De timmerlieden Van Velthoven en de Teeken Akademie

Middelburgsche Courant, 7 november 1843 – krantenbankzeeland.nl

Per januari 1826 begon Johannes Jacobus van Velthoven (1797-1841) zijn eigen ‘Timmermans-affaire’ ‘op het Molenwater, bij de Bree’. Tegenwoordig is dat de Zuidsingel met uitzicht op de school, destijds lag het aan het water. Bij zijn vader zal hij het vak niet geleerd hebben, want die was schoenmaker. De Teeken Akademie ligt voor de hand als opleidingsinstituut, doch prijzen won hij er niet, waardoor een gang naar dat instituut niet (meer) te bewijzen is. Wel moest hij al vroeg een gezin onderhouden: op 18-jarige leeftijd huwde hij in december 1815 de 4 jaar oudere Anna Maria Cornelia Stemme (1793-1854) die in april 1816 het leven schonk aan een dochter genaamd Maria Adriana (1816-1900). Zij en 3 van haar broers zouden van de negen kinderen de volwassen leeftijd bereiken. 

Zijn zuster Klazina van Velthoven (1800-1836) was getrouwd met timmerman Wilhelm Abraham Born (1798-1851) die om de hoek in de Bree woonde. De verhoudingen moeten goed geweest zijn, anders zou Van Velthoven zich ‘vanwege voortdurende ongesteldheid’ eind december 1832 niet verbonden hebben met zijn zwager tot de firma J.J. Velthoven & W.A. Born. De laatste beval zich in de advertentie nog aan voor beeldhouwwerk. Deze zakelijke liaison in de familie werd geen succes. Al in de Middelburgsche Courant van 21 mei 1833 liet J.J. van Velthoven weten dat per 18 mei jl. het compagnieschap ‘vernietigd’ was. 

Dat het in deze jaren (en daarna) geen vetpot was bij timmerman Van Velthoven kan ook afgelezen worden aan het verzoek aan de Maatschappij tot het Nut van ’t Algemeen in 1831 om de oudste zoon Jacobus van Velthoven (1818-1875) voor hun rekening lessen op Teeken Akademie te laten volgen. Hij was in oktober van dat jaar 14 en had bij meester Johannes Cornelis Reijers (1791-1850) op de Wal lager onderwijs gevolgd, wat ook al betaald was door het Nut. Inmiddels was hij bij zijn vader in de leer. Werd hij in 1831 geplaats, voor 1832 en 1833 besliste de Teeken Akademie op het verzoek van het Nut anders. Toch volgde hij de avondlessen in deze jaren, maar dan voor eigen rekening. Zonder nog een beroep op het Nut te doen, deed hij dat de volgende jaren ook. Met succes: in 1834 bracht hij het tot primus naar ornament en in 1838 ontving hij een aanmoedigingsprijs in de 2e klas bouwkunde. Mocht hij aansluitend in het winterseizoen 1838-1839 ook de cursus in de 1e klas bouwkunde gevolgd hebben, zou dat betekenen dat hij 8 winters op een rij naar de lokalen van de Teeken Akademie toog. 

Uit het archief van het Nut is duidelijk dat de tweede zoon Anthonie (1821-1900) zeker 8 opeenvolgende jaren cursussen aan de Teeken Akademie heeft gevolgd, waarvan 5 voor rekening van het Nut. Hij begon in 1833 toen hij als 12-jarige nog lager onderwijs bij meester Reijers volgde, wat toen door Van Velthoven sr. zelf betaald werd. Vermoedelijk heeft hij ook de bouwkunde lessen gevolgd, waarin hij het al die jaren -net zoals de meeste leerlingen- niet tot primus bracht. 

Voor de derde zoon Philippus (1823-1890) werd zover bekend geen beroep op het Nut gedaan om lessen aan de Teeken Akademie te volgen. Onderscheiden werd hij daar wel. In 1840 was dat als primus in de 3e klas naar prent. Vijf jaar later was hij primus in de 1e klas naar prent. Hoewel timmerman van beroep, moet hij echt tekentalent gehad hebben, gezien zijn advertenties in 1843 en 1847 voor lessen in het ‘Oostersch Bloem- en Vruchtschilderen’ in het pand aan het Molenwater (Zuidsingel). Maar hij bleek van meer markten thuis.

Arnold Wiggers

Zuidsingel in Middelburg. Het timmerbedrijf J.J. van Velthoven& Zonen zat op E 41, wat nu nr. 58 (deel appartementengebouw in het midden) zou zijn – Foto: Arnold Wiggers 08-10-2024

De prijswinnaars Born

De panden achter de Lutherse kerk aan de Bree werden bewoond door leden van de evangelisch lutherse gemeente, zoals Wilhelm Abraham Born en Klazina van Velthoven in het begin van de 19e eeuw op deze hoogte (nr. 30/32) – Foto: Arnold Wiggers 08-10-2024

Soms blijf je aan een naam in de lijst van leerlingen aan de Teeken Akademie hangen en hoop je mooi nagelaten werk te kunnen vinden. Dat is bij de prijswinnaars Born en Van Velthoven niet gelukt. Wel een opeenstapeling van bijzondere levenswendingen, die kleur geven aan het Middelburg van de 19de eeuw. Eerst wat rechtzetten: Wilhelm Abraham Borm zoals hij in de oorspronkelijke lijst (2004) voorkomt, is een leesfout. Hij heette Born. Niet de enige leesfout: wie de familie wil volgen in digitale genealogische bestanden moet vooral ook op Bom zoeken. 

