Lena van Beest (16) wint de Prijs jong Zeeuws tekentalent 2024

Lena van Beest (16) wint de Prijs jong Zeeuws tekentalent 2024, een prijs van de Ridderschap en Teeken Akademie Middelburg – foto: L. Labeur

Persbericht 8 juni 2024

De door de Teeken Akademie en de Ridderschap van Zeeland ingestelde Prijs voor Jong Zeeuws Tekentalent heeft voor 2024 een winnaar: Lena van Beest.

De jury bestaande uit Lucy de Graaf, Ko de Jonge en Giel Louws heeft de 26 inzendingen zorgvuldig bekeken. Ze trof grote verschillen in kwaliteit, originaliteit, presentatie en kwantiteit. Het grote verschil in leeftijd, de jongste 11 jaar en de oudste in de twintig, heeft de jury bewust doen kiezen voor een tekenaar waarvan nog veel groei te verwachten valt. 

Voorzitter van de Teeken Akademie Arnold Wiggers maakt de winnaar van de Prijs jong Zeeuws tekentalent bekend – foto: L. Labeur

De mate waarin Lena van Beest op 16-jarige leeftijd al een heel palet van vaardigheden laat zien, heeft de jury mee laten wegen in haar keuze. Zij is een tekenaar die verschillende materialen toepast, durf en vaardigheid toont en gezien haar leeftijd een hoog niveau heeft. 

Lena schrijft in haar toelichting bij het ingezonden werk de dat ze niet zonder tekenen kan in haar leven en een proces-boekje bijhoudt. Ze hoopt altijd terug te kunnen keren naar Zeeland wanneer ze uitvliegt.

De overhandiging van de penning aan Lena van Beest door de penningmeester van de Teeken Akademie, Gerard Heerebout – foto: L. Labeur
De overhandiging van de prijs aan Lena van Beest door jhr. Alarik van Doorn namens de Ridderschap – foto: L. Labeur

Namens de Ridderschap maakte jhr. Alarik van Doorn de winnaar zaterdagmiddag 8 juni op het buiten Moesbosch in Koudekerke bekend en overhandigde Lena een geldprijs van € 500. De Teeken Akademie heeft aan de winnaar een prijspenning uitgereikt naar een ontwerp uit 1778. Deze replica naar een penning zoals deze vanaf 1791 werd uitgereikt aan de beste leerling kon worden gemaakt in samenwerking met het Familiefonds Hurgronje.

Toelichting bij de prijs

De Ridderschap van Zeeland stelt zich onder meer ten doel het culturele leven in Zeeland te ondersteunen. Samen met de Teeken Akademie, opgericht in Middelburg in 1778, is een project gestart ter bevordering van de tekenkunst in Zeeland: Prijs voor Jong Zeeuws Tekentalent. Beide instellingen willen hiermee een bijdrage leveren aan het bevorderen van het kunstleven in Zeeland.

De prijs beoogt jonge Zeeuwse tekentalenten te enthousiasmeren om hun aanleg verder te ontplooien. Met het naar buiten treden met werk wordt een extra trede genomen in een mogelijke carrière als professioneel kunstenaar. 

De prijs bestaat uit een bedrag van € 500 en een penning met inscriptie, zoals deze eind 18e eeuw aan de meest belovende leerlingen van de Teeken Akademie werd geschonken. 

Stadstekenaar Merel van Rens voor het Station Middelburg

Merel van Rens, Stationsgebouw, 2024. Werk in uitvoering, met potlood en waterverf.

Stadstekenaar Merel van Rens heeft zich voorgenomen niet alleen de mooie monumentale kanten van Middelburg te tekenen. Onlangs heeft ze haar ezel eens bij het station neergezet. Wat een pronkstuk zou kunnen zijn, valt al jaren in de categorie die Merel op het oog heeft. 

Functie na functie verdween uit het stationsgebouw en dat leidde tot ernstige verwaarlozing. Als er iets funest is voor een gebouw is het wel leegstand. Volgend jaar wordt het gebouw aangepakt en kan het hopelijk een duidelijke rol gaan spelen in het verder levendig maken van die kant van het kanaal binnen de 50 km bordjes. Het woord ‘boulevard’ is wellicht te groot, anderzijds staat er met het stadskantoor, het waterschapsgebouw en de studentenhuisvesting inmiddels best een indrukwekkende rij. Een attractief stationsgebouw past daar mooi bij, zeker als het extra publieksfuncties krijgt. 

Van het hele emplacement zoals dat is aangelegd rest eigenlijk alleen nog het hoofdgebouw. De aanbesteding van de bouw daarvan vond op 20 januari 1870 plaats. Elf aannemers schreven in, onder wie H.C. van de Ende uit Zierikzee en W. van Uije uit Middelburg. Het werd F.K. Ozinga uit Leiden gegund, omdat die gecalculeerd had dat hij het voor ƒ 259.000 kon bouwen, waarmee hij de laagste inschrijver was. 

