Voor het nieuwe schooljaar is de Teeken Akademie opnieuw op zoek naar een bovenbouwklas die Stadstekenklas van Middelburg wil worden.
Een jaar lang Stadstekenklas van Middelburg zijn. Volop in de belangstelling van de media staan, een tentoonstelling hebben en kunstwerken die voor de eeuwigheid bewaard worden in het archief. Wie wil dat nu niet? Zeker als dat in de traditie van de Middelburgs Teeken Akademie (sinds 1778) gebeurt. Onder leiding van (beroeps)tekenaars leert de Stadstekenklas in drie fasen als echte tekenacademieleerlingen kijken naar de stad: naar prent, naar pleister en naar model. Met de leerlingen wordt op drie momenten verdeeld over het jaar een les verzorgd in de klas, in het museum en in de stad. Het project wordt afgesloten met een expositie.
De editie 2021-2022 met Archipelschool Het Talent en CSW Van De Perre heeft een schat aan tekeningen opgeleverd. Leerlingen hebben verdwijnend Middelburg (de Briëtwoningen), pleisterkoppen in het Zeeuws Museum en hun visie op de Lange Jan in perspectief getekend. De expositie volgt nog. De foto’s tonen alvast de kunstenaars in wording op locatie met hun werken.
Stadstekenklas 2021/2022, groep 6 van Basisschool het Talent, op de groepsfoto in de torenkamer van de Lange Jan waar de klas onder leiding van stadstekenaar Boris Peeters het uitzicht tekende – foto: L. Labeur
Op donderdag 12 mei 2022 bezocht de stadstekenklas van Middelburg, groep 6 van Basisschool het Talent, de Lange Jan. Onder leiding van de stadstekenaars bestudeerden ze de toren vanuit allerlei perspectieven. Van onderaf, met stadstekenaar Boris Peeters beklommen ze de Lange Jan en tekenden het uitzicht. En met stadstekenaar Christien van Driel bestudeerden en tekenden ze de toren zelf. Zie hieronder een verslag met foto’s van de enthousiaste leerlingen van de stadstekenklas.
Stadstekenklas 2021/2022, groep 6 van Basisschool het Talent, op de groepsfoto in de torenkamer van de Lange Jan waar de klas onder leiding van stadstekenaar Boris Peeters het uitzicht tekende – foto’s: L. LabeurZicht op het stadhuis – foto: L. LabeurChessa en haar stadhuis in wording – foto: L. LabeurAhirea tekende het zicht op de Gasthuiswerk – foto: L. LabeurFinn B. tekende de Abdij – foto: L. LabeurStadstekenaar Christien van Driel geeft een toelichting op haar werk Fleur tekent de Lange Jan, ondanks de beperkte ruimte op het blad – foto: L. LabeurNog een Ahirea, zicht op Lange Jan – foto: L. LabeurKees en de Lange Jan – foto: L. Labeur
Prijspenning, uitgereikt aan Johannes Poelemans in 1840. Voorzijde – foto L. Labeur
Tussen de verzameling papieren van de Teeken Akademie zit ook een zilveren prijspenning. Vanaf 1822 werden deze door de koning beschikbaar gestelde ‘medailles’ in twee formaten door de Teeken Akademie uitgedeeld. De kleine met een doorsnede van 3,7 cm, want daar hebben we het over, vertoont Minerva met haar arm rustend op het rijkswapen. In haar rechterhand houdt ze een krans en in haar linkerhand een hoorn des overvloeds. Aan haar voeten liggen een passer, een winkelhaak en een rol papier.
Winnaar was Johannes Poelemans (1820-1904), die vanaf 1837 in de 3e klas naar prent elk jaar als beste uit de bus kwam en dus in 1840 zijn opleiding afsloot als primus in de eerste klas naar pleister. Zijn vader Hendrik Poelemans (1788-1864) had in 1806 ook een prijs ontvangen en in 1828 exposeerde deze op de jubileumpentoonstelling rond het 50-jarig jubileum, wat hem het honoraire lidmaatschap op leverde. Getoond werd een geschilderde koeienkop, naar een werk van leermeester Gaal.
