Firma Ws. van Uije & Zonen tot 1843

Nederlands Hervormde kerk te Westkapelle (1834-1944) voor 1935. Prentbriefkaart uitgegeven door J. Torbijn te Goes – Zeeuws Archief, Fotoarchief J. Torbijn, Goes, nr WKP-P-14

In de Zeeuwse aannemerswereld van de 19de eeuw was de firma Ws. van Uije & Zonen een grote speler. De grondlegger was Wilhelmus van Uije (1777-1843) en onder zijn naam zou de firma tot in 1905 bestaan. Nog in 1911 stond in de Middelburgsche Courant een advertentie van ‘D.M. Boone v.h. W. van Uije & Zonen in Bouwmaterialen’. Timmeren, metselen, handelen in oude en nieuwe bouwmaterialen en verkoop wat zo op hun pad kwam (een schip, werkpaarden …), een steenhouwerij, met daarnaast ook nog bemiddeling in verhuur van panden, waarvan sommige in eigendom waren, dat was het brede spectrum van Ws. van Uije en Zonen, op Walcheren en de Bevelanden, in de Kanaalzone van Terneuzen en elders in de provincie.

Het is aannemelijk dat Wilhelmus lessen aan de Teeken Akademie gevolgd heeft. In elk geval was hij in 1795 (de bronnen vertonen in voorgaande jaren nogal gaten) de beste van de 1e klasse bouwkunde. In 1799 huwde hij Johanna van der Wiele (ca. 1772-1808) met wie hij 4 kinderen kreeg, onder wie Jacobus Johannes (ca. 1802-1873) en Cornelis Johannes (1803-1879) die later de ‘zonen’ in de firma zouden worden. Uit een tweede huwelijk in 1810 met Johanna Jacoba Kok (ca. 1778-1836) werden nog eens 7 kinderen geboren. Bij het overlijden van Wilhelmus in 1843 waren alle kinderen uit het eerste huwelijk nog in leven en 4 uit het tweede huwelijk. 

Er is wel verondersteld dat Wilhelmus van Uije ook onderwijs in de bouwkunde aan de Teeken Akademie doceerde, waar evenwel geen bewijs voor is. Wel was hij vanaf 1833 tot aan zijn dood dirigerend lid, zodat hij weldegelijk invloed op het onderwijs gehad heeft. Zoon Jacob Johannes’ carrière bij de Teeken Akademie is wel goed te volgen. In 1820 kreeg hij een aanmoedigingsprijs in de 2e klas bouwkunde. In 1821 werd hij primus in de 1e klas en het jaar daarop werd hij primus bouwkunde en onderscheiden met de grote zilveren penning van de koning. Net als zijn vader werd hij dirigerend lid (1846-1869) en van hem weten we dat hij tussen 1862 en 1867 lesgevend meester in de bouwkunde is geweest. 

Van het volgen van lessen op de academie door zijn broer Cornelis Johannes is weer geen enkel bewijs, aannemelijk is het wel. Onder eigen naam en dus mogelijk voor eigen rekening had hij de nieuwbouw van de kerk in Westkapelle aangenomen, waarvoor op 4 april 1834 de eerste steen gelegd werd. Dat geschiedde door jonker Willem Frederik van Doorn, de zoon van ambachtsheer Hendrik Jacob baron Van Doorn van Westcapelle, toentertijd minister van Binnenlandse Zaken. De katholieke kerk in IJzendijke is door de firma Ws. van Uije en Zoon gebouwd. De aannemingssom bedroeg ƒ 28.800. De eerstesteenlegging van deze waterstaatskerk vond eind maart 1840 plaats. Zowel de kerk in Westkapelle als de kerk in IJzendijke werden slachtoffer van de bevrijding van Zeeland in 1944.

Gezicht op het De Ruyterplein in Vlissingen met het standbeeld van Michiel de Ruyter (uit 1841 door L. Royer), ca. 1870. De sokkel werd vervaardigd door de firma Ws. van Uije & Zonen. Op de achtergrond de Nieuwendijk. In 1894 kregen sokkel en beeld hun huidige standplaats. Fotograaf A.L. Preuninger – Zeeuws Archief, Fotocollectie Vlissingen nr. 18

De steenhouwerij binnen de firma verzorgde in 1841 de sokkel van het standbeeld van Michiel de Ruyter die samen met Michieltje in 1894 naar het Keizersbolwerk werd verhuisd. Ws. van Uije & Zonen was in 1842 ook verantwoordelijk voor het ontwerp (door C.J. van Uije) en de uitvoering van een gedenkplaat voor Hadrianus Junius (1511-1575) in de Koorkerk, waar zijn graf in 1817 herontdekt was. Was het standbeeld in Vlissingen een initiatief van de Maarschappij tot Nut van ’t Algemeen, de Middelburgse gedenkplaat werd bekostigd door het Zeeuws Genootschap. Waar heden De Ruyter nog fier het zeegat uitkijkt, heeft het gedenkteken de stadsbrand in 1940 niet ongeschonden doorstaan. 

