Op kosten van het Nut

Titeletiket op kaft van de ‘Naamlyst der Jongelingen … Lessen’ – Zeeuws Archief, Archief van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, Departement Middelburg, inv. nr. 515.

Bekend was het wel via een noot in ‘Om prijs en plaats’, het jubileumboek uit 2004: de Maatschappij tot het Nut van ’t Algemeen, departement Middelburg, heeft tientallen minvermogende jongens in staat gesteld de Teeken Akademie te bezoeken. De registers over de jaren 1826-1844 zijn bewaard gebleven. Volgens een aantekening was er in 1825 ook een aanmelding, dus zou er ook een oudere administratie kunnen hebben bestaan. Na 1844 moet er zeker een register bijgehouden zijn, maar dat is niet (apart) overgeleverd. Toen het archief in 1948 uiteindelijk in openbaar bezit kwam, was het met de staat ervan niet al te best gesteld. Maar goed: was het voor 1940 naar het stadhuis verplaatst, zou er nu helemaal niets meer van over zijn.

Het register getiteld ‘Naamlyst der Jongelingen aan het bestuur van de Teeken Academie voor gedragen tot het gratis bijwonen der Lessen’ bestaat uit een tweetal katernen met twee nummeringen. De eerste nummering loopt van 1 tot en met 29 en begint met de 19-jarige Johannes Cornelis van der Hell, die zich in oktober 1826 aanmeldde en eindigt met de eveneens 19-jarige Adriaan de Wagenmaker die dat deed in oktober 1831. Begrijpelijk dat dat in het najaar gebeurde, want de lessen werden van maandag- tot vrijdagavond van november tot maart gegeven. 

Het is vooralsnog onduidelijk hoe de procedure van voordracht verliep. Lag het initiatief bij de adspirant-leerlingen (of hun verzorgers) of bij het Nut? En welke criteria werden aangelegd om te bepalen of iemand in aanmerking kwam voor ‘gratis lessen’. In elk geval vond het bestuur van het Nut het belangrijk te weten waar de genomineerde leerling op school was gegaan, bij wie hij een beroep leerde, wie de ouders waren en wat deze voor de kost deden. De inschrijving in de naamlijst gebeurde bij het eerste verzoek (voordracht), wat niet automatisch betekende dat de jongen aangenomen werd. Een enkele maal moest een voorgedragene een jaar wachten. In dit eerste register werd, naast de jaren van verzoeken en plaatsingen, onder meer ook aangetekend wanneer iemand een prijs kreeg. Voor de meesten zat dat er niet in, waardoor er over de hele periode tot 1844 tientallen namen van voorheen onbekende leerlingen aan de vergetelheid ontrukt zijn. Niet elke leerling volgde alle klassen en niet altijd bleven ze dat op kosten van het Nut doen. Regelmatig staat aangetekend ‘voor eigen rekening’. Of dat uit een gevoel van eigenwaarde of door aandrang van het bestuur kwam, blijft in het ongewisse. 

In 1835 besloot het bestuur van het Nut dat een aanvrager maximaal 5 maal recht had op ondersteuning. Had iemand dat aantal bereikt, werd hij uit het register geschrapt. Blijkbaar werd de administratie toen ook opnieuw opgezet. Wie toen nog recht had op een voordracht, kwam ook in het nieuwe katern terecht. 

Tussen 1825 en 1844 zijn in totaal 155 jongens tussen de 10 en 20 jaar aan de dirigerende leden van de Teeken Akademie voorgedragen, soms tot 11 per jaar. Ze zullen (bijna) allen een seizoen of meer lessen gevolgd hebben. Een prachtige bron waar ik nog eens op wil terugkomen.

Arnold Wiggers

Eerste inschrijvingen in de ‘Naamlyst der Jongelingen … Lessen’ – Zeeuws Archief, Archief van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, Departement Middelburg, inv. nr. 515.

En zie hier! Van een idee naar academie

Plaquette ter ere van Marie G.A. de Man, 1905 – Zeeuws Museum, KZGW Penningen, GM1761

‘Het was in de vergadering van 1 October 1778, ten huize van den Opperdirecteur Van der Mandere, dat de aanwezige heeren E.J. van der Mandere, L. Bomme, P. Ackermans, D. de Keyzer, J. Perkois, C. Kayser, Th. Gaal, J. Ooremans en P. Dam het besluit namen, het onlangs opgerichte Teeken-college in November van dat jaar te openen en de lessen tot Maart daaraanvolgende te laten duren’, zo begint Marie G.A. de Man haar artikel in het Archief van 1921 over de prijspenningen van de Teeken Akademie. 

Mej. De Man (1855-1944), zoals ze door het leven ging, had voor haar artikel de notulenboeken van de academie ingezien, waarvan de oudste drie delen op het stadhuis berustten. Zij meldde dat het eerste deel in oktober 1778 begint, dus mogelijk met het verslag van bovengenoemde vergadering. Na te zoeken is het niet, omdat deze bescheiden en ook het materiaal van daarna, aanwezig bij de toenmalige secretaris, in 1940 in rook is opgegaan.