Hendrik huwde in mei 1814 Martina Pieternella Siewert die hij in november van dat jaar al ten grave moest dragen. De weduwnaar huwde twee jaar later zijn schoonzus Henderica (Hendrika) Siewert, die op haar beurt ook al zeer jong weduwe was geworden. Naast Johannes was er nog een oudere dochter Johanna Maria. Johannes zou niet huwen en net als zijn zuster (als weduwe Loois) in Vlissingen overlijden.
In 1849 associeerde Hendrik met zijn zoon Johannes en zou de ‘schildersaffaire’ als H. Poelemans & Zoon in de Gortstraat voortgaan. Na het overlijden van zijn vader eind 1864 deed Johannes de zaak over aan Abraham Nicolaas Dikkenberg (1834-1872). Niet helemaal een vreemde, deze zoon van de koekebakker Nicolaas Frederik Dikkenberg en tante Maria Johanna Pieternella Siewert. Overigens komen haar voornamen nooit gedrieën voor, maar merkwaardig genoeg paarsgewijs in alle variaties!
Ook deze Abraham had tekentalent en kreeg minstens drie prijzen tussen 1849 en 1854. In dat laatste jaar toog hij naar Vlissingen om op de marinewerf te gaan schilderen. In het bevolkingsregister werd in de kolom godsdienst Christelijk afgescheiden achter zijn naam gezet. In 1859 vertrok hij hier weer en kwam als schilder in Brussel terecht. Althans, dat liet hij als aanprijzing per advertentie in de Middelburgsche Courant zijn nieuwe klandizie weten toen hij op 1 april 1865 in de Gortstraat zijn zaak startte.
Wat zou Johannes Poelemans als veertiger zijn gaan doen? Hij verhuisde naar Vlissingen en woonde volgens het in het bevolkingsregister in 1879 als particulier in de Palingstraat. Aan het eind van zijn leven (1898 en 1903) schreef de ambtenaar in datzelfde register als adres de Dijkstraat. Als beroep kreeg hij kunstschilder achter zijn naam staan.
Het is jammer dat tot op heden geen enkel werk van Hendrik of van Johannes Poelemans tevoorschijn is gekomen. Maar de penning van Johannes is boven water. Op de achterkant staat keurig: ‘Van wege den Koning aan Joh. Poelemans kweekeling der Teekenacademie te Middelburg’ gegraveerd. Iemand zal er mee hebben willen pronken en heeft er iets minder netjes een speld en een oogje aan laten zetten.
Arnold Wiggers
Prijspenning, uitgereikt aan Johannes Poelemans in 1840. Achterzijde – foto L. Labeur
B.C. Heeröldt (1799-1877), Een jonge boerin van Walcheren, ca. 1820-1840 – Zeeuws Archief, KZGW ZI-III-0906
Wie was Johannes Adams? De prijswinnaar van de zilveren medaille in de afdeling prent en pleister in 1817 is een raadsel. In de jaren ervoor behoorde hij niet tot de prijswinnaars en ook nadien werd niets van hem vernomen. Zelfs in het jubileumboek Om prijs en plaats is hij buiten de lijst van leerlingen gevallen.
Dat maakte wel nieuwsgierig hoe dat met de andere winnaars van 1817 zit. Over de winnaar van de gouden medaille Jacob Beverland (1785-1864) heb ik eerder al geschreven. Van de winnaar van de tweede zilveren medaille in de afdeling bouwkunde Jacobus Bos (1796-1859) is duidelijk dat hij na in 1818 nog primus te zijn geweest in de voetsporen van zijn timmerende vader trad.