Eerst de familie Born. Wilhelm Abraham Born (1798-1851) was de oudste zoon van Wilhelm Leopold Born (1762-1828), een Luthers soldaat die oorspronkelijk uit Nassau-Dietz kwam en via Nijmegen en Utrecht in Middelburg als koopman was neergestreken. Toen Wilhelm Leopold in 1797 Willemina van Kas (Cats) (ca. 1769-1837) trouwde, kwam zij uit Veere. Wilhelm Abraham won in 1819 een aanmoedigingsprijs in de 2e klas bouwkunde en in 1820 was hij primus in dezelfde klas. Zijn jongere broer Everhard Karel (1810-1876) kreeg in 1825 een aanmoedigingsprijs in de 3e klas naar prent en in 1828 was hij primus in de 4e klas bouwkunde. Het timmervak liet hij echter links liggen. Hij bleef zijn hele leven onder de wapenen en was in verschillende plaatsen als militair gestationeerd. Zijn echtgenote Maria Voeten (1809-1879) vond hij in Bergen op zoom in 1836. Daar werd ook hun oudste kind geboren, daarna een zoon in Terneuzen en dan nog 2 kinderen in Gorinchem. Hij stierf in Breda, zijn vrouw in Boxtel.

Wilhelm Abraham werd wel timmerman. In november 1820 trad hij in het huwelijk met Klazina van Velthoven (1800-1836) met wie hij 9 kinderen had, van wie er 5 volwassen werden. Met zoveel jonge kinderen wekt het geen verwondering dat hij nog in het jaar van overlijden van Klazina van Velthoven opnieuw in het huwelijksbootje stapte. Nu met Elisabeth van der Maat (1796-1872), wat om de een of andere reden geen succes werd. Of het er mee te maken had of niet: het was haar eerste huwelijk en eigen kinderen waren er niet en zouden ook niet volgen. In 1848 werd Wilhelm Abraham met zijn dochters Clasina (1824) en Maria Carolina (1833) in Vlissingen ingeschreven, komend van Amsterdam. In 1849 vertrok hij naar Gorinchem, waar toen zijn broer Everhard Karel woonde. Elisabeth was het zicht op haar man kwijt en begon in 1850 een echtscheidingsprocedure, die op de laatste dag van dat jaar zijn beslag kreeg. En toen kwam aan het rondtrekken een eind. Op 6 september 1851 plaatste Clasina namens broers en zusters een korte advertentie in de Middelburgsche Courant: ‘Den 1 September is te Rotterdam overleden onze Vader, Wilhelm Abraham Born, in de ouderdom van 52 jaren’. 

Clasina en Maria Carolina woonden in deze en volgende jaren (soms) in Middelburg. Halverwege de eeuw was Middelburg een stad met veel armoede en verval. In elk geval Maria Carolina moest tot het uiterste gaan om het hoofd boven water te houden. In 1852 en in 1853 werd ze in het Gasthuis opgenomen met de aantekening dat ze ‘een publieke vrouw’ was met een venerische ziekte. Haar opname werd bekostigd door het armbestuur van de Evangelisch Lutherse gemeente.

Zowel Clasina als Maria Carolina zijn op latere leeftijd getrouwd en in Rotterdam overleden: Clasina in 1912 toen ze 87 was en Maria Carolina 92 jaar oud in 1926. 

Arnold Wiggers

Drie generaties Bosdijk (2)

Kerkgebouw te Westkapelle. (Ontwerp)Tekening van Pieter Cornelis Bosdijk, 1834 – Zeeuws Archief, Collectie KZGW ZI-II-1333

Na Jan Bosdijk zou het ambt van stadsfabriek (stadsarchitect) nog 2 generaties in de familie Bosdijk blijven. In december 1792 huwde zijn oudste zoon Jacobus Bosdijk (1764-1831) met Pieternella van den Boer (ca 1763-1838). Bij dat huwelijk staat aangetekend dat ze uit Veere afkomstig is, hoewel ze een geboren Axelse was. Hun zoon Pieter Cornelis (ca. 1803-1843) volgde zijn vader als stadsarchitect op na hem jaren geassisteerd te hebben. Hun dochter Neeltje (ca. 1799-1834) trouwde de Vlissinger Barcatie (Baratie) Willem Dietz (1798-1864), die als graveur, lithograaf en tekenmeester in Arnhem nog landelijke bekendheid wist te verwerven.

Pieter Cornelis was een succesvolle leerling aan de Teeken Akademie: in 1820 primus in de 3e klas bouwkunde, 1821 primus in de 2e, 1822 primus in de 1e en in 1823 benoemd tot de primus in bouwkunde. In 1826 trouwde hij Elisabeth Pieternella Gondlach (ca. 1808-1888) met wie hij 9 kinderen kreeg van wie er maar 4 volwassen werden. 

In de verzameling historisch-topografische prenten van het Zeeuws Genootschap, de Zelandia Illustrata, zit een tekening van de nieuwe kerk te Westkapelle uit 1834 van de hand van Pieter Cornelis Bosdijk. Door een blikseminslag en de daaropvolgende brand in 1831 was het schip van de middeleeuwse kerk totaal verwoest. Van herstel werd afgezien en de restanten werden afgebroken. Gezien de tekening en ook de maten die er genoemd zijn, lijkt het op een ontwerptekening. Het kwam vaker voor dat de Middelburgse stadsarchitect ook voor andere plaatsen kerken tekende. Hij kende de kneepjes van het vak, waardoor het ministerie van Eredienst dat als grootste betaler toestemming tot bouw moest geven eerder akkoord ging. In dit geval toch niet zonder meer, want het uiteindelijke gebouw werd ten opzichte van de tekening enigszins versimpeld. In oktober 1944 werd de kerk door oorlogshandelingen verwoest en niet herbouwd.

