Kleine hoofden

Horror / Der Schrecken / Afgryzen / la Frayeur. Voorbeeldprent voor het oefenen in het tekenen van verschillende emoties – Zeeuws Archief, HTAM-H-46-VII

De nieuwe eeuw (de 19e) bracht in het begin weinig goeds. De voortdurende oorlogen van de Fransen tegen alles en iedereen legden de overzeese handel plat, wat tot een malaise in de havensteden leidde, dus ook in Middelburg. Economische rampspoed had natuurlijk ook effect op de Teeken Akademie met als dieptepunt 1813 toen er geen prijsuitreiking plaatsvond.

De lessen bouwkunde lijken toch redelijk in trek te zijn geweest. In 1805 en 1808 waren er telkens 6 klassen waarin steeds een primus werd aangewezen. Bij het tekenonderwijs was dat minder. In 1805 waren er prijzen voor het tekenen naar pleister en 3 voor het tekenen naar prent van beelden, grote hoofden en kleine hoofden. In 1808 was het tekenen naar beelden weggevallen, waardoor er maar 3 klassen geweest zullen zijn. Wat precies getekend werd in de verschillende categorieën naar prent is onduidelijk. Mogelijk werden met ‘kleine hoofden’ vooral de gezichtsuitdrukkingen bedoeld, waarvan tekenvoorbeelden bekend zijn. 

Uit de incomplete gegevens kennen we 2 winnaars die als primus kleine hoofden werden onderscheiden. In 1805 werd Jan Dezer beloond voor zijn tekening in die categorie. Van deze Jan is verder niets te vinden. Over Frederik Hendrik Coulon de primus kleine hoofden in 1808 is wel wat bekend. Het levenslicht zag hij op 27 juni 1791 in het gezin van Hendrik Coulon (ca. 1765-1815) en Pieternella Vinke (ca. 1769-1809). Hendrik Coulon was notaris en kort na de omwenteling van 1795 ook actief in de plaatselijke politiek. In juli 1809 vocht hij in de Middelburgsche Courant een geschil met zijn confrater Joannes de Vries uit. De laatste lijkt bakzeil te halen om fijntjes af te sluiten met de hoop dat ‘denzelven Coulon in ’t vervolg voorzigter en wijzer zal worden, en men van hem niet zal moeten zeggen, hoe dommer iemand is, hoe onbeschaamder hij is’. In de koffiehuizen zal om de notarissen flink gegniffeld zijn.

De schilder Frederik Hendrik huwde op de eerste april 1813 met de dienstbode Catrina Janse Tappers (1791-1854). Van hun 10 kinderen bereikten 4 kinderen de volwassen leeftijd. De geboorten afgaande woonde het gezin in eerste jaren in de Korte Noordstraat (L 106); tussen 1816 en zeker 1820 was er een woning in het Kerspel, waarna we Coulon vanaf 1822 aantreffen in de Beddewijkstraat (K 134). Van hieruit opereerde hij als zelfstandig schilder, volgens een advertentie uit 1825. Gezien een gezamenlijke advertentie waarin 2 à 3 schildersknechten worden gevraagd (05-07-1827) werkte hij samen met Jan de Wolff (ca. 1801-1873) op de Vlasmarkt. Toen de laatste in 1829 failliet ging, verhuisde Coulon naar de Vlasmarkt. 

Zoals wel vaker bij schilders het geval maakte ook Catrina Janse Tappers in de overlijdensadvertentie van F.H. Coulon op 14 juli 1846 gewag van ‘een langdurig lijden’. Het werken met de grondstoffen van verf en dus de verf zelf was verre van onschuldig. Ze sloot af met een nota bene waarin ze mededeelde dat de schilderszaak ‘voor de Weduwe door haren oudsten Zoon’ zal worden voortgezet. Dit betrof Johannes Coulon (1816-1885) die mogelijk ook de Teeken Akademie bezocht. Bewijs is er niet voor. Een tweede zoon Pieter Jacobus (1819-1905) was kleermaker van beroep. Een vak dat elders geleerd werd. 

Arnold Wiggers

Korte Noordstraat 15 met links van de fiets de ingang van nummer 13 (Wijk L nr. 106), mogelijk een achterwoning of een bovenwoning, woning van het jonge gezin van F.H. Coulon rond 1815 – Foto: Arnold Wiggers 17-12-2025
Beddewijkstraat K 134 (=17). Tussen 1822 en 1829 woonhuis en bedrijfspand van de schilder F.H. Coulon. Tussen 1893 en 1980 een café onder de naam ’t Zinken Toogje (in diverse spellingen). Foto: Tina Kannegieter ca. 1964 – Beeldbank Zeeland recordnr. 85418