Arnold Wiggers

Kopergravure van het ontwerp door C.J. van Uije van het Gedenkteeken van Hadrianus Junius in de Koorkerk te Middelburg – Zeeuws Archief, Collectie KZGW ZI-II-0576

Pieter Sonius

Vlasmarkt 54, augustus 2024

Bij het overlijden van Peter Sonius in 1914 erfde zijn enig levend kind, Jacoba Wilhelmina Esther, een flink kapitaal, waaronder nogal wat onroerend goed. De nazaten van metselaar Pieter Sonius (ca. 1766-1808) uit de Kromme Weele hadden goed geboerd: eerst zoon Jacobus (1798-1886) die vanuit de Langeviele als aannemer opereerde en later diens zoon Pieter (1830-1914) die dat deed op de Vlasmarkt L 24 (nu 54).

Zijn theoretische opleiding kreeg Pieter op de Teeken Akademie waar hij het in 1845 tot primus in de 5e klas bouwkunde schopte. In 1851 werd hij primus in de doorzichtkunde èn kreeg hij lof voor zijn werk in de 1e klasse bouwkunde. Het jaar daarop werd hij in dezelfde klas primus, om het in 1853 tot primus in de bouwkunde te brengen. De praktijk zal hij onder anderen bij zijn vader onder de knie gekregen hebben. 

Na zijn huwelijk in 1861 met Maria van Ginhoven (1830-1903) werd het eerste kind in 1864 op de Vlasmarkt geboren, dat slechts 3 dagen leefde. Op de kortste dag van 1866 zag Adriaan Antonie het levenslicht. Als timmerman en metselaar was hij vast de vermoedelijke opvolger in de aannemerij, wat door zijn vroege dood in 1895 werd gedwarsboomd. In 1874 kwam het nakomertje de al genoemde Jacoba Wilhelmina Esther ter wereld. Zij overleed als weduwe Hans Ulrich Ernst von Heimberg (ca. 1872-1958), manufacturier te Middelburg, in 1961 te Zeist. 

Bij de dood van zijn vader Jacobus in 1886 liet Pieter de clientèle van de firma Sonius weten dat hij voortaan de zaak voor eigen rekening ging voortzetten, na 12 jaren het gezamenlijk gedaan te hebben. Dat compagnonschap resulteerde in maart 1878 bij het 25-jarig jubileum van Johannes van Luijk als timmerman bij de firma -hij zal een van de eerste timmerlieden in de zaak van Jacobus zijn geweest- in een gift van een opwindbaar zilveren horloge door Jacobus en een gouden draagketting door Pieter.

Dat Pieter meer in huis had dan zijn vader blijkt uit een aantal advertenties in de Middelburgsche Courant. In 1867 kunnen belangstellen bij hem op de Vlasmarkt het bestek en tekening van een nieuw armenhuis in Aagtekerke inzien. In 1869 gold hetzelfde voor de vergroting van de school in Westkapelle. Voor beide projecten was het ontwerp van Pieter. De school in Westkapelle werd overigens al in 1885 weer vervangen door een neo-gebouw naar een ontwerp van L. Kuijler. 

Het vakmanschap van Pieter Sonius werd breed erkend. Vanaf 1887 had hij zitting in het bestuur van de Ambachtsschool, in feite de opvolger van de Teeken Akademie en de Industrieschool.

De stad Middelburg zou hem vooral eren voor zijn activiteiten in het brandweerkorps. Eind november 1906 werd hij gehuldigd voor zijn 50-jarige inzet, sinds 1890 als opperbrandmeester. Hij ontving een medaille en een miniatuurmodel van een brandspuit. De dan al behoorlijk bejaarde Sonius vond dat een mooi moment om zijn ontslag aan te vragen, wat hem per 1 januari 1907 eervol verleend werd. 

Arnold Wiggers

Brandweerpenning Middelburg van de brandmeester, na 1881 – Zeeuws Museum, Collectie KZGW GM0935

Jacobus Sonius voor afbraak en opbouw

‘De oude kraan van den zuidzijde van den Dam te zien’. Gezicht vanaf de Smallekade en Zuidzijde van de Dam op de Noortdzijde van de Dam. Anonieme tekening, gedateerd 1790-1799. In 1868 werd het herstel van de Smallekade en het dwarsgedeelte van de Dam voor ƒ 21.389 gegund aan Jacobus Sonius – Zeeuws Archief, Collectie KZGW ZI-II-0778
‘De oude kraan van den noordzijde van den Dam te zien’. Gezicht op de Smallekade en Zuidzijde van de Dam. Anonieme tekening, gedateerd 1790-1799. In 1868 werd het herstel van de Smallekade en het dwarsgedeelte van de Dam voor ƒ 21.389 gegund aan Jacobus Sonius – Zeeuws Archief, Collectie KZGW ZI-II-0779