Mogelijk omdat de functie ‘stadsfabriek’ werd opgeheven, stond Pieter Cornelis vanaf 1838 te boek als ‘particulier’, wat hij tot zijn dood in 1843 zou blijven. Wonen deed hij in de Gravenstraat waar de familie een eigen huis had. Zijn enige zoon Jacobus Pieter (1827-?) huwde eind augustus 1850 de hoogzwangere Sara Anna de Munck (1826-1894). In november 1850 werd een dochter geboren en in 1852 een zoon, die in 1854 stierf. In 1869 werd het huwelijk ontbonden. Van Jacobus Pieter ontbreekt dan elk spoor. 

Een neef van Pieter Cornelis, Jan Adrianus Bosdijk (1801-1860), werd in 1816 primus in de 4e klas bouwkunde. Hij was de zoon van Johannes Bosdijk en Hermina de Rover (1775-1823). Toen het echtpaar trouwde in 1797 kwam de bruid uit het Burgerweeshuis aan het Molenwater. Het is onduidelijk of ze daar als wees of als personeelslid was gehuisvest. Johannes werd winkelier in de Hoogstraat, wat een ongelukkig verloop had. In oktober 1817 werd hij failliet verklaard waardoor hij, net als zijn zoon Jan Adrianus, de kost verdiende als timmermansknecht. Jan Adrianus huwde in 1830 Sara Pieternella de Perre (ca. 1803-1841) en na haar overlijden met Johanna Willemsen (1816-1892) in 1842. Zijn gezondheid was matig, waardoor hij op latere leeftijd (o.m. in 1855) in het Gasthuis terecht kwam, waar met enige bezorgdheid werd geconstateerd dat hij naast zijn slechte benen ook nog 10 kinderen te onderhouden had.

Arnold Wiggers

Zuidstraat Westkapelle met Hervormde Kerk, richting Dijk, ca 1935. Prentbriefkaart – Beeldbank Zeeland, record nr. 27347

Drie generaties Bosdijk (1)

Jacobus Bosdijk, ‘In de Walsche Kerk aan de noort zijde is dit graf keldertie bij de ontgraaving al zoo gevonden’. Tekening 1799 – Zeeuws Archief, Collectie KZGW, ZI-II-0634

Er gaat geen dag voorbij of ik zie gebouwen ontworpen door de Middelburgse stadsfabriek (stadsarchitect) Jan de Munck (1687-1768): Koepoort, IJkkantoor, Lutherse kerk (nu St. Augustinus) of zijn woonhuis aan de Zuidsingel. Ook bouwkundig werk van Teeken Akademie docent en landsarchitect van Zeeland Conrad Kayser (1750-1824) die voor 1786 geregeld voor Middelburg werkte, zie ik regelmatig: de orgelkas en de kerkbanken in de Oostkerk zijn door hem ontworpen, naast bijvoorbeeld het ‘Paleis op de Heerengracht’, het voormalige oude mannen- en vrouwenhuis. Des te vreemder dat van stadsfabriek Jan Bosdijk (1744-1808) niets spraakmakends aan te wijzen is. Sterker nog, ook van zijn zoon en kleinzoon, beiden ook in die functie aangesteld, zou ik zo geen gebouw weten te staan. Nu is tussen 1786 toen Jan in functie trad en 1838 toen zijn kleinzoon Pieter Cornelis er mee stopte in de stad meer gesloopt dan gebouwd. Beeldbepalende elementen als een aantal stadspoorten, de Waag op de Balans en de Noordmonsterkerk vielen onder de slopershamer, want de stad had geen geld voor onderhoud of herstel en zo brachten ze als tweedehands bouwmateriaal nog wat op. 

Jan Bosdijk werd op 11 november 1744 in Goes gedoopt als zoon van Jacobus Bosdijk en Wilhelmina de Graaf. Uit zijn in 1763 (hij was 18) gesloten huwelijk met Adriana Sophia de Graaf (1741-1804) kwamen twee zonen voort: Jacobus (1764-1831) en Johannes (1774-1845). Over zijn opleiding is niets bekend. De Teeken Akademie die in november 1778 van start ging zal het gezien zijn leeftijd niet geweest zijn. Op 1 oktober 1786 werd hij door de stad Middelburg aangesteld als ‘opper fabriyck’ (stadsarchitect) op een jaarsalaris van 600 gulden, waarnaast hij nog wat toelagen ontving voor onder meer toezicht op de stads zeewerken, waarmee het Havenkanaal en de havens bedoeld zullen zijn. Wonen deed hij in zijn ambtswoning in de Stadsschuur, waar hij op 13 augustus 1808 overleed. 

Voor de geschiedenis van de Oostkerk is Jan Bosdijk van grote waarde, omdat hij uit allerlei nu verloren gegane stedelijke rekeningen een overzicht gemaakt heeft van alle bouwkosten van het kerkgebouw. De ‘Beschrijving van de Oostkerk staande tot Middelburg in Zeeland’ droeg hij in 1800 op aan de toenmalige ‘Thezauriers’ (wethouders van Financiën). Gedrukt is het destijds nooit. We weten dat er zeker drie geschreven exemplaren zijn gemaakt, waarvan het exemplaar van de stad in 1940 in het stadhuis verbrandde. Een tweede bevindt zich in de ZB Bibliotheek van Zeeland en het meest uitgebreide is in het bezit van de Hervormde Gemeente (nu PKN). Die laatste is gebruikt voor de publicatie De Oostkerk (Goes 1997) waar het uitgetypte handschrift als bijlage is opgenomen. 