Het station is gebouwd onder auspiciën van het Ministerie van Waterstaat zoals alle grote bouwwerken tussen 1824 en 1875. Dat was de enige organisatie die vrij eenvoudig bouwplannen door de ambtelijke organisaties wist te loodsen, zodat nogal wat instellingen waaronder de spoorwegen bij Rijkswaterstaat aanklopten. Het is een station van de derde klasse: een verhoogd midden met twee zijvleugels. Wie een beetje doorzoekt op internet komt erachter dat tussen 1862 en 1872 minstens 23 van dit type stations zijn opgeleverd: 8 standaard; 10 van de derde klasse-type 2 en 5 van de derde klasse-afwijkende type. Het station Middelburg behoort tot dat afwijkende type en is ook nog eens het laatst opgeleverde in zijn klasse. 

De lijn Goes-Middelburg en daarmee het Middelburgse station werd feestelijk in gebruik genomen op donderdag 29 februari 1872. Het was nat en winderig, waardoor de ‘licht- en vuurwerkshow’ op het Molenwater gedeeltelijk in het water viel. Van het weer hadden de 150 genodigden voor het diner op het stadhuis geen last. Op 1 maart waren er opnieuw activiteiten voor de Middelburgse bevolking, die helaas ook niet door de weergoden werden begunstigd.

Als architect staat de geboortige Fries Martinus Simon (1829-1904) te boek. Deze ingenieur was de ‘eerstaanwezend ingenieur bij de aanleg van staatsspoorwegen’ voor het traject Breda-Vlissingen en daarmee niet alleen verantwoordelijk voor de rails, maar ook voor de noodzakelijke gebouwen. 

Voor zover na te gaan is, zijn er van de 23 stations van de derde klasse nog 8 over. Een bijzondere is het station van Zuidbroek in Groningen, geopend in 1868. Het gebouw is aan het begin van de twintigste eeuw verbouwd en in 1958 zelfs fors verkleind. Tussen 2008 – 2011 is het onderhanden genomen en zijn de verdwenen delen herbouwd. Mag het stationsgebouw zelf dan niet helemaal origineel zijn, de goederenloods die er achter staat is dat wel. De spoorlijn waar het aan ligt, is nog steeds in gebruik en het stationsgebouw fungeert sinds 2014 als onderkomen voor het Noord-Nederlands Trein en Tram Museum. Een fraaie, museale herbestemming! Ideetje?

Arnold Wiggers

Merel van Rens, Stationsgebouw Middelburg, 2024. Deel van werk in uitvoering, met potlood en waterverf.

Lijsten van meesters en leerlingen van de Teeken Akademie

Afbeelding van ’t Teken Academie en Musaeum, te Middelburg. Tussen 1787 en 1840 was de Teeken Akademie gehuisvest in het museumgebouw in de Lombardstraat / Latijnseschoolstraat – Gravure omstreeks 1790. Zeeuws Archief, Collectie KZGW ZI-II-0686

We waren er best trots op dat we de bijlagen uit Om prijs en plaats. De Middelburgse Teeken Akademie 1788-2003 onder redactie van Katie Heyning en Gerrit van Herwijnen (Middelburg, Zeeuwse Katernen, 2004) met de leraren en (prijswinnende) leerlingen op onze website konden zetten. De lijst van docenten werd samengesteld door Jan de Hayze en de leerlingen had Katie uit vooral de fiches van de Middelburgsche Courant op de ZB bij elkaar gesprokkeld.

De lijst was er nu ook voor wie het boek niet had of waar het boek niet zo een twee drie voor handen was. Dat de lijsten niet digitaal te doorzoeken waren, was jammer en eigenlijk niet helemaal wat je van een site gestart in 2021 mocht verwachten. Maar goed, wij zijn ook maar vrijwilligers! 

Inmiddels zijn ruim 150 stukjes verdieping of uitlichting op het boek en lijst als blog verschenen op Facebook en Instagram en terug te lezen op de website. Al speurend bleek dat door de Krantenbank nog meer namen van prijswinnaars terug waren te vinden dan destijds met die oogbedervende fiches. Nader onderzoek in de inmiddels ruim voorhanden genealogische bronnen legden verbanden en details bloot, die langzamerhand een revisie van de lijst wenselijk maakte. 

De lijst werd nog eens onder de scanner gelegd en met een ocr-programma bewerkt om de lijst nu wel doorzoekbaar te maken. Een gedrukte tekst komt daar nooit helemaal bruikbaar uit, dus moest elke naam nagelopen worden. Tegelijkertijd werd alle nieuwgevonden informatie toegevoegd. Om duidelijk te maken wat nieuw is, is alles wat niet voorkomt in de gedrukte lijsten uit het boek in de nieuwe lijsten cursief gezet. Hoera, de lijsten waren digitaal te doorzoeken. We waren weer wat meer bij de tijd.

De grote hoeveelheid informatie in de blogs dreigde langzamerhand steeds minder goed vindbaar te worden. Jammer ook dat er geen koppeling tussen de blogs en de lijsten bestond. Daar is nu een oplossing voor gevonden. Wie naar de lijsten gaat vindt bij leraren en leerlingen waar gegevens over in de blogs staan, het desbetreffende blog onder de naam. 