De metselaar Jacobus Sonius is al eens voorbijgekomen als compagnon van timmerman P.J. van Puffelen (1828-1886). De maatschap nam in 1857 de afbraak van de oude en de bouw van een nieuwe kerk te Arnemuiden voor zijn rekening. Die bedroeg ƒ 9.500. Tussen juni 1857 en juli 1858 was er afbraakmateriaal van de kerk te koop volgens advertenties in de Middelburgsche Courant

Jacobus Sonius (1798-1886) trad in de voetsporen van vader Pieter Sonius (ca. 1766-1808), metselaar in de Kromme Weele en gehuwd met Anna Maria Sterk (ca. 1760-1832). In 1820 kreeg Jacobus op de Teeken Akademie een zilveren medaille uit het legaat van Daniel Steven Schorer als aanmoedigingsprijs in de 1e klas bouwkunde. Een teken dat hij qua kunde gewaagd was aan de primus in de bouwkunde van dat jaar Hermannus Johannes Haaksman (ca. 1795-1864). Niet verwonderlijk dat in 1828 een bouwkundige tekening in Oost-Indische inkt van Sonius op jubileumtentoonstelling werd opgehangen. Hij was toen niet alleen al getrouwd (1826) met Willemina Esther van Heulen (ca. 1792-1834), maar ook al vader van Anna Maria (1828-1866) èn eigenaar van het pand De Roode Zee in de Langeviele (nu nr. 3). Uit dit huwelijk werd ook Pieter Sonius (1830-1912) geboren waarover later meer. In 1834 stierf eerst zoontje Willem vlak na de geboorte en 2 dagen later moeder Willemina Ester. Het jaar daarop huwde hij Pieternella Adriana de Winter (1807-1896) uit Zierikzee met wie hij in 1836 een zoon kreeg, Pieter Cornelis die naar Noord-Amerika vertrok en daar steenhouwer was. 

Van 1841 tot 1856 fungeerde Jacobus Sonius als een van de vijf tegenschatters, aangesteld door de gemeente Middelburg, om in het geval van bezwaren tegen aanslagen van de belasting op de huurwaarde, het aantal vensters, deuren en haardsteden een uitspraak te doen. Blijkbaar werd zijn kennis gewaardeerd en werd hij in 1856 aangesteld als Rijks-schatter wat een promotie was. Een verzoek uit 1862 om in aanmerking te komen voor de functie van opzichter bij wat later gemeentewerken ging heten als opvolger van C. Krijger, werd echter niet gehonoreerd. 

Sonius had in 1853 bij zijn ‘metselaars-affaire ook het timmerwerk gevoegd’, waardoor hij een volwaardige aannemerij bestierde. Tot de succesvolle door de stad gegunde aanbestedingen behoorde in augustus 1855 het plaatsen van de benodigde stellingen ‘rond den grooten en de kleine torens’ van het raadhuis voor ƒ 570. De herstelwerkzaamheden werden later dat jaar evenwel aan een ander gegund. In 1860 mocht Sonius 25.000 ‘straatkijen’ leveren voor ƒ 50,50 per 1000 stuks, wat de prijs per steen op ruim een stuiver bracht. In 1868 verzorgde de firma voor ƒ 21.389 het herstel van de Smallekade (Zuidzijde Dam) en het dwarsgedeelte van de Dam.

Afsluitend nog een partij ‘afbraak’: pannen, vorsten, ribhout, vloer- en beschotdelen, deur- en lichtkozijnen, eiken balken en meer, alles gelegen op de Looierssingel bij het ‘Domburgsche Schuitvlot’ waarmee Jacobus Sonius op 14 februari 1867 in de krant adverteerde. Waar dat vandaan kwam? Het zijn de jaren dat grote buitenplaatsen werden gesloopt zoals Rhijnsburg in Oostkapelle en ook de eerste gebouwen tegen de vlakte gingen die het traject van het Kanaal door Walcheren in de weg stonden. 

Arnold Wiggers

Foto H.H. Roelse, ca. 1875-1876. Werkzaamheden aan het Droogdok ter hoogte van de Smallekade en Dam Zuidzijde, waar de firma van Jacobus Sonius in 1868 herstelwerkzaamheden aan de kades had uitgevoerd – Zeeuws Archief, Collectie KZGW ZI-II-2433/2

Snijders

Pieter Snijders was een tekenaar die in de tweede helft van de 18e eeuw in opdracht tekeningen maakte. Hij tekende de wandtapijten in de Abdij, familiewapens en ook speciale titelpagina’s. Veel weten we niet over hem. Eigenlijk niets: geen geboorte, huwelijks- of sterfdatum. De biograaf Frederik Nagtglas noemt hem in zijn Levensberichten ‘geen groot kunstenaar’. Nu zijn er onder de prijswinnaars van de Teeken Akademie drie met de achternaam Snijders, wat nieuwsgierig maakt of er een familierelatie is. 