Noch Jacobus noch Johannes hebben een prijs op de Teeken Akademie gehaald, wat niet wil zeggen dat ze er geen lessen gevolgd hebben. Hier wreekt zich weer eens het ontbreken van bronnen uit die jaren dat ze mogelijk in de avonduren naar het gebouw in de Lombardstraat – Latijnse Schoolstraat togen om lessen te volgen. Voor Jacobus kunnen we het haast zeker stellen. Uit de periode dat hij zijn vader Jan assisteerde dateren een paar tekeningen die vakonderwijs doen vermoeden. Beide betreffen de Waalse Kerk in de Lange Sint Pieterstraat, ooit de kapel van het Begardenklooster (1492-1574). De tekening uit 1799 brengt een gevonden graf in beeld en die uit 1801 toont de plattegrond met de kerkbanken en de ligging van de geruimde graven. 

Arnold Wiggers

Jacobus Bosdijk, ‘Platte Gront Walsche Kerk met derzelver zitplaatzen en verlaate graf dompen volgens de roode lynen’. Tekening 1801 – Zeeuws Archief, Collectie KZGW, ZI-II-0630

Interieur Waalse Kerk, 1897. Richting St. Pieterstraat (westen). Fotograaf onbekend – Zeeuws Archief, Collectie KZGW ZI-II-0633b
Interieur Waalse Kerk, 1897. Richting oosten. Fotograaf onbekend – Zeeuws Archief, Collectie KZGW ZI-II-0633c

Vondst van betekenis

Prijsband uit het atelier van Jan Dane, uitgereikt op 10-05-1780 aan onbekende door de Teeken Akademie. Voorplat. Inhoud: Gerard de Lairesse, Grondlegginge … (Amsterdam 1766) – Particuliere collectie.

Helaas is het mij niet overkomen: benaderd worden met de vraag of je belangstelling hebt voor een prijsband van de Teeken Akademie. De gelukkige die duidelijk betere connecties in het circuit heeft dan ik, wilde zijn verworven schat best laten zien en daar doe ik graag verslag van. 

De oudste prijsband van de Teeken Akademie die bekend is, stamt uit het tweede jaar waarin een uitreiking plaatsvond. Dat was op 10 mei 1780. Een bijzonder rijk uitgevoerde boekband die sinds de vroege jaren 60 van de vorige eeuw deel uitmaakt van de collectie van wat nu ZB Bibliotheek van Zeeland heet. Hij is aan Jan Roelof Worrell geschonken als primus in de 1e klas tekenen. Op die woensdag kregen nog 4 leerlingen van het Teeken-Collegie een prijs. Een van die prijzen bevindt zich nu weer in Middelburg, nadat hij ooit in een Franse privébibliotheek terecht gekomen was. Om die band gaat het hier 

Een gave, kalfsleren band die de typische bestempeling met het medaillon ‘Vernuft en vlijt’ op het voorplat heeft en de datum van uitreiking op het achterplat. Ook de overige stempels zijn oude bekenden: ze komen overduidelijk uit het Middelburgse atelier van de binder Jan Dane die in 1783 overleed. Op de staart van de rug staat zelfs een klein stukje van de in mijn ogen meest kenmerkende rol van deze binder. Een forse rol die een doorsnee van ruim 5 cm gehad moet hebben, want eenmaal geheel uitgerold ontstaat een lijnversiering over een lengte van zo’n 20 cm. Daarin springen, lopen en liggen tussen allerlei rococomotieven minstens 5 verschillende dieren. In deze boekband ontbreekt het rode lakzegel aan de binnenkant van het voorplat, zoals dat wel in andere bekende banden voorkomt. Bij nadere beschouwing blijkt dat er wel geweest te zijn. Het gat is gecamoufleerd met een marmeren schutblad dat duidelijk afwijkt van het schutblad achterin. Dat is onmiskenbaar een stuk uit een groter vel marmerpapier waaruit Jan Dane vaker schutbladen heeft gesneden.  

Wat beide banden uit 1780 gemeen hebben is dat de maand op het achterplat een 4 is, waar het een 5 moet zijn. Het is niet meer na te gaan of de oorspronkelijke uitreiking op 10 april gepland stond of dat iemand in het bindatelier consequent dezelfde fout heeft gemaakt. Dat laatste lijkt aannemelijker. Er bestaan meer voorbeelden van binders die met cijfers en letters wel eens moeite hadden. 

Wie mocht op 10 mei 1780 het boek mee naar huis nemen? Helaas ontbreekt in de band een opdracht en kunnen we van geluk spreken dat de datum op de buitenkant staat. Daarmee blijven nog 4 kandidaten over. Gezien de inhoud, Gerard de Lairesse, Grondlegginge der Teeken-konst (Amsterdam 1766), lijkt het niet te ver gezocht om de oorspronkelijke eigenaar te zoeken onder de twee andere primussen binnen de tekenkunde: Joris Mattheus Kersse (2e klas) en Jacob Visser (3e klas). Lourens van de Woude (1e klas bouwkunde) en Jacobus van Baere (2e klas bouwkunde) waren de andere prijswinnaars. Kersse won vaker prijzen, van Visser weten we dat niet. Over Joris Mattheus Kersse is verder geen informatie te vinden en ook Jacob Visser blijft een onbekende door het niet goed kunnen linken van gegevens aan zijn persoon. 

Dankzij deze band is weer een stapje gezet in de kennis over de prijsbanden van de Teeken Akademie. Niet eerder zag ik een kalfsleren band van de Teeken Akademie uit de 18e eeuw, wel meerdere marokijnen, altijd prijzen voor de besten in tekenen. We weten nu dat er in de relatief vette jaren voor de Franse tijd waarin kostbare boekbanden werden geschonken, de mindere prijzen weliswaar fraai waren, maar soberder en van minder kostbaar leer, wat de het uitvoeringsniveau van alle banden na 1813 werd. 