Daarmee zijn niet alle blogs gekoppeld aan personen uit de lijst. Blogs rond de activiteiten van stadstekenaars en stadstekenaars moeten nog steeds opgezocht worden onder het kopje blogs op de site. Dat geldt ook voor verhalen over vrouwelijke schilders, want die konden geen leraar of leerling zijn en komen niet in de lijsten voor. Van de bestuurders is nog geen lijst gepubliceerd, dus blogs over hen zijn ook niet op naam terug te vinden. Blogs over onderwerpen uit de geschiedenis na 1867 (sluiting van de school) zullen voorlopig ook nog zoekwerk vergen.

Veel is wel terug te vinden. Alleen al de vele illustraties die we bij de stukjes hebben geplaatst zijn de moeite waard. Ondertussen gaan we verder met het verder uitzoeken van het Teeken Akademie verleden. Volg het blog om meer te weten te komen.

Arnold Wiggers

Vacature

Komt u ons bestuur versterken? Wij zoeken twee vrijwilligers met een hart voor beeldende kunst.

De Teeken Akademie in Middelburg bestaat bijna 250 jaar. Het is een stichting die als missie heeft om de tekengeschiedenis van Zeeland levend te houden en de tekenkunst vandaag te bevorderen. 

Het is – anders dan de naam doet vermoeden – geen Middelburgse tekenonderwijsinstelling meer, maar al vele decennia een stichting die wedstrijden, tekendemonstraties en tentoonstellingen van Zeeuwse tekenaars en schilders organiseert. 

Activiteiten

Tot de jaarlijks terugkerende activiteiten behoren 

  • het aanstellen van een Stadstekenaar Middelburg
  • het begeleiden van een Stadstekenklas (lager onderwijs) 
  • het exposeren van de gemaakte werken in het openbaar
  • het uitreiken van geldprijs en een erepenning aan een Jong Zeeuws Tekentalent (in samenwerking met de Ridderschap van Zeeland)

De stichting probeert door onderzoek en publicatie via de sociale media haar verleden onder de aandacht te brengen. Kijk op de website (www.teekenakademiemiddelburg.nl) voor meer details.

Organisatie

Het bestuur van de Teeken Akademie is een kleine organisatie bestaande uit vrijwilligers. We werken met een bescheiden jaarbudget maar streven naar het vergroten van de zichtbaarheid en de actieradius van de stichting. 

Wij zoeken versterking met twee nieuwe leden die een praktisch-actieve rol op zich willen nemen. Van hen verwachten we de helpende hand bij de organisatie van evenementen en bij het aanspreken van beeldende kunstenaars (professioneel en amateur), sponsors en subsidiegevers en onderwijsinstellingen.

Profielschets

  • hart voor beeldende kunst en erfgoed
  • pragmatisch-actieve instelling
  • een bescheiden tijdsinvestering
  • netwerk in onderwijs of beeldende-kunstwereld
  • (een van de twee) affiniteit met het geven van tekenonderwijs
  • (een van de twee) toegang tot overheden en cultuurfondsen

Heeft u belangstelling? Neem dan contact op met de voorzitter van de Teeken Akademie, Arnold Wiggers via 06-588 194 91 of info@teekenakademiemiddelburg.nl.

https://www.teekenakademiemiddelburg.nl/wp-content/uploads/2024/05/Wervingstekst-twee-nieuwe-bestuursleden.pdf

Kunstschilder Levinus Petrus van Oppen

In zijn in 1941 verschenen Monumenten van Middelburg beschrijft W.S. Unger bijzondere woonhuizen, ook die in mei 1940 verloren gingen. Dam 39 bleef gespaard. Hij noteerde dat in het interieur in Lodewijk XVI-stijl in de voorkamer drie geschilderde behangsels en een bovendeurstuk hingen. Op een behangsel daarvan ontwaarde hij ‘een deel der signatuur: (L) v(an) Opp(e) …’. In de literatuur wordt dat geïnterpreteerd als Levinus Petrus van Oppen (1764-1831) wat gezien de toepassing van die stijl tussen ongeveer 1770 en 1800 goed mogelijk is. Hij zal ook zeker een deel van zijn schilderopleiding bij zijn vader Paulus en bij Thomas Gaal in hun behangselfabriek hebben gehad en daar behangsels hebben gemaakt. 

Bij het RKD worden alle drie behangselschilderingen en het bovendeurstuk aan Levinus van Oppen toegeschreven. Het betreffen allemaal werken in olieverf op doek:

-Winterlandschap met ijsvermaak (hoogte 290 cm x breedte 177,5 cm)

-Rivierlandschap bij maanlicht (hoogte 290 cm x breedte 177,5 cm)

-Rivierlandschap bij avond (hoogte 290 cm x breedte 398 cm)

Forse doeken die in de betimmering zijn opgenomen. Ook het bovendeurstuk is onderdeel van de totale wandbekleding. Het is een schilderij in grijs en zwart en is een klassieke offerscene. Toch altijd nog een stuk van ruim een meter bij 79 cm. Alle doeken maken onderdeel uit van het huis Dam 39 en zijn privébezit. 