Bij de boekgeschenken werd Bastiaan Cornelis Heeröldt (1799-1877) als eerste genoemd. Hij was de beste leerling in de 2e klas naar pleister en zou dat in 1818 in de 1e klas herhalen. Talent had hij, want in 1825 werd zijn tekening naar levend model als beste beoordeeld. In de jubileumtentoonstelling ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan in 1828 werd werk van hem geëxposeerd.
Voor de predikantenzoon en latere predikant Petrus Johannes Koolhaas (Ophemert 1801-Haarlem 1833) was er in 1817 een aanmoedigingsprijs (accessitprijs) in de 2e klas, achter Heeröldt. Het jaar ervoor had hij in dezelfde klas de 1e prijs gekregen. De selectiecommissie zal het gezien zijn stand nodig gevonden hebben, nu hij dezelfde klas nog eens had gedaan, hem met een tweede prijs in de vorm van een aanmoedigingsprijs toch enigszins te laten stralen. Artistiek zal hij het tegen Heeröldt wel hebben afgelegd.
In de 2e klas naar prent ging de prijs naar Dirk de Munck (ca. 1800-1857) die huisschilder werd. Charles Modera (1801-1890) winnaar in de 3e klas naar prent had een Waalse predikant als opa. Zijn vader Jan Adriaan zal van de ontwikkelingen na 1795 geprofiteerd hebben: hij schopte het tot president van de rechtbank in Middelburg. Charles deed het kalmer aan en werd rijksontvanger in achtereenvolgens Haamstede, St. Laurens en Domburg.
Blijkbaar moest ook hier in de 3e klas naar prent een echt talent recht gedaan worden. Huibregt Ooms (ca. 1803-1830) kreeg een ‘bewijs van bevrediging’, waarna in de volgende jaren nog drie prijzen zouden volgen. Net als zijn vader was hij goud- en zilversmid, maar zijn talent zal hij door zijn vroege dood maar beperkt botgevierd kunnen hebben.
In de bouwkundeafdeling ging de prijs in de 2e klas naar Gerrit Vroone (ca. 1800-1854), die timmerman werd, na in 1819 de afdeling bouwkunde als primus afgesloten te hebben. Jan Eliza van Beaumont (1805-1834) was de winnaar in de 3e klas bouwkunde. Hoe zijn carrière verlopen zou zijn als hij niet zo jong was gestorven? Zijn vader had een timmerbedrijf en handelde zo nu en dan in huizen. Bij het overlijden was hij opzichter bij de waterstaat.
En onder aan de lijst is er weer een raadsel. Wie was Johannes François Warnau? Hij won in 1817 in de 4e klas bouwkunde en het jaar erop in de 3e. Op geen enkele manier is hij, ook niet onder naam varianten als Warnar, zoals hij in het jubileumboek voorkomt, terug te vinden.
De teller van het aantal winnaars is met 1 gestegen en staat nu op 562.
Arnold Wiggers
B.C. Heeröldt (1799-1877), Een jonge boerin van Walcheren, ca. 1820-1840 – Zeeuws Archief, KZGW ZI-III-0905
Pieter Gaal, Gezigt van de zoutkeet De Hoop te Arnemuide, gewassen tekening, 1806. Pieter Gaal (1769-1819) was leerling, bestuurder en mogelijk leermeester aan de Teeken Akademie – Zeeuws Archief, KZGW ZI II 57
Jacob Boudewijnse werd in 1787 geboren. In 1801, 1803, 1805 en 1806 kreeg hij een prijs in de bouwkunde tijdens de jaarlijkse bijeenkomsten van de Teeken Akademie. In 1809 huwde hij Maria Wellen (Welle) met wie hij meerdere kinderen kreeg. Jacobus was timmerman en vermoedelijk had hij een aannemersbedrijf. Vanuit de Korte Noordstraat waar hij woonde sprokkelde hij zo links en rechts wat onroerend goed bij elkaar, wat hem een geziene Middelburger maakte. Hoe word je anders honorair lid van de Teeken Akademie? Bij de benoeming in dat jubileumjaar 1828 -de academie bestond 50 jaar- had hij zijn eerste benoeming in de kerkenraad al achter de rug, waarvan er nog meer zouden volgen. Hij overleed in 1846 en zijn vrouw in 1857.
