Afgelopen week is de Teeken Akademie, na een periode van coronamaatregelen, weer op locatie geweest, op bezoek bij de stadstekenklas. Centraal stond het maken van een prent. Groep 6, de klas van juf Marjan Rouw van basisschool Het Talent, heeft met toewijding de techniek van het etsen tot zich genomen.
Dechayro inkt een etsplaatje in – foto: L. LabeurDechayro bij de mobiele pers – foto: L. LabeurZarah toont haar etsafdruk – foto: L. LabeurAlle gemaakte etsjes – foto: L. LabeurHet materiaal dat gebruikt is voor de etsles – foto: L. LabeurEen tekening van de Oostkerk uit het schetsschriftje van Niek – foto: L. Labeur
J.H. Hollestelle, (1858-1920), Ingang Gasthuis aan de Lange Delft, afgebroken 1867 – Zeeuws Archief, KZGW ZI II 661
Allen geboren in Middelburg en dan behoren tot de Maastrichtse tak van de familie? Dat ‘overkomt’ de nabestaanden van kleermaker Johan Bernardus Sprenger (1751-1815) in de Genealogie Sprenger op internet. Deze lutheraanse familie moet niet verward worden met de Sprengers die o.m. in de Middelburgse Commercie Compagnie, het stadsbestuur en in hun eigen firma Sprenger & Spoor aan de Kousteensedijk functies hadden. Ze waren niet eens verwant.
‘Onze’ Sprengers zijn de zoon Christoffel Johan (1792-1818) en zijn zoon Johan Pieter (1813-1867). Dan diens neven Willem Christoffel (1819-1886) en Albrecht Marinus (1822-1850). Tenslotte de zoon van de laatste: Johan Jacob Abraham (1849-1924). Drie generaties en alle vijf door de Teeken Akademie van prijzen voorzien. Van geen van hen is teken- of schilderwerk overgeleverd.
Christoffel Johan en Willem Christoffel zouden (huis)schilder worden, Johan Pieter (scheeps)timmerman, Albrecht Marinus commies bij de Directie Walcheren en Johan Jacob Abraham opzichter bij de Waterstaat in Den Haag. Het ‘Maastrichtse’ ontstaat in de negentiende-eeuw als een jongere broer van W.C. en M.A. in het militair een administratieve carrière maakt en in de Limburgse hoofdstad terechtkomt.
Op 15 juli 1840 ontving W.C. Sprenger een aanmoedigingsprijs voor zijn prestaties in het tekenen naar naakt levend model. Het is verleidelijk te fantaseren dat toen het Algemeen kunstenaers handboek van Jean de la Fosse (Amsterdam ca. 1787) met al zijn gravures op groot formaat aan hem is uitgereikt. Helaas is de prijsopdracht van de prijsband in de ZB verdwenen, dus zal het bij speculeren moeten blijven.
In de genealogische databank Zeeuwen Gezocht (Zeeuws Archief) is het leven van W.C. te volgen. Hij huwde in 1843 Johanna Rubbens, hoedenmaakster, met wie hij twee kinderen kreeg. Wonen deed de familie in de Lange Delft H 25 tussen het Gasthuis (de Gasthuiskerk is een restant) en het bij de Segeerstraat gelegen Postkantoor. En dat zou consequenties hebben: tussen 20 mei en 3 juni 1857 was hij in het Gasthuis opgenomen, lijdende aan de ‘kinderziekte’. Dat klonk onschuldig, maar was het zeker niet: pokken! Al was sinds 1796 door Edward Jenner met de koepokinenting een methode gevonden om de ziekte te voorkomen, het inenten (vaccineren) ondervond weerstand. Daar kwam bij dat de bescherming niet levenslang was en herhalingsvaccinaties erbij inschoten.