In openbare Zeeuwse verzamelingen zitten geen werken van Levinus Petrus van Oppen. Werk dat er toch in redelijke mate geweest moet zijn. Zowel op de door de Teeken Akademie georganiseerde tentoonstelling van 1822 als van 1828 hingen er 3 schilderijen van hem. 

In de catalogus van 1822 waren dat:

-Eene kermis in een modernen smaak, op een bebouwd marktplein

-Gezigt van de Ruïne van den Portus Triumphalis van Titus, binnen Rome

-Een Italiaansch Bosch, aan eene Rivier

In 1828 werden de volgende werken geëxposeerd:

-Een boschrijk Landschap met een Steenen Brug over een Rivier

-Een Italiaansche Groenmarkt, vol gewoel

-Een Gezigt in den Morgenstond op het dorp Neder-Hemert, gelegen in den Bommelerwaard

Wat opvalt is dat 3 schilderijen een Italiaans onderwerp hebben. Op beide tentoonstellingen hingen enkele andere werken met een dergelijk onderwerp, maar die waren zonder uitzondering naar een voorbeeld, zo vermeldden de catalogi. Van Levinus Petrus van Noppen is niet bekend dat hij reizen naar Italië heeft gemaakt. Zijn Italiaanse landschappen zullen geïnspireerd zijn door werken van anderen die hij gezien heeft. 

Ook deed Van Oppen telkens met 1 schilderij mee aan de tentoonstellingen van levende meesters in Amsterdam (1822), Gent (1823) en Haarlem (1825). Waarom bij zijn inzending voor Amsterdam in de catalogus genoteerd staat dat Van Oppen uit Dordrecht kwam, is onbekend. Dat hij dat jaar daar gewerkt heeft zoals beweerd wordt, lijkt onwaarschijnlijk. Zowel het werk dat in Gent hing als dat te Haarlem te zien was hadden scènes uit het leven van Christus tot onderwerp. In 2013 zijn 2 panelen op een veiling aangeboden die qua thema goed deze schilderijen geweest zouden kunnen zijn, doch qua formaat veel te groot waren. 

Arnold Wiggers

Levinus Petrus van Oppen (1764-1731), Winterlandschap met ijsvermaak (hoogte 290 cm x breedte 177,5 cm). Behangselschildering, olieverf op doek – Particulier bezit
Levinus Petrus van Oppen (1764-1731), Offerscène. Bovendeurstuk (ca. 100 x 80 cm), olieverf op doek – Particulier bezit

Logementhouder Levinus Petrus van Oppen

De gevel en kelder van het Huis van Domburg aan de Grote Markt, hoek Korte Gortstraat (wijk I, nr. 1), circa 1800. Afgebroken in 1833. Gewassen tekening – Zeeuws Archief, Collectie KZGW ZI-II-0708

Het lijkt erop dat zo rond 1775 de Middelburgse bovenlaag wat geld te besteden had. Wie naar boven kijkt, ziet op de lijstgevels nogal eens een jaartal in de buurt van dat jaar prijken. Dat duidt eerder op een verbouwing dan op nieuwbouw. Niet gek dat daar ook verfraaiing aan het interieur bij kwam, uiteraard naar de laatste mode. De behangselateliers van Johannes Piepers, Thomas Gaal en Paulus van Oppen zullen hun handen vol hebben gehad. In deze sfeer werd het Teeken Collegie in 1778 in het leven geroepen. Thomas Gaal droeg als intekenaar financieel bij, werd tekenleraar en kreeg een bestuurlijke functie. De naam Piepers zien we de eerste jaren niet terug bij wat sinds 1784 Teeken Akademie heet, maar Van Oppen wel. Paulus van Oppen gaf zijn zoon Levinus Petrus als leerling op. Hij zou kunstschilder en logementhouder worden. Het lexicon van Scheen noemt Gaal en Van Oppen sr. en jr. compagnons.

Erg veel is over Levinus Petrus niet bekend en van dat weinige is niet alles juist. Wat wel klopt is dat hij in 1792 de primus in het tekenen naar het mannelijk naakt model werd, wat hem een medaille van de Teeken Akademie opleverde. Het levenslicht zag hij naar eigen zeggen in de volkstelling van 1812 op 16 juli 1764. Dat zou dan op de Grote Markt geweest moeten zijn, waar zijn vader op de hoek van de Korte Gortstraat in het Huis van Domburg (wijk I, nr. 1) sinds 1757 een herberg dreef. Sinds 1764 was het grote pand in eigendom en mogelijk was er ruimte om naast het onderbrengen van gasten ook geschilderde behangsels te fabriceren. Dat na de dood van Paulus in september 1779 Levinus het logement overnam, lijkt gezien zijn leeftijd (15) onwaarschijnlijk, maar het bleef in de familie. Op 15 mei 1794 trad hij in het huwelijk met de Zierikzeese Ida Jansen, die in het Huis van Domburg hun 7 kinderen ter wereld bracht. 

