duurzame herinnering aan een mooi moment in een jong kunstenaarsleven. Het dient als levenslang duwtje in de rug. Voor de Prijs Jong Zeeuws Tekentalent is teruggegrepen op de penning die in 1791 voor het eerst werd geschonken. De originele stempels bestaan nog en zouden in principe hergebruikt kunnen worden. Verhuisperikelen bij de huidige beherende instelling maakt hergebruik tot zeker in 2024 onmogelijk. Met behulp van het Zeeuws Genootschap (eigenaar), Zeeuws Museum (beheerder) en Familiefonds Hurgronje (subsidie) kon van een originele penning in Schoonhoven een mal gemaakt worden waaruit een prachtige penning is gekomen, die aan de keerzijde is voorzien van jaar en naam van de prijswinnaar Kian Wisse, alsmede de medeorganisator van de prijs, de Ridderschap van Zeeland. 

Arnold Wiggers

foto: Teeken Akademie

Kian Wisse is het jonge tekentalent

Persbericht

Prijs voor Zeeuws Jong Tekentalent 

Kian Wisse wint de Prijs voor Zeeuws Jong Tekentalent 2023 en daarmee ook een prijspenning – foto: Teeken Akademie

De door de Teeken Akademie en de Ridderschap van Zeeland ingestelde Prijs voor Jong Zeeuws Tekentalent kent voor de editie 2023 een winnaar: Kian Wisse. Een werkelijk jong talent, geboren in 2009. Hij is dit studiejaar begonnen aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunst in Oudenaarde en dus helemaal aan het begin van zijn opleiding (Grafiek Kunst) en ontwikkeling als kunstenaar. De jury bestaande uit Tamara Dees, Monica Dahlberg en Giel Louws zagen in zijn inzending voldoende kwaliteit om hem unaniem aan te wijzen.

De president van de Ridderschap jhr. J.H. de Jonge maakte de winnaar op het buiten Zeeduin in Oostkapelle bekend en overhandigde Kian een geldprijs van € 500. De Teeken Akademie heeft aan de winnaar een prijspenning uitgereikt naar een ontwerp uit 1778. Deze replica naar een penning zoals deze vanaf 1791 werd uitgereikt aan de beste leerling kon worden gemaakt in samenwerking met het Familiefonds Hurgronje.

Uit het juryrapport:

“Het werk van Kian Wisse is een voorbeeld van een heel jong talent, het kan op veel gebieden niet concurreren met de andere drie kandidaten die dit jaar inzonden. Aan de andere kant voldoet het perfect aan de vraag voor jong Zeeuws tekentalent. Het werk kan nog alle kanten op gaan, en dat heeft een risico in zich. Toch zijn het deze jonge uitingen die de jury het meest raakt, omdat het persoonlijk is, puur, en in een fase zit, dat stimulering van belang is.”

Zeeschilder Van Ouwerkerk

J. van Ouwerkerk Cz, Het jachtslot Ter Linde onder Ritthem. Naar een schilderij van Laurens Bernard (Zeeuws Museum, bezit KZGW) uit 1644 (volgens Van Ouwerkerk 1648). Op de achtergrond Vlissingen – Zeeuws Archief, KZGW ZI II-939

Wie een schilderij van Jan van Ouwerkerk (1774-1866) aan de muur heeft, heeft inmiddels best iets bijzonders. Jan van Ouwerkerk was een zoon van Pieternella Blaskens en beurtschipper Cornelis van Ouwerkerk. Hij zou zich zijn lange leven lang C[ornelis]z noemen, waardoor hij goed te onderscheiden is van andere Jannen met dezelfde achternaam. In 1794 werd hij de primus naar levend model aan de Teeken Akademie, waar hij ook zijn tekenopleiding gehad heeft. Hier moeten we geheel op Frederik Nagtglas’ Levensberichten afgaan, die meldt dat hij verschillende prijzen won. Overdag werkte hij in de behangselfabriek van Johannes Piepers, waar hij naar eigen zeggen van diens zoon Marinus (1771-1861) het schilderen heeft geleerd. Trouwde zijn vader driemaal, Jan liet het huwelijksbootje aan zich voorbijgaan, wat nog niet vanzelf ging. In 1804 beschuldigde een meisje hem de vader van haar kind te zijn, wat de aangeklaagde voor de Vierschaar in het stadhuis ontkende. Het werd hem geloofd, zowel door de rechtbank als de goegemeente. Hij zou tot op hoge leeftijd een geziene figuur in de stad blijven. 

De catalogi van de exposities die in die jaren 1822 en 1828 (vijftigjarig bestaan) in het gebouw van de Teeken Akademie werden ingericht met werk van (ex)-leerlingen bevatten ook werk van Jan. In 1822 hing er een schilderij ‘Eenig dood wild’ met nog drie andere waarop schepen te zien waren, wat zijn specialisme zou worden. Ook waren er 2 dorpsgezichten in Oost-Indische inkt. In 1828 was Van Ouwerkerk met 2 schilderijen vertegenwoordigd: ‘het stoomjacht Prinses Marianne in woelig water’ en een ‘Land- en waterzicht’. Merkwaardig is wel dat van de gelauwerde oud-leerling Marinus Piepers geen werk op deze tentoonstellingen hing, wat toch de vraag opwerpt in hoeverre deze handige ambtenaar nu wel echt een kunstschilder was. 