Het uit vele gebouwen en vertrekken bestaande middeleeuwse gasthuis voldeed al lang niet meer. Besmettelijke zieken waren moeilijk te isoleren. De opname van een schippersknecht met pokken in december 1854 zou tot een heuse uitbraak van de ziekte leiden. J.C. de Man wist aan te tonen dat de smid en zijn knechtje die de kachel kwamen repareren de ziekte in de dichtbebouwde wijk bij het Gasthuis onbedoeld verspreidden, waarna de ziekte jaren bleef huishouden. Het armbestuur betaalde de behandeling van de armen die de meeste pokken-patiënten uitmaakten, terwijl W.C. voor eigen rekening werd verpleegd. Hoe hij het ziekbed heeft doorstaan is niet bekend. Duidelijk was wel dat in Middelburg doorgepakt moest worden om te komen tot een modern Gasthuis. In 1866 opende dat met financiële hulp van het Familiefonds Hurgronje zijn deuren aan het Noordpoortplein.
Arnold Wiggers Zie ook: J.L. Kool-Blokland, De Zorg gewogen. Zeven eeuwen godshuizen in Middelburg (Middelbug 1990).
J.C. de la Fosse, Algemeen kunstenaers handboek of schatkamer voor alle beoefenaaren van kunsten en wetenschappen (…) (Amsterdam, z.j. [ca. 1787]) Prijsband van de Teeken Akademie, uitgereikt 15-07-1840 – ZB Kluis 1125 C 5J.C. de la Fosse, Algemeen kunstenaers handboek of schatkamer voor alle beoefenaaren van kunsten en wetenschappen (…) (Amsterdam, z.j. [ca. 1787]) Lakzegel prijsband van de Teeken Akademie, uitgereikt 15-07-1840 – ZB Kluis 1125 C 5J.C. de la Fosse, Algemeen kunstenaers handboek of schatkamer voor alle beoefenaaren van kunsten en wetenschappen (…) (Amsterdam, z.j. [ca. 1787]) Titelpagina prijsband van de Teeken Akademie, uitgereikt 15-07-1840 – ZB Kluis 1125 C 5J.C. de la Fosse, Algemeen kunstenaers handboek of schatkamer voor alle beoefenaaren van kunsten en wetenschappen (…) (Amsterdam, z.j. [ca. 1787]) Prijsband van de Teeken Akademie, uitgereikt 15-07-1840. Opdracht uitgesneden – ZB Kluis 1125 C 5J.C. de la Fosse, Algemeen kunstenaers handboek of schatkamer voor alle beoefenaaren van kunsten en wetenschappen (…) (Amsterdam, z.j. [ca. 1787]) Rug prijsband van de Teeken Akademie, uitgereikt 15-07-1840 – ZB Kluis 1125 C 5
Legaat van A.A. des Tombe aan het Zeeuws Genootschap in 1903 – Zeeuws Museum G1661
Zo werd Willem Jan van den Berghe (1823-1901) in zijn necrologie genoemd, die op 10 juli 1901, een dag na zijn overlijden, in de Middelburgsche Courant verscheen. ‘Met een oogopslag wist hij een goed schilderij van een minder goed te onderscheiden.’ Blijkbaar betrof dat kritisch-zijn vooral zijn eigen werk: ‘hij werkte ijverig en nauwgezet en onder wat hij wrochtte komt zeer veel goeds voor’. Zijn leerlingen wist hij ‘liefde voor de kunst in te boezemen’, ondanks dat de schrijver onder hen vooral middelmaat zag.
Onvermoeibaar heeft hij zich vanaf zijn definitieve vestiging in Middelburg in 1862 tot aan zijn dood ingezet voor alle initiatieven die tot doel hadden kunst onder het publiek te brengen. Voor de vereniging Uit het Volk-Voor het Volk en voor het Kunstmuseum liep hij zich blijkbaar het vuur uit de sloffen. Hij wist kunstenaars te bewegen werk naar Middelburg te zenden voor exposities en hielp tentoonstellingen inrichten, waarin ook werk van hem te zien was. Daarbij moet hij dat met veel ‘plichtsbesef’ hebben gedaan, ‘zonder zich op de voorgrond te dringen’. Of dat een keurig eufemisme is om aan te duiden dat andere heren uit de betere kringen uiteraard de eerste viool in dit soort organisaties speelden? Het standsverschil zal voelbaar zijn geweest.