De combinatie kunstschilder / behangselfabrikant en logementhouder in het Huis van Domburg is mogelijk niet zo vreemd. Hoewel logementhouder en herbergier (en dan in de zin van kroegbaas) in de akten door elkaar gebruikt worden, kunnen het twee te onderscheiden activiteiten in hetzelfde pand geweest zijn. Kijkend naar een tekening uit 1800 van het pand ontstaat het beeld van een logement (en schildersatelier) in het huis achter de linker voordeur en in de kelder met eigen deur aan de rechterkant een gelagkamer (kroeg). Daar kwam na een verbouwing een einde aan, mogelijk in 1812. De site ‘Middelburg dronk’ meldt dat in dat jaar Levinus Petrus de exploitatie overdeed aan caféhouder Johannes van den Heuvel en noteert daar het adres wijk I nr. 2 bij, wat goed het pand links van het Hotel du Dombourg kan zijn geweest. Van Oppen bleef tot aan zijn dood logementhouder in het pand Grote Markt wijk I nr. 1. In juni 1822 streek de Rotterdamse kunsthandelaar W.J. van Oosterzee er met zijn handel in ‘Schilder- en Teekenbehoeften’ neer en nog in de zomer van 1830 pakte de Rotterdammer H. Chastel, kleermaker en lakenverkoper, er zijn handel uit. 

De literatuur vermeldt 1837 als sterfjaar, mogelijk door een leesfout van een 7 voor een 1 door Scheen. Levinus Petrus van Oppen stierf op 19 juni 1831, waarbij in de akte aangetekend staat dat hij logementhouder in wijk I nr. 1 is. Gek genoeg komt hij in geen akte voor als schilder. De erfgenamen besloten het pand op de Grote Markt te veilen, wat in 1833 resulteerde in afbraak door de nieuwe eigenaar, waarmee een stukje middeleeuwen uit het straatbeeld verdween.

Arnold Wiggers

L.J. Dhaenens, Het Huis van Domburg te Middelburg zoo als het was ten jare 1832. Afgetekend met de chambre obscure (camera obscura) – Zeeuws Archief, Collectie KZGW ZI-II-0710

Vondst van een ‘mislukte’ prijspenning 

De door KZGW verworven penning van 1790

We dachten dat alles over de prijspenningen van de Teeken Akademie wel bekend was. Onterecht. Laten we het nog eens op een rijtje zetten. 

In de jaren 1787, 1788 en 1789 werden in feite unieke exemplaren uitgereikt, die alle geënt waren op het ‘Vernuft en Vlijt’ zinnebeeld zoals dat voorin de prijsboeken als lakzegel voorkomt. De maker was Johan Werner Gericke (ca 1745-1801) docent boetseren en dirigerend lid. Hij werd met tekenleraar en medebestuurder Jacobus Perkois door het bestuur opgedragen te onderzoeken wat het maken van stempels en het slaan van gouden en zilveren penningen zou gaan kosten. Ze kwamen uit bij de medailleur George (Joris) Kockers (Rotterdam 1757-Den Haag 1822) die aan de Zeeuwse Munt als stempelsnijder was verbonden. Op 27 april 1790 liet Kockers weten dat de stempels gesneden waren, maar nog geen vuurproef doorstaan hadden. Toen dit een dag later gebeurde, raakten de stempels beschadigd, ‘zoodat de daarmede geslagen penning begrijpelijkerwijze niet fraai was uitgevallen, maar toch niet zóó erg, of hij kon nog wel worden gebruikt’. De zilveren penning werd verguld en Jan Baptist Ham kreeg hem uitgereikt. Kockers maakte nieuwe stempels die in maart 1791 werden goedgekeurd op basis van een koperen proefpenning. Vanaf nu werd de bekende penning uitgereikt, die op de Zeeuwse Munt werd geslagen door Petronella Slob, de weduwe van muntmeester Martinus Holtzhey jr.

In de literatuur lijkt het of Kockers pas in 1792 aan de Munt werd verbonden. In dat jaar werd hij de titulaire stempelsnijder als opvolger van Johan Matthias Holtzhey, (oomzegger en) neef van de muntmeesters Martinus Holtzhey sr. en jr. Uit het Statenarchief blijkt dat hij al per 1 oktober 1788 tot diens adjunct benoemd was, na al op de Munt werkzaam te zijn geweest als ‘ijzersnijder’, wat duidt op een aanstelling als stempelmakersknecht. 

De penning van 1791 is beschreven in het standaardwerk, Beschrijving van Nederlandsche historie-penningen, ten vervolge op het werk van mr. Gerard van Loon dl. 7, Amsterdam 1862. Daar vinden we ook een variant met een kleinere zonnebal en zonder de naam van de stempelsnijder. Die staat op de keerzijde onder de krans met de initialen ‘I.P.’ en I. v. C. Dir: [ecteuren]. ‘Daar deze penning slechts als unicum in lood bekend is, kan het stuk niet anders dan een afgekeurde proef zijn geweest’, meende De Man, de [anonieme] schrijvers aanhalend. 