Het Teeken-College, zoals de Teeken Akademie oorspronkelijk heette, is dan blijkbaar van voor oktober 1778. Welke data kunnen met zekerheid gegeven worden? Op 24 augustus 1803 hield secretaris Christiaan Herklots een redevoering bij het 25-jarig bestaan, waarin hij stilstond bij het ontstaan. Hij sprak -waarschijnlijk gloedvol- over enige liefhebbers en ‘Kunstgenoten’ ter beoefening van de ‘edele Tekenkunst’ die in 1777 bijeenkwamen. ‘En, zie hier! In eene eenvoudige Kamer den eersten grondslag gelegd; waarop naderhand eene Academie is gebouwd’. Wie deze heren waren en of de kamer zo eenvoudig was, is niet met zekerheid te zeggen, maar de door mej. De Man genoemde mannen hierboven kunnen hier goed aangeschoven geweest zijn.

Dat gezelschap richtte op 6 december 1777 een verzoekschrift aan het stadsbestuur om de Edelachtbare Heren te bewegen over te gaan tot het beschikbaar stellen van een ruimte waar in de wintermaanden de tekenkunst geoefend kon worden. Op 11 juli 1778 besluit het stadsbestuur om tot dat doel de bovenlokalen van het waaggebouw op de Balans in te laten richten. 

De initiatiefnemers reageren hierop door de ‘Oeffenplaats’ ook een leerschool te laten zijn waar naast het fraaie ook het nuttige onderwezen gaat worden, dus ook voor de aankomende handwerksman. Voortvarend werd een programma gedrukt waarop men als Honorair Lid (= begunstiger) kon intekenen en in een adem gingen de initiatiefnemers door met het opstellen van reglementen; een voor het bestuur en een voor de leerlingen. En daar ergens in de zomer of herfst van 1778 werd ‘een Genootschap opgericht tot voortzetting van Schilder-, Beeldhouw- en Bouwkunde onder de Zinspreuk: Vernuft en Vlyt’. 

Van start ging de academie met 70 tekenaren na een ‘Redevoering ter inwying’ door de toenmalige secretaris Leendert Bomme op ‘II. November MDCCLXXVIII’, wat abusievelijk nogal eens voor 11 november 1778 aangezien is. De opening was echt op maandagavond 2 november 1778, zo leert de Middelburgsche Courant van 4 november en ook Herklots. Laten we die datum als beginpunt beschouwen en op donderdag 2 november 2028 een grootse jubileumviering inluiden. 

Arnold Wiggers

Literatuur:

[C. Herklots], Redevoering by gelegenheid van de vyf- en twintigste algemeene vergadering met honoraire leden en uitdeeling der eerepryzen, van het Teeken-Academie der stad Middelburg; uitgesproken in het Musaeum Medioburgense op woensdag den 24 van oogstmaand 1803, Middelburg [1803]. M.G.A. de Man, De prijspenningen van de voormalige Teeken-Academie te Middelburg. In: Archief, uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1921.

J. Perkois, Uitsnede uit de tekening ‘De leden van de Teekenacademie te Middelburg een model tekenend’. Gesuggereerd is dat hier een aantal oprichters van de Teeken Akademie, inclusief Perkois zelf, prominent in beeld is gebracht, met op de achtergrond docent Thomas Gaal met leerling – Zeeuws Archief, KZGW ZI III 1033

Onvermogend talent

Bijdrage in de studiekosten van Toon Pluijmers

Slikhaventje te Vlissingen Landingsplaats der geallieerden in 1944 / Toon Pluijmers. [1944]. 1 ets ; 22 x 30,5 cm, blad 41,5 x 49 cm – Zeeuws Archief, KZGW ZI Aanwinsten 697

In de twintigste eeuw heeft de Teeken Akademie een aantal jongeren in staat gesteld hun opleiding aan een academie te volgen. Na de Tweede Wereldoorlog waren dat onder anderen Antoine Mes, Hans Heeren en Wim Vaarzon Morel jr. Voor de oorlog kreeg Antoine Bernardus Pluijmers (1910-1967) een bijdrage in de studiekosten. 

Toon Pluijmers (ook Pluymers) is weliswaar een bekende bij de RKD, toch zullen weinigen zijn werk kennen. Eerst maar iets over zijn afkomst. Zijn vader Johannes Cornelis Pluijmers (1876-1954) was een pianostemmer en -handelaar met een zaak aan de Dam Zuidzijde, om precies te zijn G 93 (nu Dam 56). Hij huwde op 31 oktober 1902 met Johanna Jozina Hermanssen (1877-1938). Hun oudste zoontje overleed in 1903, het jaar van zijn geboorte, dan volgde Izaak Cornelis (1905) en tenslotte Anton of Toon. In 1933 adverteerde J.C. in de Middelburgsche Courant als Kunstatelier ‘Dam Z.z. Midd’, waar orgels geëtaleerd waren en grammofoonplaten tegen spotprijzen werden opgeruimd. 