In 1877 werd Willem Jan van den Berghe de Zeeuwse correspondent voor Vereeniging tot Bevordering van Beeldende Kunsten. Een door de Amsterdamse Maatschappij Arti en Amicitiae in 1845 opgerichte vereniging. Voor ƒ 5,00 kon men lid worden, wat zonder meer jaarlijks recht gaf op een steendruk. Tevens diende het als lot voor de jaarlijkse loterij, waarvoor nieuw werk bij kunstenaars werd aangekocht. Ook dit correspondentschap bleef de kunstenaar tot het levenseind toe vervullen.
Toen het initiatief om te komen tot een standbeeld voor Frans Hals zich vanuit Haarlem in 1895 over het land verspreidde, was het waarschijnlijk geen verrassing dat W.J. van de Berghe, naast andere heren, in het comité hier ter plaatste zitting kreeg.
Sociaal betrokken was Van den Berghe ook. In augustus 1875 werd Zuid-Frankrijk getroffen door ernstige overstromingen. De ellende trok internationaal aandacht en ook de kunstsector in de Lage Landen betoonde zich actief. In Antwerpen werd een grote loterij georganiseerd met ingebrachte kunstwerken als prijs. Van den Berghe werd de Middelburgse promotor. Loten waren te koop bij Boekhandel Den Boer en bij hem aan de Londense Kaai H 66 (nu nr 9). De vrijgezelle schilder voerde daar een huishouden met zijn eveneens ongehuwde zuster Catharina Wilhelmina (1826-1912). Uiteindelijk zou de verloting pas in juni 1876 plaatsvinden en het lijkt erop dat niet alle loten een koper hadden gevonden.
Een ander initiatief waar hij zich voor inzette was het St. Nicolaasfeest voor kinderen van min- en onvermogenden in 1889. Maar liefst 1375 kinderen kwamen voor dit feest in aanmerking, waar een dames en een heren comité zich voor inzetten, om niet alleen geld, maar ook ‘in onbruik geraakt speelgoed’ bijeen te brengen voor een heerlijk avondje.
Wat dr. J.C. de Man aan de groeve over de schilder heeft gezegd, is niet overgeleverd. De necroloog kraakte in de krant een dag na het overlijden alvast een kritisch nootje, want ‘mocht hij –voor een deel als gevolg van zijn eigenaardig karakter- niet door allen op de rechte waarde worden geschat, toch een open plaats nalaat’.
Arnold Wiggers
W.J. van den Berghe (1823-1901), Koeienlandschap, olieverf op paneel, 23,5 x 34 cm.
Schilderij aangeboden begin februari 2022 bij Catawiki en onverkocht gebleven (schatting € 2.400- € 2.700)
De ondertekening van het stadstekenschap door striptekenaar Boris Peeters en de voorzitter van de Teeken Akademie Arnold Wiggers – foto: Teeken AkademieDe ondertekening van het stadstekenschap-liefhebber door urban sketcher Christien van Driel en de voorzitter van de Teeken Akademie Arnold Wiggers – foto: T. K. HoekstraDe ondertekening wordt feestelijk omlijst met ‘Om prijs en Plaats’, een boek over de geschiedenis van de Teeken Akademie – foto: T. K. Hoekstra‘Om prijs en Plaats’, een boek over de geschiedenis van de Teeken Akademie – foto: T. K. Hoekstra
De kans is groot dat de kinderjaren van Willem Jan van den Berghe (1823-1901) en zijn zusje Catharina Wilhelmina (1826-1912) door gebrek gekenmerkt zullen zijn. Op papier zag het er bij het huwelijk van hun ouders Pieter Engelz van den Berghe en Elisabeth Laurina de Gruson in augustus 1822 zo slecht niet uit: hij liet noteren dat hij directeur van het weeshuis was en zij particuliere. Overdreven jong waren ze met respectievelijk 34 en 36 jaar ook niet, wat hen in staat zal hebben gesteld wat geld achter de hand te hebben. Helaas. Een paar maanden na de geboorte van zijn dochtertje doet Pieter een dringend beroep op het provinciaal bestuur hem te benoemen op een vrijgekomen plaats op de griffie. Vier jaar lang heeft hij in het Bedelaarsgesticht voor eigen rekening geprobeerd ‘lakens, baaijen en carsaaijen’ te laten weven wat geen succes is geworden. Het zou kunnen dat hij het Armenweeshuis -op de plek van het Gasthuis- in deze jaren bestierde, dat als weeshuis in 1812 verlaten was. Hij is van zijn directeurschap in het gesticht ontheven, zo noteerde een klerk, en bevond zich nu zonder enig bestaan. Aangenomen werd hij niet, ook niet in 1828 toen hij tweemaal solliciteerde. Hij stierf in 1855 als expediteur. Willem Jan was toen al een gerenommeerd kunstschilder.