Arnold Wiggers

De firma Ws. van Uije & Zonen op weg naar het einde 

Gezicht op de Turfkaai met badhuis (verbrand in 1944). Prentbriefkaart – Beeldbank Zeeland recordnr. 14874

In 1859 stapte Jacobus Cornelis uit de firma Ws. van Uije en Zonen en startte met zijn zoon Wilhelmus JCz (1837-?) de firma Van Uije & Cie, oorspronkelijk voor handel in en fabricage van natuurlijke oliën en zaden, later vooral petroleum. Tot hun wapenfeiten behoorde de afbraak van de windmolen De Nijverheid oftewel Branderijmolen achter de Schouwburg in 1870. Vermoedelijk door financiële problemen werd de firma in 1875 geliquideerd. Dat vermoeden wordt versterkt door het vertrek van beide vennoten uit Middelburg. 

Ondertussen werd de firma Ws. van Uije voortgezet door Jacobus Johannes met zijn zoon Wilhelmus (1828-1905). Tot de bijzondere werken in deze jaren behoorde de gedenksteen op het woonhuis van Jacob Cats in de Lange Noordstraat die op zaterdag 2 juni 1860 werd geplaatst. De kosten van het stuk, ‘gevat in een sierlijken lijst van Bentheimer steen’ werden bestreden zoals dat heette door vrijwillige bijdragen van enkele ingezetenen. 

Afbraak en nieuwbouw bleven hand in hand gaan. In 1865 ging het oude gemeentehuis van Arnemuiden tegen de vlakte en verrees een nieuw voor ƒ 5.975. Het huis Hazewind (Langedelft H nr. 6) moest in september van hetzelfde jaar wijken voor een jongensschool met onderwijzerswoning. Voor ƒ 13.300 klaarde Ws. van Uije en Zonen de klus. De Langevielebinnenbrug werd in 1869 voor ƒ 8.908 vervangen door een basculebrug.

Jacobus Johannes trad eind 1868 uit de firma terug waardoor Wilhelmus JJz de enige vennoot werd. Voor hardstenen monumenten bleef Van Uije en Zonen het adres: in augustus 1870 kreeg de firma de opdracht om een zeskantige gedenknaald te maken voor het graf in Vlissingen van vijf aan pokken overleden bemanningsleden van het Amerikaanse oorlogsschip Guinietta. Het geld daarvoor was door de overige bemanningsleden vrijwillig bijgedragen, zo schreven de kranten. 

In dezelfde categorie vallen twee gedenktekens. Op 16 september 1875 kreeg vice-admiraal A.J. de Smit van den Broecke (1801-1875) er een op zijn laatste rustplaats op het kerkhof van Oost-Souburg naar ontwerp van Alexander Neugebauer, gelauwerd leerling van de Teeken Akademie. Eind augustus 1877 werd het graf van mr. R.W. graaf Van Lynden, (1808-1876) wijlen Commissaris des Konings in Zeeland, van een gedenkteken voorzien. 

Wilhelmus JJz. had ondertussen (per 1 januari 1875) in Teeken Akademie laureaat (1866) Jan Adriaan Frederiks (1849-1931) een medevennoot gevonden. Dit moet louter zakelijk geweest zijn, want van een directe familierelatie is geen sprake. Jan Antiek zoals zijn bijnaam zou worden ging in 1890 weer uit Ws. van Uije en Zonen. Inmiddels had hij als bouwkundige naam gemaakt onder meer bij de restauratie van de Abdij, waar Van Uije en Zonen trouwens niet bij betrokken was. 

Tot de laatste grote werken van Ws. van Uije en Zonen behoorden de bouw van de Badinrichting aan de Nieuwe Haven in opdracht van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, het verpleeghuis in de Langeviele (beide in 1898) en een villa voor de bankier J.A. Zip aan de Noordsingel (1899).

Het huwelijk van Wilhelmus en Johanna Pieternella Jansen bleef kinderloos. Bij het overlijden van Wilhelmus in 1905 hield de firma Ws. van Uije & Zonen op te bestaan. A. Loois jr. liet per advertentie weten de ‘timmer-, metsel- en aanemerszaak’ van Van Uije overgenomen te hebben. De steenhouwerij werd voortgezet door de firma Louis Renguet & Co en D.M. Boone adverteerde nog in 1911 met: ‘D.M. Boone voorheen W. van Uije & Zonen in bouwmaterialen.’

Arnold Wiggers

angeviele K 378 in 1897, destijds in eigendom van de weduwe Ermerins-Tak. In 1898 verbouwd tot verpleeghuis (tot 1918) – Beeldbank Zeeland recordnr. 69548

De andere Wilhelmus van Uije 

Gezigt op de stad [Assen]. 20e -eeuwse reproductie naar een tekening van W. van Uije, ca. 1851-1860 – Gemeente Assen, Ag04924

Naast het dirigerende lid Wilhelmus van Uije kende de Teeken Akademie twee bekroonde leerlingen met die naam. Allemaal familie. De ene primus was Wilhelmus JJz de bouwkundige die in 1854 de familieonderneming Ws. van Uije en Zonen kwam versterken en de andere was Wilhelmus Wz, een (half)oom van voorgaande, die een andere richting opging. Eerst de familierelatie: uit het tweede huwelijk van Wilhelmus sr. met Johanna Jacoba Kok was Wilhelmus, die op 3 juli 1819 het leven zag, het zesde kind. Na hem kwam nog een levenloos broertje, waarmee hij de jongste nazaat was. Zijn halfbroers Jacobus Johannes en Cornelis Johannes uit het eerste huwelijk van hun vader met Johanna van der Wiele vormden de zonen in de firmanaam.