Nog even door over vader Pluijmers. De concurrentie was aanzienlijk, dus adverteren was noodzakelijk. Ook na de catastrofe van 1940. Wie nu naar Dam 56 kijkt ziet dat het op de grens van oud- en nieuwbouw staat. Het pand zal niet onbeschadigd uit de vuurzee zijn gekomen. Voor Pluijmers reden om bij familie aan de Houttuinen zijn zaak per 21 juni 1940 voort te zetten. Overigens werd hij ook pianomaker genoemd, wat toch echt opgevat moet worden als reparateur. 

Toon Pluijmers volgde in 1927 schilderlessen bij Ger Jacobs in Vlissingen en slaagde in Den Haag in de zomer van 1930 voor de acte handtekenen in het lager onderwijs. Tussen 1932 en 1936 bezocht hij het Rijksinstituut voor Teekenleeraren in Amsterdam. Volgens een biografie op internet ondersteunde de gemeente op voorwaarde dat hij als afgestudeerd kunstenaar geen beroep op de gemeentekas zou doen. Mooi verhaal, maar onwaarschijnlijk. Het was de Teeken Akademie die hem financieel ondersteunde. Zijn vader deed een duit in het zakje door onderaan een advertentie in 1933 te laten weten dat bij hem ook ‘kleine schilderstukjes van Anton Pluymers’ te koop waren. Zijn (schilder)opleiding zou hij tussen 1936-1939 op de Academie in Antwerpen afsluiten. 

In 1938 vestigde hij zich definitief in Amsterdam, zonder Zeeland te vergeten. Zo haalde hij er (Vlissingen) in 1942 zijn bruid, de verpleegster Joanna Maria Willemse. In de oorlogsjaren was hij actief als stempelvervalser voor het Verzet in Amsterdam. Na de oorlog was hij in elk geval in juni 1947 in Zeeland. De PZC berichtte dat Pluijmers etsen van de werf en fabriekshallen van De Schelde had gemaakt die hij bij kledingmagazijn Corlas in de Walstraat in Vlissingen tentoonstelde. In die expositie waren ook etsen van de landingsplaatsen van de Geallieerden van wat oudere datum. Tot aan zijn dood heeft hij in Amsterdam tekenles gegeven en was hij lid van verschillende kunstenaarsverenigingen. 

Naast etsen zijn er tekeningen, aquarellen en schilderijen van hem bekend, een enkele keer ook van een Zeeuws landschap. Opvallend was de verkoop van meer dan tien gelijkgestemde werken in 2015 bij Kunstveiling.nl. die aantonen dat het met de waardering van de schilder Pluijmers niet best gesteld is …

Arnold Wiggers

https://www.kunstveiling.nl/veilingopbrengsten/detail/toon-pluymers/4aDDpz3EKA24u4waOeGowE

Fotograaf tussen koekebakkers en antiekliefhebbers II

H.H. Roelse, De Zeeuwsche Koekbakkerij, Kromme Weele 4 en 6, ca. 1863 – Beeldbank Zeeland, Recordnummer 90583

Frederik Dikkenberg (1754-1809) de koekebakker in de Kromme Weele trouwde driemaal. Uit zijn tweede huwelijk (1784) met Jacoba van Meeten stamde Nicolaas Frederik, koekebakker in de Vlissingsestraat. Zijn derde huwelijk met de Zierikzeese Jozina Kijn (1794) maakte hem onder anderen vader van Pieter (1797- 1874), koekebakker in de Korte Noordstraat. Op 29 november 1821 liet deze in de Middelburgsche Courant weten dat hij verhuisde naar de Kromme Weele, ‘in de koekebakkerij door zijne voorouders bewoond’. De Zeeuwsche Koekbakkerij in de Kromme Weele zou zich later beroepen op een ouderdom die terugging tot 1741, doch is waarschijnlijk niet door de familie Dikkenberg opgericht, want Frederik kocht in 1782 en in 1800 van anderen panden in de Kromme Weele. 

Pieter had met Maria de Cloedt een zoon, Frederik (1819-1891), die naast de zaak van zijn vader in de Kromme Weele een eigen koekenbakkerij had. De familie had er immers twee panden. Vader Pieter deed zijn zaak per 1 oktober 1856 over aan de in Sluis geboren Guillaume Henri oftewel Willem Hendrik Bal (1813-1887) en per 1 januari 1859 deed zoon Frederik hetzelfde. De zaak van W.H. Bal besloeg twee naast elkaar gelegen panden, nu 4 en 6. Frederik stond vervolgens als particulier te boek, wat wil zeggen dat hij rentenierde. Maatschappelijk gezien lijken deze Dikkenbergen, ook door de huwelijken van zusters, een treetje geklommen te zijn. De band tussen beide families werd door het huwelijk van Frederik met de weduwe Sijbilla Wilhelmina Hendrika Bal, de zus van Willem Hendrik, in datzelfde jaar 1859 nog eens aangehaald. Sijbilla (1811-1863) was bij haar tweede huwelijk niet meer de jongste: ze was 47 en daarmee 7 jaar ouder dan Frederik, die wel zijn eerste echtverbintenis aanging. Er zouden er nog 2 volgen. Uit de verbintenis met Jacoba Tannetta Geertruidea de Bakker kwamen 3 kinderen voort, waaronder een zoon die arts werd. Zijn huwelijk op z’n oude dag (1889) met Johanna Verhage uit Westkapelle werd een fiasco en eindigde in een scheiding van tafel en bed.