Hoe was hij na zo’n start zover gekomen? Als jongeling had hij een kantoorbaantje en bezocht in de wintermaanden de lessen op de Teeken Akademie. Met succes. In 1842 werd hij tot de beste in de eerste klas naar prent uitgeroepen. In 1845 volgde nog een prijs in doorzichtkunde, waarna hij naar Antwerpen vertrok om bij stadgenoot -ook leerling van de Teeken Akademie- Abraham van der Waeyen Pietersz. (1817-1880) te leren schilderen, mogelijk met steun van honoraire en dirigerende leden van de Teeken Akademie. Op een expositie in Brussel in 1848 viel hij in positieve zin op. Tussen 1847 en 1851 maakte hij studiereizen naar de Ardennen, het Zwarte Woud, Beieren en Tirol. Middelburg hield hem in de gaten en zo was er in augustus 1850 van Van der Waeyen en Van den Berghe werk te zien in de Teeken Akademie. Een jaar later werd er weer werk van hem getoond en meldde de Middelburgsche Courant dat hij van zijn reizen was teruggekeerd. Kiezen voor Middelburg deed hij voorlopig niet. Tussen 1853 en 1862 woonde hij in Den Haag, waar hij verder aan zijn oeuvre en reputatie als landschapsschilder werkte.
Herten bij avondlicht, olieverf op paneel, W.J. v.d. Berghe (1823 – 1901) – twentsveilinghuis.nl
Na zijn definitieve terugkomst naar de Zeeuwse hoofdstad zette hij zich waar mogelijk in voor de bevordering van de kunst. In 1864 was er een schilderijententoonstelling in de bovenzaal van het Stadhuis. De criticus van de krant ging kijken. Niet al het werk besprak hij, maar bij Willem Jan van den Berghe bleef hij even stilstaan. Er waren twee werken van hem te zien en ‘het doet ons genoegen deze schilder niet in Tyrol te ontmoeten’. (Toen moest de expositie van 1866 nog komen waar het thema bergen door minstens 3 schilders werd behandeld… ) Hij zag een positieve ontwikkeling in het werk van de kunstenaar. De krant wilde nog wel even kwijt dat ƒ 0,25 als entree toch wel erg gortig was, wilde men ook de gewone man binnenkrijgen. En juist die kunstpromotie lag Willem Jan na aan het hart. (wordt vervolgd)
Onder de titel ‘Doorzichtkunde. De Middelburgse schildersfamilie Worrell’ verscheen in De Wete (2022 afl. 1) van de Heemkundige Kring Walcheren een papieren versie van wat al even hier op deze site te lezen was. Een ander medium brengt natuurlijk ook weer andere lezers en ik was bijzonder aangenaam verrast een mailtje te ontvangen van een van hen met de mededeling:
‘… laat ik nu in het bezit zijn van een leuk schilderij gesigneerd A.B. Worrell. Een melkmeisje met een schelphoed op. Een paneeltje van ongeveer 45 x 30 cm.’
A. B. Worrell, Een melkmeisje met een schelphoed op. Olieverf op paneel, 45 x 30 cm – Particuliere collectie
Abraham Bruinings Worrell werd in 1787 geboren en stierf in Engeland vermoedelijk in 1852. Na zijn tweede huwelijk in 1813 vertrok Worrell met zijn Engelse bruid naar haar geboorteland. Hij is vooral bekend van landschappen en genrestukken waarop vele koeien en andere dieren te zien zijn. In die laatste categorie valt het nu gesignaleerde stuk en het is aantrekkelijk te denken dat het tafereel op Walcheren gesitueerd is.