Waar de andere genoemde familieleden Van Uije allen in de bouwkunde thuis waren, werd Wilhelmus Wilhelmuszoon van Uije in 1839 ‘slechts’ primus in de eerste klas naar prent. Verder onderwijs aan de Teeken Akademie, ervoor of erna, is onbekend: het bleef bij die ene prijs als 20-jarige. Wat zijn parcours vervolgens was, is in nevelen gehuld. Hij duikt weer op in de burgerlijke stand van Assen waar hij op 20 januari 1850 in het huwelijk trad met Antoinette Gerardine Petronille de Geus. Zijn bruid was geboren op 5 februari 1820 in Antwerpen uit het huwelijk van Adrianus de Geus en Henriëtte Swam. In 1850 was vader De Geus opzichter bij de waterstaat in Drenthe, vandaar het huwelijk in Assen. Wilhelmus was volgens de trouwacte woonachtig in Arnhem, terwijl bij de inschrijving in het bevolkingsregister van Assen in 1850 staat dat hij afkomstig was uit Deventer. 

Hoe dan ook, in de krant van 4 juni 1850 meldde de redacteur van de Middelburgsche Courant in de Drentsche Courant gelezen te hebben (of was hij getipt?) dat in Assen twee schilderstukken van oud plaatsgenoot W. van Uije geëxposeerd werden. Twee landschappen die getuigden van veel aanleg bij de jonge schilder die bij de juiste ontwikkeling hem tot een groot schilder zouden kunnen doen uitgroeien. Het zou anders lopen. Nog bij de geboorte van de oudste zoon Willem Johannes (1850-1907) stond hij te boek als schilder. Bij de geboorte van Adrianus Hendrik (1852) en Jacobus Cornelis (1859) was dat ‘tekenmeester’. Uit deze jaren zijn litho’s naar tekeningen van Wilhelmus van gezichten van Assen bekend die een wat naïeve indruk maken. Tussen 1863 en 1867 exploiteerde hij met Bernardus Jan Somer (1844-1910) een fotoatelier in Assen, wat hij daarna tot 1879 alleen voortzette*. 

In 1879 verhuisde het echtpaar Van Uije-de Geus naar Rotterdam, waar ze bij hun jongste zoon Jacobus Cornelis gingen wonen. Wilhelmus werd ingeschreven als koopman, zonder meer. Hij stierf hier in 1889, zijn weduwe in Den Haag in 1906.

Hoewel Wilhelmus van Uije Ws. in het kunstenaarsoverzicht van Scheen voorkomt, is van hem geen schilderij bekend, ook het Drents Museum bewaard anno nu geen schilderwerk van hem. Wel worden in het Drents Archief meerdere foto’s van Van Uije bewaart, waaronder een stereofoto van zijn oudste zoon Wilhelmus Johannes.

Arnold Wiggers


*zie: M. Goslinga en M. Hiemink, Assen gephotographeerd. Foto’s tussen 1860 en 1910. Assen 2018

Stereofoto: Tuin en Horstwijk. Gezigt op den tuin van den Heer van Uije en op het buiten [= de burgemeesterswoning villa Horstwijk] van den Burgemeester [van Assen W.A. baron Van der Feltz]. Fotograaf: Wilhelmus van Uije, ca. 1865 – Drents Archief, Collectie stereofoto’s Drents Museum DM 27068
Stereofoto van Wilhelmus Johannes van Uije (Assen 1850-Amsterdam 1907) met een stereokijker, ca. 1865. Fotograaf [vader] Wilhelmus van Uije – Drents Archief, Collectie stereofoto’s Drents Museum DM27067

De Firma Ws. van Uije onder de zonen J.J. en J.C. 

Middelburg, Lange Noordstraat met de R.K. kerk, gebouwd door de firma Ws. van Uije, 1844-1845. Prentbriefkaart Gebr. Hildernisse ca. 1910 – Zeeuws Archief, Collectie KZGW, ZI Prentbriefkaarten nr. 2047

Het eerste grote project dat de firma Ws. van Uije en Zonen onder de directie van de zonen Jacobus Johannes en Cornelis Johannes ter hand nam, was de bouw van de katholieke kerk in de Lange Noordstraat in Middelburg (1844-1845). In de aanneemsom ƒ 38.400 zat naast de bouw van een nieuwe kerk naar ontwerp van Joseph Broudrez, ook de afbraak van het woonhuis wijk C nummer 25 (hoek Lombardstraat-Lange Noordstraat richting Korte Noordstraat), dat voor de kerk plaats moest maken. Een groot pand waarschijnlijk, niet alleen door het grondvlak van de kerk. Ook de advertentie die rond 1 augustus 1844 in zowel de Middelburgsche, als de Vlissingsche en de Zierikzeesche Courant verscheen roept het beeld van een fors geheel op: ‘Te koop aan den afbraak van het Huis in de Lange Noordstraat … eene aanzienlijke partij Deur-, Licht- en Schuifkozijnen, Kapgebindten, Balken, Ribben, Kassen, Bedsteden, Spiegels, Dorpels, Vloerstenen, Pannen, Metselsteenen, Paardebakken enz.’ Trouwens, ook de afbraak van de oude katholieke (schuil)kerk aan de Blauwedijk in 1848 was het werk van de firma en ook daar werd afbraak te gelde gemaakt.

De zonen waren ondertussen aan gezinnen begonnen. Jacobus Johannes (ca. 1802-1873) huwde 27 januari 1825 Cornelia Johanna Pieternella van Ockenburg (ca. 1802-1868), met wie hij 8 kinderen kreeg. ‘Steenhouwer’ Cornelis Johannes (1803-1879) trad op 5 oktober 1831 met Cornelia Pieternella Ripping (1811-1847) in het huwelijk, waarin 7 kinderen werden geboren. Hij werd in 1837 rechter-plaatsvervanger in de Rechtbank van Koophandel, die voornamelijk over faillissementen oordeelde. Zijn broer werd tussen 1851 en 1865 meerdere malen tot gemeenteraadslid gekozen, waar hij steeds een liberaal geluid liet horen. Bij aanbestedingen moet dit wel eens bijzondere situaties opgeleverd hebben, ondanks dat Van Uije bij stemmingen die zijn bedrijf aanging de raadszaal verliet. 