En dan nu de vondst. Op Marktplaats was een tinnen prijspenning van de Teeken Akademie te koop (gekocht door het KZGW). Een niet zo’n fraai exemplaar en ook geen edelmetaal, wat de vraagprijs bescheiden hield. De overeenkomst met de beschrijving van de loden penning was frappant, want ook deze heeft de naam Kockers en de initialen op de keerzijde. Dat maakt het aannemelijk dat de loden en ook deze tinnen afslagen van de oorspronkelijke, beschadigde stempels van 1790 zijn. Het stadswapen van Middelburg is nauwelijks te onderscheiden. De initialen zijn volgens ons niet goed gelezen: I.P. is natuurlijk Jacobus Perkois en in de andere directeur wilde men wellicht graag een Van Citters in zien, maar een I (of J, want die letter werd nooit gebruikt) van Citters is nooit dirigerend lid geweest. Naar onze mening staat er I. W. G en dat snijdt pas echt hout: Jacobus Perkois en Johan Werner Gericke waren de directeuren, belast met het toezicht op de stempels.

Arnold Wiggers

Met dank aan Rien Sanderse (Conservator Munten en penningen van het KZGW)

Citaten uit: Marie G.A. de Man, De prijspenningen van de voormalige Teeken-Academie te Middelburrg. In: Archief, uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, jrg. 1921

De penning van 1791 – Zeeuws Museum, Collectie KZGW GM1623

Slagers, timmerlieden en schilders 

Advertentie uit de Middelburgsche Courant, 08-08-1840 – Krantenbank Zeeland

Bij zijn huwelijk in Goes in april 1797 met Anna Sijbel (1775-1811) was Engel Sloover (1776-1853) een timmermansknecht; bij de volkstelling in november van hetzelfde jaar slachter. Daarmee trad hij in het voetspoor van zijn voorgeslacht en ook in de generaties na hem zouden slagers zijn. Slager Sloover aan de Opril in Goes sloot zijn zaak eind 1970. Timmerlieden en schilders waren er ook. Zoon Hendrik (1800-1832) kwam in Middelburg terecht als timmerknecht en kreeg in 1821 de aanmoedigingsprijs in de 2e klas bouwkunde van de Teeken Akademie. Hendrik werd in 1828 bij zijn regiment in Goes verwacht, doch meldde zich niet. In 1830 is hij dan toch onder de wapenen en ingedeeld bij de Zeeuwse mobiele schutterij, waaruit hij om gezondheidsredenen (bloedspuwing) al snel ontslagen werd. Terug in Middelburg volgde in augustus 1832 een opname in het Gasthuis (‘het water’) en in september kwam hij te overlijden.

Zijn broer Pieter Sloover (1801-1858) volgde lessen aan de in 1819 door het Departement Goes van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen aldaar in het leven geroepen Tekenschool. Aan het eind van het eerste seizoen, in april 1820 ontving hij de ereprijs in de 2e klas en een jaar later die in de 1e klas, ‘naar het menselijk beeld’. Ook Pieter Sloover trok naar Middelburg waar hij in 1824 de hoogzwangere Pieternella Duivenee (ca. 1802-1879) huwde. In 1834 adverteerde hij trots dat hij een eigen ‘Schilders-affaire’ in de Lange St. Pieterstraat F 43 opende. Hij komt verder voor als schilder, vergulder en lijstenmaker, later op de Wal B 99. In 1992 stond er een oproep in De Wete van de Heemkundige Kring Walcheren om informatie over Pieter Sloover naar aanleiding van een (niet afgebeeld) schilderij uit 1845, mogelijk een schoorsteenstuk. Naast met de grove kwast heeft hij dus ook met het penseel gewerkt. 

Sloover had nog een bron van inkomsten en blijkbaar een lucratieve. Een zekere H. Morhange had een ‘Echt Geheim Middel’ tegen wandluizen, niet giftig voor mensen, zonder schade veroorzakend aan meubelen en zonder reuk. Voor het eerst zien we hem in de krant in 1834. In 1839 was hij terug met zijn inmiddels naar eigen zeggen door Z.M. de Koning geoctrooieerde methode. Hij vestigde een depot bij Sloover, die hij instrueerde hoe de apparatuur en het middel moest gebruiken. Sloover verwierf het octrooi op de verkoop van het middel in Zeeland en verzette zich met advertenties in de krant tegen inbreuk erop. In de Middelburgsche Courant van 12 juni 1858 berichte (dan) Wed. P. Sloover dat haar man ‘na een langdurig en smartvol lijden’ was overleden. Of het ‘product’ met het ziekteproces iets van doen had? Met hun enig kind, zoon Karel, zette ze de zaak voort. Nog in 1865 adverteerde Karel -sinds 1859 enig firmant- met de wandluizenbestrijding. 