Willem Gerardinus Bal (1842-1917) de zoon van Willem Hendrik Bal en Jacoba Johanna Pervoost was sterk geïnteresseerd in antiquiteiten. Zijn zoon Willem Hendrik Bal (1880-1962) zou tot ver over de landsgrenzen naam maken als antiquair. Hij was vooral een porseleindeskundige met in de Kromme Weele in de voormalige Zeeuwsche Koekbakkerij anno 1741 een fantastische verzameling die tegenwoordig in het Zeeuws Museum te zien is.

Hendrik Hermanus Roelse (1832-1872) zou de eerste permanent gevestigde fotograaf van Middelburg worden. Voor het zover was werd hij in 1849 en in 1851 door de Teeken Akademie onderscheiden in de hoogste klassen naar pleister. Kort daarop begon hij zich te verdiepen in het daguerreotyperen en vestigde in het familiepand Dam Zuidzijde G 92 (nu 54) zijn fotografisch atelier. In het begin zal hij vooral daguerreotypieën gemaakt hebben, een techniek waarbij de belichte plaat de ‘foto’ was en er geen afdrukken gemaakt konden worden. De techniek schreed voort en Roelse ging met zijn tijd mee. Tussen 1856 en 1860 werden de lezers van de Middelburgsche Courant warm gemaakt voor zijn opnamen van monumenten, taferelen uit het dagelijks leven en academische figuren, die als toegestaan naakt beschouwd konden worden. 

In de collectie van de ZB zitten opnamen van twee daguerreotypieën van de Zeeuwsche Koekbakkerij, gemaakt door Roelse. Ze worden gedateerd op ca. 1863, maar zouden ook wat ouder kunnen zijn. Het zal naar de huidige stand van techniek nog wel even onduidelijk blijven of we hier naar de mannen van koekebakker  Dikkenberg of Bal kijken.

Arnold Wiggers
Voor Roelse zie verder: A. Verburg en J. van Bennekom, In Zeeuws licht gevangen. Fotografie in Middelburg 1842-1870,(Middelburg, Zeeuwse Katernen, 1994)

H.H. Roelse, De Zeeuwsche Koekbakkerij; de latere antiquair winkel van W.H. Bal aan de Kromme Weele 4-6 – Beeldbank Zeeland, Recordnummer 90582

Fotograaf tussen koekenbakkers en antiekliefhebbers deel 1

Korte Gortstraat richting Lange Gorstraat / Korte Geere., ca. 1915. Linksachter Baron Chassé. Het laatste huisnummer aan de rechterwand was K 15. Schilder A.N. Dikkenberg had K 14 als woonhuis en K 13 als werkplaats tussen 1865-1872 – Zeeuws Archief, KZGW ZI, Prentbriefkaarten 1902 (ZI-P-1902)

Een ding is zeker: Fred(e)rik was tussen 1800 en 1900 de meest voorkomende mannelijke voornaam in de familie Dikkenberg. Wat beroepskeuze betreft was er ook een duidelijke voorkeur: ‘koekebakker’. Begonnen was het allemaal met Frederik Dikkenberg (ca. 1754-1809), afkomstig uit Den Haag en koekenbakker in de Kromme Weele. Een eerbaar beroep, waar een opleiding aan de Teeken Akademie op het eerste oog niet veel voordeel bood.

Nee, dan Abraham Nicolaas Dikkenberg (1834-1872), die het in de hoogste klassen tekenen tussen 1849 en 1854 driemaal tot primus schopte. Met die onderscheidingen op zak verhuisde hij -behorend tot de Christelijk Afgescheidenen, zo noteerde de ambtenaar- naar Vlissingen in dat laatste jaar om als eerste klas schilder bij de Marinewerf te gaan werken. In 1859 werd hij daar op eigen verzoek ontslagen. Hij zal bij een andere baas zijn gaan werken, want op 21 februari 1865 laat hij in de Middelburgsche Courant weten dat hij, ‘… sedert enige jaren het Schildersvak te Brussel uitgeoefend hebbende, … de Zaak van H.H. Poelemans & Zoon heeft overgenomen.’ Die ‘Schilders-Affaire’ bevond zich in de Korte Gortstraat van waaruit hij de zaken blijkbaar groots aanpakte. Hij begon met het zoeken naar 2 knechten en een leerling. 

Nog in hetzelfde jaar in augustus stierf zijn vader, Nicolaas Frederik, inderdaad een koekenbakker, na langdurig en smartelijk lijden. Zijn zaak in de Vlissingsestraat werd door de weduwe Maria Pieternella Siewert samen met de oudste zoon Johannes Jacobus voortgezet. In 1867 trok de weduwe zich uit de zaak terug. Over de andere koekenbakkerszaak van broer Pieter Dikkenberg later meer. 