Waterstaatswerken behoorden tot het specialisme van de firma. Voor ƒ 14.000 werd in 1847 de bouw van een aanlegsteiger en een veerdam bij Wolphaartsdijk aangenomen, waar het herstellen van ‘de dam aan het Kortgeensche Veer’ bij hoorde. Gezien de aanneemsom in 1851 van ƒ 54.500 was de bouw van de garancinefabriek ‘Zeeland’ voor de Zeeuwsche Maatschappij voor Meekrapbereiding in Wilhelminadorp een ander kapitaal werk voor de Middelburgse firma Van Uije. Een met stoommachines werkende onderneming die de meekrapwortels op een naar Frans voorbeeld ingerichte wijze met stenen vermaalde tot het veel gevraagde rode kleurstofpoeder. Vermoedelijk betrof het een uitbreiding van de meestoof met dezelfde naam die uit 1820 dateerde.

De directie werd in 1854 uitgebreid met Wilhelmus van Uije JJz (1828-1905), zoon en neef van de zittende vennoten, waarmee de derde generatie zijn entree maakte. Deze Wilhelm(us) was weer een leerling van de Teeken Akademie. In 1847 werd hij primus in de 1e klas en in 1849 onderscheiden met de medaille als primus in de bouwkunde. De gegevens van 1848 ontbreken, zodat het mogelijk is dat hij in het tussenliggende jaar ook tot de winnaars behoorde. Zijn vader zal als dirigerend lid in deze jaren de prijsuitdelingen met genoegen bijgewoond hebben.

Op 18 september 1857 huwde Wilhelmus JJz met Johanna Pieternella Jansen (1834-1905). Merkwaardig genoeg werd ze op 26 mei 1834 door haar vader Joost Jansen, kruidenier, aangegeven als Johanna Geertruida, terwijl bij de overlijdensaangifte in Arnhem de voornamen Geertruida Johanna luidden. 

Arnold Wiggers

Het Veêrhuis te Kortgene. Prentbriefkaart. Opname: R. Ochtman, ca. 1910 – Beeldbank Zeeland Recordnr. 9838
Veerdienst Kortgene-Wolphaartsdijk, gezien vanaf de silo in Kortgene. Foto C. Kotvis, september 1969 – Beeldbank Zeeland, Recordnr. 11838

Firma Ws. van Uije & Zonen tot 1843

Nederlands Hervormde kerk te Westkapelle (1834-1944) voor 1935. Prentbriefkaart uitgegeven door J. Torbijn te Goes – Zeeuws Archief, Fotoarchief J. Torbijn, Goes, nr WKP-P-14

In de Zeeuwse aannemerswereld van de 19de eeuw was de firma Ws. van Uije & Zonen een grote speler. De grondlegger was Wilhelmus van Uije (1777-1843) en onder zijn naam zou de firma tot in 1905 bestaan. Nog in 1911 stond in de Middelburgsche Courant een advertentie van ‘D.M. Boone v.h. W. van Uije & Zonen in Bouwmaterialen’. Timmeren, metselen, handelen in oude en nieuwe bouwmaterialen en verkoop wat zo op hun pad kwam (een schip, werkpaarden …), een steenhouwerij, met daarnaast ook nog bemiddeling in verhuur van panden, waarvan sommige in eigendom waren, dat was het brede spectrum van Ws. van Uije en Zonen, op Walcheren en de Bevelanden, in de Kanaalzone van Terneuzen en elders in de provincie.

Het is aannemelijk dat Wilhelmus lessen aan de Teeken Akademie gevolgd heeft. In elk geval was hij in 1795 (de bronnen vertonen in voorgaande jaren nogal gaten) de beste van de 1e klasse bouwkunde. In 1799 huwde hij Johanna van der Wiele (ca. 1772-1808) met wie hij 4 kinderen kreeg, onder wie Jacobus Johannes (ca. 1802-1873) en Cornelis Johannes (1803-1879) die later de ‘zonen’ in de firma zouden worden. Uit een tweede huwelijk in 1810 met Johanna Jacoba Kok (ca. 1778-1836) werden nog eens 7 kinderen geboren. Bij het overlijden van Wilhelmus in 1843 waren alle kinderen uit het eerste huwelijk nog in leven en 4 uit het tweede huwelijk. 

Er is wel verondersteld dat Wilhelmus van Uije ook onderwijs in de bouwkunde aan de Teeken Akademie doceerde, waar evenwel geen bewijs voor is. Wel was hij vanaf 1833 tot aan zijn dood dirigerend lid, zodat hij weldegelijk invloed op het onderwijs gehad heeft. Zoon Jacob Johannes’ carrière bij de Teeken Akademie is wel goed te volgen. In 1820 kreeg hij een aanmoedigingsprijs in de 2e klas bouwkunde. In 1821 werd hij primus in de 1e klas en het jaar daarop werd hij primus bouwkunde en onderscheiden met de grote zilveren penning van de koning. Net als zijn vader werd hij dirigerend lid (1846-1869) en van hem weten we dat hij tussen 1862 en 1867 lesgevend meester in de bouwkunde is geweest. 