Karel (1826-1879) volgde het winterseizoen lessen aan de Teeken Akademie. In 1841 (3e klas) en 1843 (2e klas) werd hij onderscheiden voor het tekenen naar prent en in 1845 was hij primus in de 2e klas naar pleister. Hij huwde Cornelia Johanna Jacoba Prince (1825-1913), met wie hij 9 kinderen kreeg, onder wie schilders en timmerlieden. En Karel (1860-?), die in 1885 vastzat vanwege geweldpleging en in 1886 en 1887 voor openbare dronkenschap. Getrouwd en wel, vader van een aantal kinderen, verkoos hij het zeegat…

Arnold Wiggers

Blik op de Wal (Middelburg) vanaf Koorkerkhof, ca. 1935. De straat is gedecoreerd ter ere van de verjaardag van koningin Wilhelmina op 31 augustus. De firma Sloover was in deze straat op B 99 (40) gehuisvest – Beeldbank Zeeland recordnr. 73273

De familie Roelse

Kaart van de buitenplaats Het huis te Molenbaix onder de gemeente Grijpskerke, aankomende den heer C. Vis, 1:2000, door K. Roelse Lz Cornelis Vis (1788-1853) was griffier van de Staten van Zeeland en eerste voorzitter van de ZLM – Zeeuws Archief, Polder Walcheren 1511-1870, nr. 2710

Nogal wat generaties Roelse zijn verbonden geweest aan de polder Walcheren. Zo was Louris Willem Roelse (1767-1847) ondercommies in de Vijfambachten. Hij woonde met zijn vrouw Maria Stephanus[dochter] Gabrielse (ca. 1769-1847) in Westkapelle waar ook hun zonen Stephanus Roelse (1794-1860) en Kornelis Roelse (ca. 1809- 1844) werden geboren. Beide zonen zouden ambtenaar bij de polder Walcheren worden. Hun werk voor de polder zal betekend hebben dat ze kaarten niet alleen konden lezen, maar ook tekenen. Kornelis heeft les gevolgd aan de Teeken Akademie. Hij ontving in 1826 een prijs als primus in de 2e afdeling van de 3e klas naar prent. Het jaar erop kreeg hij een aanmoedigingsprijs in de 3e klas, wat gezien moet worden als een troostprijs voor de tweede uit een klas die op een haar na de hoofdprijs heeft gemist. Van zijn oudere broer Stephanus zijn dan wel geen vermeldingen bekend, het lijkt logisch dat hij lessen heeft gevolgd. 

Stephanus huwde in januari 1815 Clara Huibregtsen (ca. 1793-1860). Toen het echtpaar rond 1821 van Vlissingen naar Middelburg verhuisde, was geen van hun 4 kinderen meer in leven. Van de negen zwangerschappen die volgden, eindigden er 3 met de geboorte van een levenloos zoontje en twee kinderen stierven na enkele maanden. Drie dochters en een zoon, werden volwassen. Stephanus Roelse werd in 1859 bij de oprichting van de Middelburgsche Maatschappij van Stoomvaart, die driemaal per week een dienst op Rotterdam onderhield, in de driekoppige directie benoemd. Al een jaar later kwam hij te overlijden. Zoon Lourus Willem (1832-1885) trad in meerdere opzichten vaders voetsporen. In elk geval volgde hij lessen aan de Teeken Akademie, want in 1847 werd hij primus in de 5e (laagste) klas bouwkunde. Tot landmeter werd hij beëdigd in 1849 en zo klom hij verder op tot opzichter in algemene dienst van de polder Walcheren. In augustus 1870 nam hij ontslag en werd directeur bij de stoomvaartmaatschappij waar zijn vader aan de wieg had gestaan. Het huwelijk met Maatje den Haan (1847-1904) zou kinderloos blijven.

Kornelis Roelse trouwde op de eerste dag van april 1830 met Pieternella Johanna Cramer (ca. 1810-1884). Ook in dit gezin woonachtig in Vrouwenpolder en later in Zanddijk-Buiten, was de kindersterfte hoog: van de 8 kinderen stierven er 4 als zuigeling. Hendrik Hermanus (1831-1872) koos een andere richting dan zijn vader. Hij volgde lessen aan de Teeken Akademie en werd in 1849 primus in de 2e klas en in 1851 primus in de 1e klas naar pleister. Daarmee was zijn tekenopleiding voltooid. Een bewijs voor zijn tekentalent is een geaquarelleerd zeegezicht met schepen, dat zich in privébezit bevindt. Toch werd dit niet de richting waar hij roem mee zou verwerven. Hij legde zich in 1852 toe op de fotografie, die zich sinds de uitvinding van Nièpce in 1826, sterk ontwikkeld had. Halverwege de 19e eeuw was het maken van daguerreotypieën vooral voor portretten zover ontwikkeld, dat Roelse na de techniek onder de knie te hebben gekregen, aan de Dam Zuidzijde een eigen atelier kon openen. Hij zou de eerste zijn in Middelburg die in de fotografie zijn middel van bestaan vond. Later toen er met negatieven werd gewerkt, kon hij van een opname meerdere afdrukken maken en verkopen. Regelmatig legde hij activiteiten vast en stelde hij zijn camera op voor bekende gebouwen in Middelburg, waaronder verschillende die de afbraakwoede uit de 19e eeuw niet overleefden. Dankzij Hendrik Hermanus Roelse hebben we daar de foto’s nog van.

