Sloover

Kijkje door de Wal op de Lange Jan. De straat links is de Kapoenstraat. Het pand links vooraan (Inboedels S.B. Suurmond) zou B 99 geweest kunnen zijn, waar Pieter Sloover en later zijn zoon Karel hun schilderszaak hadden. Fotograaf onbekend, ca. 1920 – Zeeuws Archief, Verzameling Beeld en Geluid, nr. 400

Om de prijswinnaars uit de familie Sloover en Seijbel goed in beeld te krijgen moeten we naar Goes. Engel Sloover (1776-1853) was daar bij zijn huwelijk met Anna Seijbel (ca. 1789-1811) in april 1797 een timmermansknecht. Nog in het zelfde jaar stond hij te boek als slager. Op zich niet zo gek, omdat zijn vader ook slachter (slager) was. Engel had nog meer in zijn mars: in 1811 komt hij in de administratie voor als (varkens)slager en bakker. Na de dood van Anna huwde hij Dorothea Verdonk (1789-1851) en groeide het gezin verder. Het lijkt erop dat de oudste zoon Hendrik (1800-1832) naar zijn oom Pieter Seijbel, meester timmerman in de Lange Noordstraat in Middelburg is gegaan en daar een opleiding heeft gekregen, die op de Teeken Akademie verder werd verfijnd. In 1821 ontving hij een aanmoedigingsprijs in de 2e klasse bouwkunde. Behalve dat hij als loteling vanaf 1820 met regelmaat voor zijn nummer moest opkomen weten we niet veel van hem. In 1831 werd hij ‘finaal ontslagen’ uit de militie vanwege bloedspuwing. Hij overleed ongehuwd in september 1832.

Zijn ietwat jongere broer Pieter (1801-1858) treffen we ook in Middelburg aan. Niet als timmerman, maar als schilder. Hij moet beslist talentvol zijn geweest en heeft voor zijn vestiging in Middelburg zijn opleiding aan de Tekenschool in Goes gehad waar hij verschillende keren (1820 en 1821) onderscheiden is. In 1824 huwde hij te Middelburg Pieternella Duivenee (1802-1879). Alleen hun zoon Karel (1826-1879) bereikte de volwassen leeftijd. 

In augustus 1834 begon Pieter Sloover een ‘schildersaffaire’ in de St. Pieterstraat. Hij hanteerde ook het penseel. Zo schilderde hij in 1845 vermoedelijk een schoorsteenstuk met enkele zeilschepen en een roeibootje (De Wete 1992). In 1840 was zijn zaak verplaatst naar de Wal, waar hij niet alleen als schilder, lijstenmaker en vergulder zijn geld verdiende, maar ook als depothouder voor middelen tegen wandluizen. Al snel blijkt uit de advertenties dat Sloover zelf de middelen aanbracht, wat wel een gifspuit zal zijn geweest. Vermoedelijk was dat middel verre van onschuldig waardoor zijn sterfbed (1858) tot ‘een langdurig en smartvol lijden’ maakte. Zijn weduwe zette de firma voort onder de naam Wed. P. Sloover & Zoon. 

Zoon Karel werd in 1841, 1843 en 1845 aan de Teeken Akademie onderscheiden voor zijn tekenwerk. Gehuwd was hij in 1852 met Cornelia Johanna Prince (1825-1913). Al snel volgden 2 kinderen (1853 en 1854) en dan lijkt er iets aan de hand te zijn geweest. Kort nadat de zaak door Karel en zijn moeder werd overgenomen in juni 1858, verscheen een advertentie van de firmanten in de Middelburgsche Courant waarin gewaarschuwd werd niets te borgen aan Cornelia Prince, ‘also zij voor geene betaling instaan’. Het zal goed gekomen zijn, want vanaf juli 1859 werden tot 1868 nog 7 kinderen geboren. 

Ook Karel Sloover bleef zich aanbevelen voor het ‘zuiveren van wandluizen’, wat ook hem parten gespeeld zal hebben. Net als zijn vader stierf hij relatief jong en volgens zijn weduwe ook ‘na een langdurig lijden’. Een zoon (Pieter) werd ook schilder en diens zoon (Karel) was leraar schilderen aan de Middelburgse Ambachtschool, een voortzetting van de Teeken Akademie. In Goes bleef tot december 1970 een Sloover een slagerij exploiteren 

Arnold Wiggers