Het RKD kent 5 schilderijen van hem. Het meest bediscussieerd is ‘Vee bij de rivier, bij Dordrecht met Huis te Merwede op de achtergrond’. Ooit is geprobeerd dit voor een Aelbert Cuyp te verkopen. De datering lijkt met tussen 1780-1799 aan de vroege kant voor iemand geboren in 1787. In elk geval kan het ook als compliment opgevat worden dat men dit voor een Cuyp aanzag. Gezien de populariteit van Cuyp en van dit soort scènes in Engeland is het niet vreemd om te veronderstellen dat dit werk juist voor die markt gemaakt is. Zie ook de tentoonstelling in Dordrecht: ‘In het licht van Cuyp’ (tot 6 maart 2022). Gesigneerd en gedateerd 1825 is de ‘Melkmeid met haar vrijer in een rivierenlandschap’, een genrestukje van het soort waar je tegenwoordig de handen niet meer voor op elkaar krijgt.
Een niet gedateerd schilderij ‘Koeien met ruiter en koeienhoeder in een landschap’ is het meest verwant met het schilderij dat de lezer van De Wete bezit: hier wordt het al twijfelachtig of dit wel in onze contreien is. Het sluit helemaal aan bij de ‘Cuyp-rage’ in Engeland. Dan zijn er nog ‘Koeien en schapen in een landschap’ uit 1841, dat op het werk van Paulus Potter geënt lijkt en een ‘Landschap met brug, vee en een ruiter’ uit 1845.
Er zijn meer schilderijen van hem bekend dan het RKD in zijn bestand heeft. Een kleine rondgang op het internet levert zo nog eens zo’n 25 schilderijen op. Zo te zien hangt er geen schilderij van Abraham Bruinings Worrell in een Zeeuws depot of op zaal. Daar kan natuurlijk verandering in komen: nog niet zo lang geleden werd een werk aangeboden bij Catawiki, dat niet verkocht werd. Mogelijk duikt het met al deze belangstelling voor de schilder weer eens op.
‘Jureren is secuur afwegen en doorspreken met elkaar’
Twee jury’s hebben zich gebogen over de 31 inschrijvingen voor de nominatie van Stadstekenaar Middelburg 2022.
De jury van de categorie stadstekenaar-liefhebber heeft 16 inzendingen beoordeeld. Onafhankelijk van elkaar en unaniem is gekozen voor
CHRISTIEN VAN DRIEL – Stadstekenaar-liefhebber
‘De fijne losse tekeningen zijn bijna alle voorzien van geschreven commentaar, waardoor het plaatje en het afgebeelde meer diepgang krijgt. Het is aanstekelijk en uitnodigend werk met een fijn oog voor details’.
De jury van de categorie stadstekenaar-beroepskunstenaar heeft 15 inzendingen beoordeeld en was eensgezind in haar oordeel:
BORIS PEETERS – Stadstekenaar
‘De keuze is op Boris Peters gevallen omdat hij een goed uitgewerkt plan heeft ingediend waarin sprake is van een aansprekende eigenheid door het willen zoeken naar verhalen naast het vastleggen in een echte tekenstijl.’
Het bestuur van de Teeken Akademie bedankt beide jury’s bestaande uit Lucy de Graaf, Mick Jansen en Sandra van der Meulen (categorie Kunstenaar uit Liefhebberij) en Monika Dahlberg, Tamara Dees en Marinus van Dijke (categorie Beroepskunstenaar).
‘Alle inzenders bedankt; er zat zeer veel moois, goeds en sprankelends bij. Vooral blijven doorgaan met tekenen.’
Een jaar lang gaan we Christien van Driel en Boris Peeters volgen. Regelmatig zullen we berichten over het werk van beide kunstenaars op onze website teekenakademiemiddelburg.nl en de sociale media.