De oudste zoon Adriaan (ca. 1810-1847) won driemaal een prijs, waaronder die van primus in de 1e klasse bouwkunde in 1830. Hoewel hij als aannemer van publieke werken in het huwelijk trad, is hij ook zoutzieder geweest. Zijn vader Jacob speelde daarbij een belangrijke rol. Zoutzieder Willem Bernard van Deinse adverteerde tussen 1829 en 1832 in de Middelburgsche Courant met keetzout, grof en fijn (‘of zogenaamd Boter-Zout’). Vijftig pond of meer was af te halen in de zoutkeet in Arnemuiden, op de Dijk, wijk B nr. 58 of bij hem thuis op de Rouaanse kaai. Kleinere hoeveelheden waren bij de weduwe Van Deinse op de Londense Kaai te verkrijgen. In dat laatste jaar kocht hij de zoutkeet op nr. 59 waarmee hij tot zijn dood in 1839 actief bleef. En dat terwijl hij bij leven advocaat, procureur en griffier was.
De zoutkeet op nr. 58 werd in 1832 overgenomen door Abraham van Eenennaam en Jacob Boudewijnse. Ook bij hen was 50 pond of meer bij de keet op te halen of werd zelfs bezorgd. Kleinere hoeveelheden waren vanaf 1833 te koop bij Adriaan in de Noordstraat D 70. Ook hier zal het zout een bijzaak zijn geweest. Na het overlijden van zijn vader Jacob zal Adriaan het (timmer)bedrijf en de zoutverkoop ter hand hebben genomen, doch niet voor lang. Op 18 november 1847 kwam hij te sterven. In het overlijdensregister werd hij timmerman genoemd, maar zijn vrouw Pieternella Johanna de Meijer liet in een advertentie weten de zoutziederij voort te zetten. Een tweede zoon, Steven Johannes (1812-1845), kreeg in 1830 een aanmoedigingsprijs in de 2e klasse bouwkunde. Hij vestigde zich als metselaar en steenhouwer en had zijn eigen ‘affaire’. Na zijn overlijden nam de firma Jacob Boudewijnse en Zoon de activiteiten van Steven Johannes over. Niet voor lang dus, want Jacobus moet toen al gekwakkeld hebben met zijn gezondheid en ook Adriaan zou niet lang meer te leven hebben. Met zout uit de zoutketen in Arnemuiden werd toen al niet meer geadverteerd.
Arnold Wiggers
Advertentie in de Middelburgsche Courant van 07-02-1833 voor zout van de keet te Arnemuiden – krantenbank.nl
Voorzitter Arnold Wiggers bedankt Aagje Feltbrugge, Albert Meijer, Anja Zandee, Jan de la Hayze, Ko de Jonge, Klaas de Vos en Klazien Minderhoud voor de inzet van vele jaren. Er worden verhalen over projecten uit het verleden opgehaald – foto: L. Labeur
Op 24 april was er een afscheidsborrel met alle bestuursleden die sinds 2020 afgetreden zijn en oud dirigerend lid Jan de la Hayze. Een mooie gelegenheid om nog eens bij te praten over toen, nu en straks en hen te bedanken voor hun inzet.
Tijdens deze bijeenkomst met oud-bestuursleden werd tevens een uitbreiding van deze website gepresenteerd. De jongste geschiedenis van de Teeken Akademie is nu ook terug te vinden op het web. Uit het archief van Ko de Jonge is veel materiaal geschikt gemaakt om met het publiek te delen. U vindt de informatie hier en hier.