Bij voortduring vroeg schilder Abraham Nicolaas in de krant om personeel, die bij hem vast werk konden vinden. In februari 1866 breidde hij zijn zaak uit met een handel in spiegel- en vensterglas uit België, waarna hij op 6 maart per advertentie laat weten op zoek te zijn naar maar liefst 10 knechten. Wie zijn klanten waren, is niet na te gaan. De stad Middelburg zal het niet geweest zijn. De verfklussen aan overheidsgebouwen gingen steeds zijn neus voorbij omdat hij duurder dan de concurrentie was, zo blijkt uit de openbare aanbestedingen. 

Wie zoekt op de naam Dikkenberg in de Middelburgsche Courant komt behalve de vele advertenties van de koekenbakkerszaken Dikkenberg waarin onder meer allerlei soorten sinterklaasgebak werden aanbevolen en de H.H.-landbouwers werden opgeroepen mutsaarts te verkopen èn het zoeken naar personeel door de schilder Abraham Nicolaas, advertenties van diverse dames Dikkenberg tegen, op zoek naar allerlei vrouwelijk personeel in het huishouden. De krant had er goede klanten aan.

Een bijzonder inkijkje in de samenleving biedt het rechtbankverslag in de krant van 7 januari 1866. Marinus (14) en Izaak (12) Timmerman hadden op 12 november in het koffiehuis van H.F. Geerts 2 halve kruikjes bier op naam van huisschilder A.N. Dikkenberg besteld, ‘die hiervan niets wist’. Na het bier te hebben uitgedronken verkochten de jongens de kruiken voor 6 cent. Oplichting en dat verdiende bestraft worden. Marinus werd 2 maanden vastgezet, wat de krant ook fors vond, maar verklaarbaar, omdat hij in oktober ook al voor oplichting was veroordeeld. Voor Izaak werd het 14 dagen brommen. Daarenboven moesten ze ieder ook nog een gulden betalen, wat ook niet niks was en bij in gebreke blijven zo maar een paar extra dagen in het cachot kon opleveren. 

(wordt vervolgd)

Arnold Wiggers

J.H. Hollestelle, (1858-1920), Gezicht op het voormalige Tuchthuis en Spinhuis te Middelburg, met wacht in wachthuisje en Spinhuisbrug en Stadsschuur (situatie 1875) – Zeeuws Archief KZGW ZI II 0429
J.H. Hollestelle, (1858-1920), Gezicht op het de achterzijde van het voormalige Tuchthuis en Spinhuis te Middelburg, met Spinhuisbrug (situatie 1875) – Zeeuws Archief KZGW ZI II 0430

Stadstekenen

Fotoverslag van een geslaagd evenement. Christien van Driel, stadstekenaar-liefhebber heeft zaterdag 6 augustus een ochtend en een middag teken-enthousiastelingen praktisch ondersteund bij het in tekeningen brengen van de stad. Voor herhaling vatbaar.

Foto: Tom Hoekstra
Foto: Tom Hoekstra
Foto: Tom Hoekstra
Foto: Tom Hoekstra

De gebroeders Mulder

St. Pieterstraat richting Gistpoort / (nu) Damplein met rechts de uitgebouwde kamer van de Teeken-Akademie, schuin tegenover de Waalse kerk – Zeeuws Archief, KZGW ZI Prentbriefkaarten, nr 2074

Behalve dat ze broers waren hebben Jacobus en Johannes Mulder nog iets gemeen: een glanzende carrière op de Teeken Akademie. Hun vader Johannes Mulder, loodgietersknecht, was op 23 oktober 1823 met Maria Lucretia de Wijze getrouwd en het jaar erop werd Jacobus geboren. Na twee meisjes volgde Johannes in 1829. 

In het najaar van 1840 begon de zestienjarige Jacobus aan zijn avondklassen op de Teeken Akademie. Hij startte in de 5e klas bouwkunde en dat zal in de nieuwe lokalen aan de Lange St. Pieterstraat zijn geweest. Immers met ingang van dat schooljaar zat de Teeken Akademie samen met de nieuw opgerichte Industrieschool in het Huis Goes schuin tegenover de Waalse Kerk. Jacobus was een goede leerling. Hij rondde de klas als primus af en de beste bleef hij tot en met de 1e klas in 1845. Vervolgens werd hij in 1847 onderscheiden met de grote zilveren penning (medaille) vanwege de koning voor zijn prestaties in de bouwkunde.

Zijn broer Johannes begon in dat jaar aan zijn reeks prijzen. Hij werd primus in de 4e klasse bouwkunde en herhaalde dat in de volgende jaren in de 3e en 2e klas. En toen vond hij in 1853 en 1854 iemand boven zich en moest hij genoegen nemen met een aanmoedigingsprijs en ‘lof’. Uiteindelijk werd hij in het jaar daarop dan toch primus in de eerste klas. Sterker, in 1857 was ook de allerhoogste onderscheiding voor bouwkunde zijn deel. 