Jan van Ouwerkerk had in de Breestraat een eigen schildersbedrijf aan huis. In november 1829 bood hij zich in de Middelburgsche Courant aan voor het geven van ‘Privaat Onderwijs in de Teeken- en Schilderkunst’. In 1834 maakte hij de stap naar voltijds kunstschilder. Dat gaf nog enige deining: oud-Teeken Akademie leerling J.J. Lievense meldde in de krant van 13 mei van dat jaar dat hij de zaak van Van Ouwerkerk had overgenomen, waarop deze zich per advertentie haastte te verklaren dat dit een misverstand was. Lievense had slechts ‘Gereedschappen tot het Grove Werk behoorende’ overgenomen, ‘dewijl hij ondergeteekende zich voortaan meer wenscht te beperken bij het eigenlijke Kunstvak, en het geven van Lessen in de Teeken- en Schilderkunst’. 

Ook buiten Zeeland heeft Van Ouwerkerk geëxposeerd en genoot hij voldoende bekendheid om in 1840 een voorgedrukt informatieverzoek van Johannes Immerzeel jr. te ontvangen ten behoeve van een door hem uit te geven overzicht van kunstenaars. Hier voerde hij Marinus Piepers als leermeester op. Piepers was toen een belangrijke Haagse ambtenaar en wellicht heeft Van Ouwerkerk de invloed van Piepers op zijn kunnen wat aangedikt. Hoe het zij: Van Piepers is geen werk bekend en ook de zeestukken van Van Ouwerkerk zijn niet te vinden. Het blijft beperkt tot een tekening van het jachtslot Ter Linde onder Ritthem. En dat terwijl Nagtglas weet te melden dat zijn werk breed verspreid was in Middelburg. Toch eens op zolder kijken …

Arnold Wiggers

Door J. van Ouwerkerk Cz ingevuld formulier (1840) ten behoeve van J. Immerzeel jr, De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters … uitgegeven door zijn beide zonen (Amsterdam, 3 dln, 1842-1843) – Rijksmuseum Amsterdam

Piepers is de naam

Marinus Piepers en Gerardina Udemans, 1838. Tekeningen van L.A. Vintcent – Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort Recordnummers 1501 en 1502

Marinus Piepers (Middelburg 1771-Den Haag 1861) had beslist talent. Het is alleen de vraag: Waarvoor precies? Frederik Nagtglas zag het zo: ‘Zijn leven bewijst hoe men tot hoog aanzien kan komen met middelmatige talenten, maar gesteund door onvermoeiden werklust en onverdachte eerlijkheid’. Middelmatig? Mooi dat Marinus het in 1788 op de Teeken Akademie wel tot primus in het tekenen naar levend model heeft geschopt! 

Zijn basisopleiding zal hij bij zijn vader de schilder Johannes Piepers hebben gehad, op zijn beurt ook een zoon van een kunstschilder, eveneens Marinus genoemd. Johannes had een behangselfabriek, een van meerdere ateliers in Middelburg in de tweede helft van de 18e eeuw, ingericht om wanddecoraties te maken. In zo’n atelier werden hele landschappen ontworpen en op linnen gezet. Vervolgens vervoerden werknemers de behangsels naar de opdrachtgever en monteerden ze daar. Klaar was het werk als de hele ruimte keurig was afgewerkt. Al met al een prima leerschool voor aankomende schilders door de verschillende handelingen op diverse niveaus. 

Het is niet na te gaan of Marinus ook in de winter cursussen op de Teeken Akademie gevolgd heeft. Je zou het wel verwachten: vader Johannes was tussen 1785 en 1810 dirigerend lid, als opvolger van de overleden tekenmeester Johan Ooremans. Het is aannemelijk dat hij ook diens lessen heeft overgenomen. Tussen 1798 en 1806 was hij ook nog de vaste schilder van de Staten van Zeeland, wat moeilijk los gezien kan worden van de ambtelijke carrière van zoon Marinus, waarover later meer.

In de vergadering van het Zeeuws Genootschap van 5 april 1809 kon de secretaris melden dat Piepers en Compagnie een ‘Agaatschgewijze geschilderd Paneel’ had geschonken. Het 67 x 67 cm metend paneel is met een decoratieve schildering in vieren gedeeld en vertoont 4 verschillende doorsneden van een agaat, de halfedelsteen die vele kleuren en verschijningsvormen kent. Wellicht is het een proeve van schilder-kunnen. 

Marinus was ondertussen op 1 mei 1792 met Gerardina Udemans in het huwelijk getreden, waarmee hij een stapje omhoogging op de sociale ladder. Hoewel Marinus kunstschilder wordt genoemd, had hij in deze tijd een kantoorbaan. Als vurig patriot was hij na de komst van de Fransen in 1795 voortdurend in beeld voor allerlei ambten, vooral betreffende het militair, tot op nationaal niveau toe. Dat zou blijven, tegen alle veranderingen in politieke wind in, ook na de aftocht van de Fransen. De behendige Piepers bekroonde in 1841 zijn ambtelijke carrière met het lidmaatschap van de Eerste Kamer, tot de liberale storm van 1848 hem te heftig werd.

Dat Piepers voor zichzelf wist te zorgen komt nog eens akelig voor het voetlicht in een noot in het werk van Paul Strick van Linschoten, ambassadeur in Duitse dienst uit 1818. Hij schetst een wel aller onvriendelijkst beeld van de man: voor 1795 een eenvoudige rijtuigschilder, daarna door gunstige tijdsomstandigheden, kruiperij en vleierij omhooggeklommen en inmiddels (1817) bij koning Willem met veel gejammer in een goed blaadje gekomen. De burgerij verbaasde zich ondertussen over de staat die Piepers voerde, die geschat wel 6 x zijn inkomen oversteeg. Hij weet de tours de batons te hanteren en de pots au vin te vinden, aldus de edelman. Zo heeft Iedereen zijn sterke kanten.

Arnold Wiggers

Marinus Piepers en Gerardina Udemans, 1838. Tekeningen van L.A. Vintcent – Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort Recordnummers 1501 en 1502