Binnenkant voorplat met binnen het groene papieren rondje de restanten van het lakzegel
Ach en wee! Wat is er toch allemaal met je gebeurd? Dat zou je willen vragen aan de prijsband die onlangs bij Veilinghuis Korendijk onder de (digitale) hamer ging. Het uitgangspunt was mooi: een anatomiewerk op groot formaat met veel platen op degelijk papier uit 1838. De tekst in twee kolommen (Nederlands en Frans) uitgegeven te Brussel onder de (Nederlandse) titel Ontleedkunde toegepast op de beeldende kunsten, ten gebruike der teeken, schilder-en-beeldhouw-akademien. Auteur was E.-F. Verhas, hoogleraar op de Akademie van Teeken- en Bouwkunde te Dendermonde.
Rug prijsband
Het moet een grote prijs zijn geweest bij de Algemene Vergadering op 14 augustus 1850. Voorzien van de gebruikelijke band met de medaillons op het voor- en achterplat. De schutbladen zijn in het prachtige blauwe marmerpapier dat zo vaak werd toegepast. En natuurlijk op de achterkant van het voorplat is centraal het rode lakzegel met de tekst ‘Vernuft en vlijt’ aangebracht. Tot slot zijn de sneden met een blauw kamstijfsel nog zwierig gedecoreerd. In één woord: Af.
Mogelijk was Marinus Quintus Mz. de winnaar. Hij was dat jaar de primus in de tweede klasse naar pleister en werd in het verslag in de Middelburgsche Courant als eerste boekwinnaar genoemd. Marinus was de zoon van Marinus Quintus en Elizabeth de Munk. Marinus senior was geboren in Burgh in het schoolmeestersgezin van Jan Quintus. Hij en zijn broer Andries werden ook schoolmeester: Marinus te IJzendijke en zijn jongere broer in Terneuzen. Op 14 november 1829 zag Marinus jr. het levenslicht. Op enig moment zal hij naar Middelburg gestuurd zijn om daar naar school te gaan. In elk geval bezocht hij de Teeken Akademie, waar hij in 1848, 1849 en dus ook in 1850 een prijs kreeg.
Zijn talent heeft hem niet behoed voor rampspoed. Op 26 februari 1856 om 5 uur ’s middags blies hij in Geel in de provincie Antwerpen zijn laatste adem uit; zonder beroep, ongehuwd en pas 26.
En ook de (zijn?) prijs uit 1850 heeft zijn beste tijd inmiddels wel gehad. Uiteraard is de prijsopdracht -vermoedelijk al lang geleden- uit het boek verwijderd, zoals gebruikelijk was voor boeken die de handel ingingen. Het voorplat is losgeraakt. Waar het lakzegel zat, gaapt nu een gat. Menig blad is losgeraakt omdat de touwtjes in de rug geknapt zijn. Daarbij komt dat het boek waterschade heeft gehad, waardoor sommige bladen door kringen ontsierd worden en op de sneden ‘vervild’ zijn. Het zwierige blauw op de sneden is met moeite te zien. Een flardje van de rug met het titelschildje zat halverwege de kijkdagen nog vast, maar heeft de veiling niet meer op zijn originele plaats gehaald. We hebben weer een band aan ons bestand toegevoegd. Pijn doet het wel.
Op donderdagmiddag 7 april 2022 kwam ook de andere stadstekenklas, groep 6 van basisschool het Talent, naar het Zeeuws Museum om de oude pleisterbeelden van de Teeken Akademie, die bewaard worden in het museum, te tekenen. Een fotoverslag.
De stadstekenklas op de foto en houdt de tekeningen van de pleisterkoppen omhoog.
Op donderdag 7 april bezocht stadstekenklas , klas vwo tto 2 van CSW Van de Perre, het Zeeuws Museum om te tekenen naar pleister. Hieronder een fotoverslag.
Kunstenaar en bestuurslid Leen van Duivendijk geeft een introductie over de pleisterbeelden van de Teeken Akademie, die bewaard worden door het Zeeuws Museum. Er wordt aandachtig gewerkt.