Wat is er nu van de broers geworden? Was een dergelijke meermalen bekroonde studiegang de opmaat voor succes? Eerst maar eens terug naar de lijst met prijswinnaars in het jubileumboek. Daar staat dat Jacobus kleermaker werd. Dat zou toch wel erg kras zijn geweest na al die bouwkundestudie. Vermoedelijk is hij verward met een andere J. Mulder, want die waren er nogal. 1847 en 1848 waren economisch gezien rampjaren in Europa en velen zochten hun heil elders. Dus nog geen jaar nadat Jacobus de Teeken Akademie vaar wel zei, scheepte hij zich in voor de Verenigde Staten en keerde Nederland de rug toe. De reden? ‘Verbetering van bestaan’, zo noteerde de emigratieambtenaar. En zijn beroep op zijn uitreispapieren? Timmermansknecht. Of hij in zijn nieuwe vaderland succesvol is geweest, is niet bekend. Aan zijn vakmanschap zal het niet gelegen hebben.

Ook aan Johannes beroepsvaardigheid zal weinig ontbroken hebben. Hij zal mede door zijn afkomst niet in staat zijn geweest zich jong zelfstandig te vestigen en werd zodoende timmersmansknecht. Bij wie hij in dienst is geweest, is niet bekend. Voordat hij kon huwen of een zaak kon beginnen, sloeg het noodlot toe. Hij stierf 24 februari 1858 op 29-jarige leeftijd. Zijn vader deed aangifte samen met Johannes Melse een 25-jarige sleper en bekende van de overledene. 

Arnold Wiggers

Rechtsonder de akte van overlijden van Johannes Mulder – Zeeuws Archief, Akten van overlijden, 1858

Een sieraad van Zeeland

J. Tieleman, Maan-eclips van den 2 julij 1833. Berekend en ontworpen voor den meridiaan en de poolshoogte van Middelburg – Berekend naar de tafelen van Johan de Kanter Phil.z. (1803), 1833, p. 8b- ZB, Handschriften KZGW 4175

In de zoektocht om leerlingen en docenten van de Teeken-Akademie nader te belichten zou Johannes Tieleman wel overgeslagen kunnen worden: Frederik Nagtglas heeft hem in zijn Levensberichten (Vierde aflevering 1893) al behoorlijk geportretteerd. Wat daar opvalt is dat de Teeken-Akademie in zijn verhaal niet voorkomt. En dat terwijl Johannes tussen 1824 en 1831 maar liefst 7 maal onderscheiden werd, in dat laatste jaar als primus van de afdeling bouwkunde. Dat maakt toch nieuwsgierig, zeker omdat hij volgens het jubileumboek Om prijs en plaats ook dirigerend-lid en mogelijk docent aan de academie zou zijn geweest.

Het lijkt erop dat Johannes, geboren in 1810, weliswaar goed in technisch tekenen was, maar geen zin had om echt in de voetsporen van zijn vader te treden. Dat was Gijsbert Tieleman, die op het Koorkerkhof een timmermanswerkplaats had die hem geen windeieren bracht. Binnen de hervormde gemeente bracht hij het tot ouderling. Zijn moeder Janna Dronkers kwam van Lillo. Uit een eerder huwelijk van Gijsbert met Anna Swartouw was een dochtertje Anna Maria geboren in 1804. 

Op de laatste dag van 1831 laat Gijsbert Tieleman weten dat met het nieuwe jaar zijn onderneming verder gaat als Tieleman & Zoon, met hem als Tieleman en Johannes als zoon. Dat is meteen de laatste keer dat we iets in de krant vernemen over timmerman Johannes. Hij bleek gefascineerd door wis- en sterrenkunde. Johan de Kanter Phz (1762-1841), lector bij het Natuurkundig Gezelschap, in Tielemans tijd net als de academie ook gehuisvest in het Museum Medioburgensis aan de Latijnse Schoolstraat, zag wat in de jonge timmermanszoon en onderwees hem. Vooral de maans- en zonsverduisteringen berekende en tekende Johannes. Het Zeeuws Genootschap bezit daar nog twee voorbeelden van. Over natuurkundige onderwerpen schreef hij volgens Nagtglas.ook in de Middelburgsche Courant

Johannes’ ambitie lag duidelijk niet bij het timmerbedrijf. Hij deed examen voor het ijkwezen en werd in 1835 tot arrondissements-ijker der maten en gewichten voor Walcheren benoemd. Die achtergrond maakte het ook logisch dat hij in 1840 tot de driekoppige directie van de toen opgerichte industrie-school behoorde. De school leidde handwerkslieden op en verzorgde lessen in reken-, meet- en werktuigbouwkunde. Mogelijk dat hij ook hier les gaf en niet op de in het zelfde pand gevestigde Teeken-Akademie. De grote man zowel op de academie als de industrieschool was in deze tijd jhr. J.C. Schorer van de Souburgen. 

Op 9 januari 1841 huwde Johannnes Tieleman Maria Martina Bal Snijders, dochter van Rijksadvocaat Jacobus Bal Snijders en Anna Adriana van der Plas, vermoedelijk een goede partij. 

Na het overlijden van De Kanter werd Johannes Tieleman in 1842 voorgedragen als zijn opvolger in het Natuurkundig Gezelschap. Dat verliep nogal pijnlijk, omdat meerdere academische leden een gepromoveerde lector wilden, wat Johannes niet was. Het eindigde met enerzijds de aanstelling van Johannes en anderzijds een uitloop van academische leden. Hoe dan ook: voor de zonsverduistering die op 8 juli 1842 plaatsvond schreef hij een kleine brochure ter verklaring die bij Van Benthem & Jutting (en elders) voor 25 cent te koop was. 

