
De nog zeer verse Duitse bezetting en de gepleegde collaboratie speelden hem voor ogen toen mr. W.C. Wendelaar in 1948 zijn genealogie over de familie Serlé publiceerde (‘Niet in den handel’). Enigszins beschroomd -zo lijkt het- nam hij een hoofdstuk op over de houding van de familie tijdens de Franse Tijd (1795-1815). Opgelucht constateerde hij dat de familie destijds niets oneerbaars had gedaan. Heden ten dage worden beide periodes niet zonder meer naast elkaar gelegd. In 1795 was er ook geen sprake van een Franse bezetting: met behulp van Franse troepen namen democratischgezinde Vaderlanders het bestuur van de regenten over. Wendelaar vermelde het niet, maar juist in de eerste dagen van de Bataafse Republiek waren apotheker Cornelis Johannes (1752-1831) en zijn broer de graanhandelaar Pieter Jacobus Serlé (1760-1822) in de voorste gelederen van de Middelburgse Patriotten te vinden. Burgers die eindelijk hun plaats in het bestuur opeisten en na 1814 in het koninkrijk der Nederlanden van Willem I hun plaats behielden.
De broers waren getrouwd met de zusters Cornelia Francina (1752-1831) en Helena Maatje Sohier (1754-1824). De naam Sohier werd aan de familienaam toegevoegd en zo zien we de oudste zoon van graanhandelaar Pieter Cornelis als Simon Sohier Serlé (1784-1832) in 1807 in het huwelijk treden met Catharina Maatje Abrahamse (1783-1854). Ook Simon stond als pondgaarder in de boeken, wat betekende dat hij in granen handelde. Hun oudste zoon was Leendert Pieter Sohier Serlé die in 1808 het levenslicht zag. Hij bezocht de Teeken Akademie en ontving in 1828 een aanmoedigingsprijs in de 3e klas naar prent. Een prijs bekostigt uit het legaat van Daniel Steven Schorer.
In een circulaire van 1 januari 1832 gaf Simon zijn clientèle te kennen dat zijn zoon Leendert Pieter na al zo’n 12 jaar bij hem in dienst te zijn geweest vanaf nu een aandeel in zijn zaken had, het ‘waarnemen der commissiën in het vak der Granen en Zaden’. Het zou een intensief jaar worden: op 27 juli huwde Leendert Pieter in Nieuw- en St. Joosland de predikantsdochter Maria Johanna Jutting (1807-1839). Zij was een van de drie kinderen van ds. Lambertus Jutting (1778-1841) en Sara Wilhelmina Faro (1784-1813). Inmiddels was de predikant in 1821 een tweede huwelijk aangegaan met Elizabeth Petronella van Benthem (1775-1851), zuster van de Middelburgse boekhandelaar Salomon van Benthem. In november van dat jaar 1832 stierf Simon Sohier Serlé en stond Leendert Pieter er alleen voor. En dat ging mis. Verkeerde vrienden, drank en verwaarlozing van de zaak door een zwak karakter volgens Wendelaar, waardoor hij bij vrienden en familieleden schulden maakte. Heette zijn vrouw in 1833 bij de geboorte van zijn zoon nog ‘teergeliefde echtgenote’, 10 dagen na de geboorte van zijn dochter op 7 maart 1835 stond hij al zijn bezittingen af en ontvluchtte Middelburg. Als zeeman kwam hij via Amsterdam uiteindelijk in Zuid-Afrika terecht, waar hij schoolmeester werd.
Maria Johanna Jutting eiste een scheiding die op 15 augustus 1837 uitgesproken werd. Haar stiefmoeder met de rest van de familie Van Benthem als ook haar zuster en broer ontfermden zich over haar en haar 2 kinderen. Deze broer Christiaan Hermananus Johannus was inmiddels bij zijn stiefoom Salomon in de zaak gekomen en zou de stamvader van de familie Van Bentem Jutting (sinds 1829) worden. Hij was de voogd van zijn neefje en nichtje Sohier Serlé die slechts 14 en 22 jaar oud werden.
Arnold Wiggers