J. Callenfels P.W.zn, De Groote Markt en een gedeelte van den Stadhuis Toren te Sluis in Vlaanderer te Zien in het begin van het jaar 1827 – Zeeuws Archief, KZGW ZI II, 3198
De Krantenbank Zeeland maakt het niet alleen veel gemakkelijker om Zeeuwse kranten te doorzoeken, blijkbaar zijn er ook jaargangen opgenomen die voorheen niet beschikbaar waren. Zo liep ik tegen het verslag van de Algemene Vergadering van de Teeken Akademie (toen gespeld als Teeken-Academie) van 7 mei 1800 in de Middelburgsche Courant van de dag daarop aan.
Wie meedeed aan de prijsinschrijving deed dit onder een motto en niet onder zijn naam. De ‘bekeuring’ zoals de selectie hier heette, gebeurde dus anoniem door ‘daartoe aangezogte Mede-Kiezeren’. Na de keuring werden de enveloppen met winnende motto’s geopend, waardoor de winnaars bekend werden. Omdat de prijsboeken door de secretaris voorzien moesten worden van geschreven opdrachten, waren de winnaars ruim voor de vergadering bij het bestuur bekend en kon het stukje voor de krant alvast aangeleverd worden. Wie de prijsuitreiking zou doen, moest dan later nog ingevuld worden. Dat is de krant op 8 mei komischer wijze vergeten dus vinden we in het verslag dat …… de uitreiking deed met ‘gepaste aanspraken’. Wie dat was, zal dus wel eeuwig een raadsel blijven.
De winnaars waren:
Callenfels, Jacobus; naar het pleisterbeeld
Baare, Johannes Jacobus de; naar het pleisterhoofd
Welle (Weele), Christoffel; 1e klas prent
Serlé, Johannes; 2e klas prent
Schinkel, Peter de; 3e klas prent
Roover, Jacobus de; 1e klas bouwkunde
Vergouwe, Johannes Pieter; 2e klas bouwkunde
Het waren jaren van doorlopende oorlogen en economische ellende, wat zijn weerslag op de academie had. Minder leerlingen en dan ook minder prijswinnaars. Doordat er zoveel jaargangen van de krant in de Franse tijd ontbreken, is alleen Jacobus de Roover in het jubileumboek van 2004 opgenomen. Hij had in 1795 al een prijs gewonnen naar prent. Een Jacobus de Roover, oud 22 jaar, werd in april 1800 begraven. Hij is de laatste met die naam in deze jaren. Dat zou betekenen dat hij de prijs nooit in ontvangst heeft genomen…
Van geen enkele prijswinnaar uit 1800 is een tekening of een ander aandenken aan hun opleiding aan de Teeken Akademie bewaard gebleven. Wel is er zeker een tekening van Jacobus Callenfels (ca. 1783-1852) uit 1827 van Sluis bekend en mogelijk een tweede. Jacobus werd ca. 1783 in Middelburg als zoon van Pieter Willem Callenfels en Maria Susanna Lombard geboren. In 1806 huwde hij Adriana Baden (ca. 1780-1841). Op 3 mei 1810 liet hij in de krant weten dat hij metterwoon vertrok van de Haringplaats E 107 in Middelburg. Hij huis hield hij blijkbaar aan tot 1829, toen het begin januari verkocht werd. Vermoedelijk vestigden de echtelieden zich in Sluis, waar hij behalve huisschilder dus ook vrij werk maakte. Beiden overleden in deze stad.
Christoffel Welle komt in de archieven ook voor als schilder en overleed op 38-jarige leeftijd in 1822. Johannes Serlé zal vermoedelijk koopman zijn geweest, terwijl Johannes Pieter Vergouwe als timmerman zijn brood verdiende. Van de overige winnaars is (nog) geen informatie gevonden.
De stand staat nu op 558 met naam bekende winnaars. Er volgen er meer.
Arnold Wiggers
(Volgens beschrijving) J.W. Callenfels G.W. zn, Het Stadhuis van Sluis in Vlaanderen 1826. Zeeuws Archief, KZGW ZI II, 2211. Mogelijk werk van J. Callenfels P.W. zn.