Ondertussen ging het met zijn gezondheid slecht. Hij had een tuberculeuze ontsteking aan zijn keel die keeltering werd genoemd. De zwangerschap van Martina Maria eindigde oktober 1843 met een doodgeboren dochtertje en nog voor het jaar om was overleed Johannes zelf, 33 jaar oud.

Het was dr. J.C. de Man die Nagtglas de volgende zin aanreikte: ‘Indien Tieleman een dragelijke gezondheid en tijd van leven had gehad, zou hij zeer zeker een sieraad van Zeeland zijn geworden’. 

Arnold Wiggers

Citaat uit: Brief J.C. de Man aan F. Nagtglas, 1890. (ZB, Handschriften KZGW 0631)

J. Tieleman, Maan-eclips van den 2 julij 1833. Berekend en ontworpen voor den meridiaan en de poolshoogte van Middelburg – Berekend naar de tafelen van Johan de Kanter Phil.z. (1803), 1833, p. 7 en 8 – ZB, Handschriften KZGW 4175

De ene Frederiks is de andere niet

Middelburgsche Courant, 18 maart 1856, pagina 3 – krantenbank.nl

J.C. van Schagen schreef het al: het kriebelt van de J.C.’s in de familie Frederiks. Hij was zelf ook een nazaat. (Zeeuws Tijdschrift, 01-01-1975, p. 23). Het verhaal is vaak verteld, o.a. door Nagtglas: de komst met Wilhemina van Pruisen voor haar huwelijk met Willem V van de stamvader Johan Samuel Friederichs in 1767, de mislukte carrière op het Loo en dan het succes in Serooskerke als tuinman bij Daniel Tulleken op Huis ter Mee. Een van de zonen uit het huwelijk met Susanna Crucq heette Johannes Christiaan, werd notaris te Oostkapelle en vader van vele kinderen. Toch gaat dit verhaal niet over hem, maar over Jacobus Cornelis, die in 1827 in de 4e klasse bouwkunde een prijs kreeg en in 1856 schilderijen in de academie exposeerde. Althans, zo staat het in het jubileumboek Om prijs en plaats uit 2004, waar hij fijnschilder wordt genoemd. 

In de bevolkingsadministratie komt er maar één Jacobus Cornelis Frederiks in aanmerking: het kind dat op 2 juli 1812 uit het huwelijk van Jan Samuel Frederiks -jongere broer van de notaris- en Geertruij de Heijde werd geboren. Het heeft er alle schijn van dat dit het enige kind uit dit huwelijk bleef: het was voor beide echtelieden een tweede huwelijk, waarbij hij 39 en zij 35 jaar oud was. Beiden brachten meerdere kinderen mee, waardoor het in de bakkerij Witte-Brootskind in de Korte Noordstraat behoorlijk vol zal zijn geweest. 

Bakker Jan Samuel bracht het tot bekende Middelburger, louter en alleen omdat hij op 24 mei 1872 honderd kaarsjes mocht uitblazen. ‘Nooit ziek geweest en nog steeds helder’, zo heette het. Op een receptie in de St. Jorisdoelen moet volgens de berichtgeving ‘heel Middelburg’ voorbij de jarige zijn getrokken, waarvoor de familie in een advertentie de medeburgers bedankte. Bijna 102 zou de beste man worden: toen werd een koudje hem toch fataal. 

Terug naar Jacobus Cornelis. Hij dook vervolgens in Alkmaar op waar hij in 1842 met Helena de Meijer in het huwelijk trad, 30 jaar en timmermansknecht, wat in lijn ligt met zijn op de Teeken Akademie gekregen prijs voor bouwkunde. Hun kindje, Jan Samuel sterf al na 9 maanden in september 1846, gevolgd door zijn moeder in december. Verder is er over de timmerman Jacobus Cornelis Frederiks niets te vinden. Geëmigreerd wellicht?

Wel over J.C. Frederiks, kunstschilder, die in 1856 in Antwerpen woonde. De Teeken Akademie laat in de Middelburgse Courant van 18 maart 1856 weten dat gedurende een week in hun gebouw tegen betaling van ‘25 cents’ enkele schilderijen van hem te zien zijn. 

Ruim tien jaar later op 13 oktober 1866 stond in dezelfde krant te lezen dat de Koninklijke Academie van Wetenschappen te Amsterdam van J.C. Frederik te Oostkapelle, J.A. Ovaa te Middelburg en A.C. Bom te West-Schouwen tekeningen had ontvangen. Kort daarop, op de 18e kon de goegemeente lezen dat J.C. Frederiks, kunstschilder wonende te Oostkapelle, niet schuldig bevonden was aan laster. Helaas doet de krant er verder het zwijgen toe.