Van het volgen van lessen op de academie door zijn broer Cornelis Johannes is weer geen enkel bewijs, aannemelijk is het wel. Onder eigen naam en dus mogelijk voor eigen rekening had hij de nieuwbouw van de kerk in Westkapelle aangenomen, waarvoor op 4 april 1834 de eerste steen gelegd werd. Dat geschiedde door jonker Willem Frederik van Doorn, de zoon van ambachtsheer Hendrik Jacob baron Van Doorn van Westcapelle, toentertijd minister van Binnenlandse Zaken. De katholieke kerk in IJzendijke is door de firma Ws. van Uije en Zoon gebouwd. De aannemingssom bedroeg ƒ 28.800. De eerstesteenlegging van deze waterstaatskerk vond eind maart 1840 plaats. Zowel de kerk in Westkapelle als de kerk in IJzendijke werden slachtoffer van de bevrijding van Zeeland in 1944.

Gezicht op het De Ruyterplein in Vlissingen met het standbeeld van Michiel de Ruyter (uit 1841 door L. Royer), ca. 1870. De sokkel werd vervaardigd door de firma Ws. van Uije & Zonen. Op de achtergrond de Nieuwendijk. In 1894 kregen sokkel en beeld hun huidige standplaats. Fotograaf A.L. Preuninger – Zeeuws Archief, Fotocollectie Vlissingen nr. 18

De steenhouwerij binnen de firma verzorgde in 1841 de sokkel van het standbeeld van Michiel de Ruyter die samen met Michieltje in 1894 naar het Keizersbolwerk werd verhuisd. Ws. van Uije & Zonen was in 1842 ook verantwoordelijk voor het ontwerp (door C.J. van Uije) en de uitvoering van een gedenkplaat voor Hadrianus Junius (1511-1575) in de Koorkerk, waar zijn graf in 1817 herontdekt was. Was het standbeeld in Vlissingen een initiatief van de Maarschappij tot Nut van ’t Algemeen, de Middelburgse gedenkplaat werd bekostigd door het Zeeuws Genootschap. Waar heden De Ruyter nog fier het zeegat uitkijkt, heeft het gedenkteken de stadsbrand in 1940 niet ongeschonden doorstaan. 

Arnold Wiggers

Kopergravure van het ontwerp door C.J. van Uije van het Gedenkteeken van Hadrianus Junius in de Koorkerk te Middelburg – Zeeuws Archief, Collectie KZGW ZI-II-0576

Pieter Sonius

Vlasmarkt 54, augustus 2024

Bij het overlijden van Peter Sonius in 1914 erfde zijn enig levend kind, Jacoba Wilhelmina Esther, een flink kapitaal, waaronder nogal wat onroerend goed. De nazaten van metselaar Pieter Sonius (ca. 1766-1808) uit de Kromme Weele hadden goed geboerd: eerst zoon Jacobus (1798-1886) die vanuit de Langeviele als aannemer opereerde en later diens zoon Pieter (1830-1914) die dat deed op de Vlasmarkt L 24 (nu 54).

Zijn theoretische opleiding kreeg Pieter op de Teeken Akademie waar hij het in 1845 tot primus in de 5e klas bouwkunde schopte. In 1851 werd hij primus in de doorzichtkunde èn kreeg hij lof voor zijn werk in de 1e klasse bouwkunde. Het jaar daarop werd hij in dezelfde klas primus, om het in 1853 tot primus in de bouwkunde te brengen. De praktijk zal hij onder anderen bij zijn vader onder de knie gekregen hebben. 

Na zijn huwelijk in 1861 met Maria van Ginhoven (1830-1903) werd het eerste kind in 1864 op de Vlasmarkt geboren, dat slechts 3 dagen leefde. Op de kortste dag van 1866 zag Adriaan Antonie het levenslicht. Als timmerman en metselaar was hij vast de vermoedelijke opvolger in de aannemerij, wat door zijn vroege dood in 1895 werd gedwarsboomd. In 1874 kwam het nakomertje de al genoemde Jacoba Wilhelmina Esther ter wereld. Zij overleed als weduwe Hans Ulrich Ernst von Heimberg (ca. 1872-1958), manufacturier te Middelburg, in 1961 te Zeist. 

Bij de dood van zijn vader Jacobus in 1886 liet Pieter de clientèle van de firma Sonius weten dat hij voortaan de zaak voor eigen rekening ging voortzetten, na 12 jaren het gezamenlijk gedaan te hebben. Dat compagnonschap resulteerde in maart 1878 bij het 25-jarig jubileum van Johannes van Luijk als timmerman bij de firma -hij zal een van de eerste timmerlieden in de zaak van Jacobus zijn geweest- in een gift van een opwindbaar zilveren horloge door Jacobus en een gouden draagketting door Pieter.

Dat Pieter meer in huis had dan zijn vader blijkt uit een aantal advertenties in de Middelburgsche Courant. In 1867 kunnen belangstellen bij hem op de Vlasmarkt het bestek en tekening van een nieuw armenhuis in Aagtekerke inzien. In 1869 gold hetzelfde voor de vergroting van de school in Westkapelle. Voor beide projecten was het ontwerp van Pieter. De school in Westkapelle werd overigens al in 1885 weer vervangen door een neo-gebouw naar een ontwerp van L. Kuijler. 

Het vakmanschap van Pieter Sonius werd breed erkend. Vanaf 1887 had hij zitting in het bestuur van de Ambachtsschool, in feite de opvolger van de Teeken Akademie en de Industrieschool.

De stad Middelburg zou hem vooral eren voor zijn activiteiten in het brandweerkorps. Eind november 1906 werd hij gehuldigd voor zijn 50-jarige inzet, sinds 1890 als opperbrandmeester. Hij ontving een medaille en een miniatuurmodel van een brandspuit. De dan al behoorlijk bejaarde Sonius vond dat een mooi moment om zijn ontslag aan te vragen, wat hem per 1 januari 1907 eervol verleend werd. 

Arnold Wiggers

Brandweerpenning Middelburg van de brandmeester, na 1881 – Zeeuws Museum, Collectie KZGW GM0935