(Alle citaten uit de juryrapporten)
Christien van Driel, Stadstekenaar-liefhebber 2022
De oostelijke muur van het Muntplein in de abdij, voor de restauratie in 1890, vervaardiger onbekend – Beeldbank Zeeland recordnr. 181484
Op de laatste dag van januari 1823 kwam Abraham Voerman op 71-jarige leeftijd te overlijden, in leven inspecteur van ’s Lands Gebouwen. Een benoeming voor het leven, een eer die Johannes Hubertus Reijgers (1767-1849) vervolgens toekwam. Hoewel eer? Sinds 1821 was het beheer en het onderhoud van de gebouwen waar ze gebruik van maakte, bij de provincie gekomen. En daar was het geen vetpot. Alles wat enigszins bouwvallig was, werd opgeruimd. De sinds augustus 1826 aangestelde commissaris des konings jhr. Ewoud van Vredenburch signaleerde een ‘buitengewoon havenloze en onbetamelijke staat’ van de huisvesting, waarmee hij zowel de kantoren als zijn eigen woning in het Abdijcomplex bedoelde. Vooral met de voormalige Munt op het Kloosterhof had hij ideeën.
De zuidelijke muur van het Muntplein in de abdij, voor de restauratie in 1890, vervaardiger onbekend, herkomst Inboedel/archief Hendrikse – Beeldbank Zeeland recordnr. 181483
Omwille van die Munt was er al in 1580 flink ingegrepen in de bebouwing rond de Kloosterhof. Zo waren er doorgangen naar de Groenmarkt en het Koorkerkhof gemaakt. Ten tijde van de Republiek in 1736 hadden de dagelijkse bestuurders uit Vlissingen en Middelburg die in de Abdij hun woning hadden de zo ongeveer aanpalende Kapittelzaal verbouwd tot stal. Onder gouverneur jhr. Van Doorn was in 1819 die stal nog uitgebreid en van een koetshuis voorzien. En de sloop ging door. Volgens Nagtglas ging het zo: ‘… en korte jaren voor zijn dood werd hem (= Reijgers) de post opgedragen van Inspecteur der Landsgebouwen. In die betrekking heeft de goede oude man zich, naar het schijnt, niet kunnen verzetten tegen de aandrang van den toenmaligen gouverneur van Zeeland, om de fraaie booggewelven … te doen afbreken, ten einde den stal van jhr Ewoud van Vreedenburch wat meer licht te bezorgen’.
Andere bronnen doen er nog een schepje bovenop. De reden om de gewelven op te ruimen was om de koets van de commissaris meer ruimte te geven om te kunnen draaien. Wellicht zullen de andere heren die met hun koets ter vergadering naar de Statenzaal gingen de kaalslag ook hebben kunnen waarderen. Dat het onherkenbaar werd, bewijzen foto’s van voor de restauratie van FrederiksAch, wat is er niet afgebroken voor het autoverkeer in de jaren ’60?
Waarom Reigers wordt voorgesteld als oude man bij de aanvaarding van het ambt, naast tekenleraar aan de Teeken Akademie, is onduidelijk. Ruim 25 jaar heeft hij de functie van inspecteur vervuld en daarin weldegelijk initiatief getoond. Weliswaar zijn onder zijn bewind in 1826 de kloostergangen voor driekwart voor sloop verkocht en tussen 1827-1833 afgebroken, hij heeft ook minutieus de booggewelven getekend waardoor deze bij de restauraties gereconstrueerd konden worden. Ook werden er delen opgeslagen die bij de eerste opknapbeurt in 1897-1899 herplaatst zijn.
Plattegrond met de booggewelven in de kloostergang rond het Muntplein (met het in 1827 afgebroken lokaal van de smeltoven) in de Abdij te Middelburg, met aanwijzing van de uitgangen, Johannes Hubertus Reijgers 1790/1827 – Zeeuws Archief, KZGW ZI II 528
Na zijn overlijden op 12 maart 1849 werd Reijgers in een necrologie in de Middelburgsche Courant geroemd. Dit voorkwam niet dat toen zijn weduwe in 1864 haar negentigste verjaardag vierde, een anonieme oproep in dezelfde krant verscheen met het verzoek aan de vereerders van haar overleden echtgenoot, de ‘niet in onbekrompen omstandigheden’ op de Kinderdijk levende vrouw te ondersteunen, omdat blijkbaar nog de Provincie noch de Teeken Akademie in een weduwenpensioen voorzag en ze zelf geen kapitaal had.