Chris van Schagen heeft het in zijn stukje over een kleinzoon van Johannes Christiaan, de notaris, die kon tekenen, mogelijk geleerd op de Teeken Akademie zonder het in enig jaar tot primus geschopt te hebben. Inderdaad, ook een J.C. maar dan een echte Chris en geboren in 1827. Niet Jacobus Cornelis (1812-?), maar Johan Christiaan Frederiks (1827-1890) was het die in de Lange St. Pieterstraat exposeerde.

Arnold Wiggers

Anoniem, Het Huijs ter Mee [Serooskerke], 1799-1801 – Zeeuws Archief, KZGW ZI-II-0754

De aanmoedigingsprijzen uit het legaat Daniel Steven Schorer

Omslag ‘verzameling van verschillende gekleede mans- en vrouwenstanden … Perkois en Prins … M. de Sallieth, Amsterdam 1833.’ Aanmoedigingsprijs uit het legaat Daniel Steven Schorer, uitgereikt 24 augustus 1842 – ZB Bibliotheek van Zeeland, Kluis 1987 C 40

Wat te doen met ƒ 6.000 gulden? Zo groot was namelijk het legaat van David Steven Schorer waarover de dirigerende leden van de Teeken Akademie konden beschikken. Aanmoedigingsprijzen, oftewel de accessitprijzen, mogelijk vanaf 1819 en zeker vanaf 1820, werden er van betaald. Met het verlenen van een zilveren medaille en 3 boeken in dat jaar moet een tamelijk bedrag gemoeid zijn geweest. Er is door het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis op basis van bronnen een soort omrekentabel ontwikkeld, waaruit voortvloeit dat ƒ 6.000 toen nu ruim € 60.000 zou zijn (dus grofweg 1 : 20). 

De zilveren medaille viel al snel af. Vanaf 1821 bestonden de aanmoedigingsprijzen alleen nog uit boeken; bijna dan: de zestienjarige Jan Simon Lenselink kreeg in 1840 als enige slechts een getuigschrift. Mogelijk had dat met de verhuizing naar de St. Pieterstraat en de oprichting van de Industrieschool in dat jaar te maken. Hoe dan ook, zoals in een ouder blog beschreven, werken deed deze aanmoediging wel. 

Werden de prijsboeken van de academie zelf voorzien van het motto Vernuft en Vlijt op het voorplat en de datum van uitreiking op het achterplat omringd door meer goudbestempeling, de aanmoedigingsprijzen waren een stuk eenvoudiger uitgevoerd. Een leren rug en een eenvoudig marmerpapier op de voor- en achterkant, dat was het. Dat maakt ze niet minder zeldzaam, alleen al omdat er jaarlijks minder waren dan van de ‘gewone’ prijsbanden. Herkenbaar zijn ze in feite alleen aan de prijsopdracht in het boek en deze zijn nogal eens verwijderd, waardoor ze als ‘niets bijzonders’ over het hoofd worden gezien.

De factor 1 : 20 gaat zeker ook op voor 1849. Toen kocht de Teeken Akademie bij Van Benthem & Jutting acht boeken voor de prijsuitreiking voor bijna ƒ 52 (nu ruim € 520). Onder meer Het Groot schilderboek van Gerard de Lairesse werd ingekocht voor ƒ 8 en een klein boekje met een tekst en platen van Leonardo da Vinci voor ƒ 3,75. Gemiddeld lag de prijs iets boven ƒ 6,50 (nu ruim € 65) per boek in dat jaar. De aanmoedigingsprijzen zullen niet de duurste boeken zijn geweest, want die waren voor de beste leerlingen in de hoogste klassen. Heel groot zal het verschil ook weer niet geweest zijn, want de aanmoediging lijkt nogal eens een troostprijs voor degene die nauwelijks onderdeed voor de primus. 

In elk geval werden er van 1820 tot en met 1848 van het legaat aanmoedigingsprijzen betaald. De klad kwam erin met de verhuizing in 1840. Werden in het topjaar 1828 maar liefst 7 jongens aangemoedigd, tussen 1841 en 1848 waren dit er in totaal maar 7. Waarom het na 1848 voorbij was, is onduidelijk. Van het geld waren op dat moment ongeveer 70 boekwerken en enkele medailles bekostigd, wat geschat ongeveer ƒ 600, dus zo’n 10% zal zijn geweest. Wat zou er met de rest zijn gebeurd? Of was de opbrengst van de plantages toch niet zo groot geweest en was het legaat uiteindelijk maar zo’n ƒ 600 groot geweest?

Arnold Wiggers

Titelpagina ‘verzameling van verschillende gekleede mans- en vrouwenstanden … Perkois en Prins … M. de Sallieth, Amsterdam 1833.’ Aanmoedigingsprijs uit het legaat Daniel Steven Schorer, uitgereikt 24 augustus 1842 – ZB Bibliotheek van Zeeland, Kluis 1987 C 40
Prijsopdracht ‘verzameling van verschillende gekleede mans- en vrouwenstanden … Perkois en Prins … M. de Sallieth, Amsterdam 1833.’ Aanmoedigingsprijs uit het legaat Daniel Steven Schorer, uitgereikt 24 augustus 1842 – ZB Bibliotheek van Zeeland, Kluis 1987 C 40