Aarnout Johannes Cornelis Snijders (1815-1846) die in 1828 primus in de 4e klas naar prent werd blijkt een broer te zijn van Johannis Henderik (1828-1904) die in 1842 ook primus in de 4e klas naar prent werd. Beiden waren zonen van Jan Anthonij Snijders (1792-1848) en Sara Levina Barbet (1789-1833). Vader Anthony handelde in de drank en de tabak, eerst in de Langedelft, later op de Dam. Volgens Nagtglas was hij een welgesteld koopman, een mededeling in een lemma over een derde zoon Cornelis Jacobus (1820-1909). Deze geneesheer promoveerde in 1862 in Utrecht tot medisch doctor. Een zuster trouwde in de drukkersfamilie Altorffer, een ander trouwde Johannes Zip, de kassier van de Wisselbank. 

Zou Jan Anthonij dan de zoon zijn van Pieter Snijders? Nee. Jan Anthonij werd in Vlissingen geboren als zoon van Johannes Michael Snijders (overleden 1820) en Catharina Johanna Lindt (ca. 1755-1847). Deze Johannes Michael was in 1778 met attestatie uit Paramaribo in Vlissingen als lidmaat in de Nederduits Gereformeerde Kerk opgenomen. Een directe relatie met Pieter Snijders kan niet gelegd worden. 

Aarnout Johannes Cornelis Snijders huwde in 1837 Dina Catharina Zip, inderdaad, de zus van de kassier. In april 1837 kwam J.A.C. bij zijn vader in de firma die voortaan als Snijders & Zoon door het leven ging. Vijf kinderen waren tussen 1838 en 1845 in het gezin geboren, toen J.A.C. ziek werd en na ‘langdurig lijden … in den zoo jeugdigen leeftijd van 31 jaren [en] een gelukkige Echtvereeniging’ op 19 oktober 1846 kwam te overlijden.

Als vader Jan Anthony op 17 juni 1848 ook sterft, adverteert de familie dat de firma Snijders & Zoon voortgezet zal worden. De jongste zoon Johannes Henderik gaat ook likeuren fabriceren. Langzamerhand verschijnt zijn naam regelmatig in de krant. Eerst als voorzitter van het college van diakenen, dan in het bestuur van de Kamer van Koophandel. In 1866 wordt hij directeur bij het Zeeuws Genootschap en van tussen 1870 en 1894 zit hij vrijwel constant in de gemeenteraad, waar hij zich zeer actief betoont. Liberaal, met oog voor het platteland. Hij is jaren de algemeen secretaris van de Maatschappij tot bevordering van de landbouw en veeteelt in Zeeland. In 1879 volgt de benoeming tot commissaris in de Polder Walcheren en in 1880 wordt hij voor het eerst verkozen in de Provinciale Staten. Het Zuiden: Christelijk historisch blad beveelt hem 10 januari 1880 aan bij haar lezers. ‘Ware [hij] nog de grote handelaar in dronkenmakend vocht, wij zouden hem stellig onze stem weigeren’. In 1875 heeft hij immers zijn drankenhandel aan A.A. Mes Gz. overgedaan. Trouwen deed Snijders in Bergen op Zoom in 1853 met Anna Sophia van Rijssen (1825-1902). In 1903 huwde hij Dina Jacoba Ludikhuijzen (1858-1943). Kinderen waren er niet. 

En Anthonie Snijders die in 1863 een getuigschrift ontving? Hij kwam in 1846 in de Koestraat 14 ter wereld als zoon van de ongehuwde Jannetje Rika Snijders. Over haar afkomst is niets te vinden, dus is ook hier geen relatie met Pieter Snijders te leggen. Bij Anthonies huwelijk in 1882 te Leiden met Maria Helena Pieternella Blom (Middelburg 1845) staat aangetekend dat hij ‘huisverver’ was. Zijn vrouw overleed in 1917 te Haarlem. Anthonie stierf in het Oude Mannen- en Vrouwenhuis aan de Herengracht in 1929.

Arnold Wiggers

J.W. Gerstenhauer Zimmerman, Rotterdamsekaai. Albuminedruk ca. 1870. Het tweede huis van rechts zou het woonhuis van J.H. Snijders geweest zijn – Zeeuws Archief, HTAM F-4
Foto. Rotterdamsekaai, ca. 1930. Maker onbekend. Het vijfde huis van rechts (vanaf de Nederstraat) zou het woonhuis van J.H. Snijders zijn geweest – Beeldbank Zeeland recordnr. 7133