Arnold Wiggers
Gezicht op een deel van het Muntplein met de kloostergangen van de Abdij te Middelburg 1895 /1905 –
Zeeuws Archief, KZGW ZI Prentbriefkaarten 3190
Vier zilveren munten (a-d), gevonden op het strand oostwaarts van Domburg, met verklaring van de vondst in augustus 1817, Johannes Hubertus Reijgers – Zeeuws Archief, KZGW, ZI III 464-1
Behalve vaardig met schaar en mes was tekenaar Johannes Hubertus Reijgers ook bedreven in de techniek van het etsen en graveren. De politieke ontwikkelingen boden daar kansen. De Fransen waren in mei 1814 eindelijk ook van Walcheren vertrokken en de verschillende bestuurslagen konden opnieuw ingesteld worden. En waaraan heeft een nieuw bewind meer behoefte dan om zich te onderscheiden van zijn (verfoeide) voorganger. J.H. Reygers en de zilversmid D.H. Weissich adverteerden als compagnons in oktober 1814 tweemaal dat zij kunnen ‘maken en graveren alle soorten van Wapens, Stempels, Signetten (= zegelstempel of -ring) en Letters, om in Lak, Wasch, Ouwels, Inkt en Papier te drukken (met de daarbij benoodigde Gereedschappen), voor Collegien, Administratien, Kantoren van Convooien (= invoerrechten; douane) en Notarissen’.
Wat de exacte relatie -zowel zakelijk als privé- tussen Weissich en Reijgers was, blijft onduidelijk. Directe familierelaties tussen hen of hun (vier; beide heren waren tweemaal gehuwd) echtgenoten lijken er niet te zijn. Daniel Hendrik Weissich werd in 1764 te Zaltbommel geboren en was daarmee drie jaar ouder dan Reijgers. Zijn vader was een Lutheraan uit Hagen in Westfalen, die in 1765 naar Middelburg verhuisde. D.H. Weissich werd in 1801 in het gildeboek van de zilversmeden vermeld. Zijn keurmerk is vooral aangetroffen op sieraden behorende bij streekdracht, een snuifdoos en bijbelsloten.
Toen in 1815 de koning het Rijkswapen van het nieuwe koninkrijk vaststelde, boden Reijgers & Weissich hun diensten aan om dit op stempels en zegels te snijden. Een laatste advertentie van het tweemanschap verscheen in 1821 waarin zij zich aanbevolen voor het graveren van letters en figuren in alle soorten metalen, glas en kristal.
Ondertussen was Reijgers met ingang van het seizoen 1814-1815 benoemd als tekenleraar aan de Teeken Akademie. Hij was het die erbij werd geroepen, toen in maart 1817 N.C. Lambrechtsen van Rittthem, president van het Zeeuws Genootschap, in de Koorkerk het graf van rooms-koning Willem II, graaf van Holland en Zeeland ontdekte. Die was in 1256 in West-Friesland gesneuveld en later bijgezet in de Middelburgse abdij. Reijgers tekende onder meer de zerk, de nis en een plattegrond. Inmiddels weten we dat dat niet het graf van Willem, maar van zijn broer Floris de Voogd is. Zie het artikel van P. Henderikx in Archief 2014, waar de tekeningen ook zijn afgebeeld.
In augustus 1817 werden oostwaarts van Domburg op het strand vier zilveren muntjes gevonden. De vondst werd ook door Reijgers getekend en op een koperen plaat geëtst. Het gedrukte blad werd voorzien van een verklaring en te koop aangeboden voor 5 ½ stuiver bij de boekhandelaren Gebroeders Abrahams (die als krantendrukker het drukwerk wel verzorgd zal hebben), Van de Sande, Van Benthem en Ooms. Wist men destijds de grotere munt te plaatsen rond Lodewijk de Vrome (778-840), bij de drie kleintjes ontbrak toen de kennis. Het zijn sceatta’s, muntjes die rond 700 een belangrijke rol speelden in de handel rond de Noordzee. Een enkele is vermoedelijk in Walachrium, dat voor de kust bij Domburg in zee lag (ligt), geslagen, waarmee Reijgers en Weissich een vroege collega stempelsnijder op Walcheren gehad hebben.