Arnold Wiggers

Foto H.H. Roelse, Gezicht op de Rouaansekaai te Middelburg met een afgemeerde raderboot van de Middelburgsche Maatschappij van Stoomvaart, ca. 1860 – Zeeuws Archief, HTAM nr. F-12
Foto H.H. Roelse, Werkzaamheden aan de kademuur ter hoogte van Dam Zuidzijde, ca. 1870. De foto moet van voor 1872 zijn, het sterfjaar van Roelse. Het werk voor het droogdok startte in 1875 – Zeeuws Archief, Collectie KZGW ZI-II-2344-2 (onderdeel van een album).

Stadstekenaar op het Molenwater

Arian Van Dijk, Zicht vanaf de veste richting Molenwaterpark, 09-03-2024

Een adres vinden op het Molenwater in Middelburg lijkt een peulenschil. Dat is het ook, voor wie weet hoe de nummering loopt. Op de stadsplattegrond van 1873, getekend na de aanleg van het Kanaal door Walcheren, is de Zuidsingel de Zuidsingel, maar de naam Molenwater staat alleen vermeld voor de straatwand met Burgerweeshuis tussen Koepoortstraat en Koepoort. Hoewel er een hele huizenrij stond om de hoek van de Noorpoortstraat waar nu het Molenwater begint te nummeren, draagt die op deze kaart geen straatnaam. De gracht daar was al gedempt en dat stuk werd wel aangeduid als Korte Heerengracht. Ook het ‘echte’ Molenwater was toentertijd eigenlijk al zo goed als zonder water: de muziektent stond er en het exercitieterrein was aangelegd. De noordkant kende wat kleine huizen, het 18e -eeuwse pakhuis en de toenmalige schouwburg. De gasfabriek en nog wat industrie zouden er verrijzen en aan het eind van de 19e eeuw een imposante rij aan herenhuizen.

De nummering loopt tegenwoordig vanaf de huisartsenpraktijk De Vleugelnoot (47) op tot 99 van de Schouwburg en dan 2 nummers voor de Koepoort (101 en 103). Vervolgens beginnen met een haakse hoek de nummers 105 tot en met 137. Een van de weinige pandjes met een even nummer (de Watertoren heeft 2a en de voormalige Militaire School nummer 4) zou snackbar het Smulhoekje kunnen zijn. Maar nee, wie een postadres zoekt, komt uit op Koepoortlaan 3 en is daarmee het enige adres aan deze laan! Op de tekening van stadstekenaar Arian van Dijk staat het metalen gebouwtje uit 2003, de opvolger van het houten ‘frietkot’ uit 1971 (1968 zeggen ze zelf op de website). Friet werd er in de buurt van de Schouwburg en Miniatuur Walcheren trouwens al ver voor 1968 verkocht. 

Links op de tekening de (ongeveer) blinde muur van Molenwater 105, waar tot in de vroege jaren ’70 nummer 103 tegenaan stond. Dat wat lagere pand brandde op de Eerste Kerstdag 1970 af, waarna het opgeruimd is. Het nummer werd (vermoed ik) na de restauratie van de Koepoort in 2018 aan een van de twee appartementen gegeven, die toen in het monument werden gecreëerd.

Hoek Molenwater / Nieuwe Oostersestraat te Middelburg. Het pand Molenwater 103 werd op 25 december 1970 door brand verwoest. Foto: maker onbekend – Beeldbank Zeeland recordnr. 123791

Op de originele invalshoek van de tekening van de stadstekenaar op de achterkanten van dit stukje Molenwater staat uiterst links de donkere zijkant van nr. 111. Ooit was dit een kaatsbaan en later het woonhuis van Johan Pieter Bourjé (1774-1834), succesvol leerling van de Teeken Akdemie. Uit de overgeleverde tekeningen in het Zeeuws Museum lijkt het dat hij een vanaf 1788 de lessen heeft gevolgd, mogelijk ook als prijswinnaar. Gegevens daarover ontbreken. Wel dat hij in 1793 de primus naar naakt levend model werd. Het schilderen heeft hij van Pieter Gaal (1769-1819) geleerd. Zelf prijswinnaar en dirigerend lid van de Teeken Akademie, zal hij de schilderlessen toch thuis verzorgd. Van Bourjé is een gezicht op het Molenwater, wat hij vanuit de woonkamer kan hebben gemaakt. Deze kunstenaar en wetenschapper in enkele zinnen schetsen, doet hem te kort. Wie hem nader wil leren kennen: hij heeft een sympathieke biografie in de serie Zeeuws Katernen van de hand van oud-voorzitter Albert Meijer uit 1992, met als hoofdtitel Frappante gelijkenissen.

Arnold Wiggers

J.P. Bourjé, Gezicht van het Molenwater te Middelburg, getekend vanuit Molenwater 111, 1802. Gewassen tekening in kleur, 44,5 x 60 cm – Zeeuws Archief, Collectie KZGW ZI-II-2445