Orgelmaker Hooghuys

Orgel in de St. Bavo te Aardenburg voor 1944 – Foto uit Archief 1976. Maker onbekend.

Voor een Zeeuwse rijksdaalder kon van de eerste maandag in november tot de laatste vrijdag in maart vijfmaal in de week van half zes tot acht uur lessen gevolgd worden aan de Teeken Akademie. Een uitzondering werd gemaakt voor een aantal jongens van de Weesschool die gratis onderwijs ontvingen. Minimumleeftijd was 12 jaar. Plaats van handelen was de bovenverdieping van de Waag op de Balans. Zo stond het in het reglement dat eind 1778 aan alle intekenaars ter hand werd gesteld. Dat waren de honoraire leden, intekenaars die een zoon hadden aangemeld voor het onderwijs en ‘kunstoeffenaars, die voor zig zelven hebben ingeteekend’.

Onder die laatste groep komen nogal wat jonge ambachtslieden voor. Tekenen was een bezigheid die aanzien had en ongetwijfeld een mooie tijdsbesteding vormde. Wat is leuker om dat in gezelschap te doen en onderwijl contacten en kennis op te doen? 

Orgelmaker Gerrit Simonse Hooghuys (1753-1813) was een van hen. De genealogisch gegevens zijn nogal fragmentarisch. Katholiek gedoopt op de eerste dag van het nieuwe jaar 1754 in Wormer, moet hij op enig moment voor eind 1778 in Middelburg beland zijn. Daar tekende hij in voor de eerste cursus van de Teeken Akademie die liep van maandag 2 november 1778 tot vrijdag 26 maart 1779. Tot primus heeft hij het nooit gebracht.

Uit zijn huwelijk met Anna Theresia Heijlandt werd in Middelburg in februari 1780 een zoon geboren die Simon Gerard (1780-1853) werd genoemd. Zij zal niet lang daarna overleden zijn, want in april 1787 huwde hij de weduwe Anna Maria van Dongen (ca. 1749-1812). Zij bracht het pand De Roode Sage in de Langeviele in, waar de zaak werd gevestigd. Huis- en draaiorgels zullen de gewoonlijke handel hebben uitgemaakt, maar kerkorgels ging hij niet uit de weg.

In 1806 vertrok hij naar Brugge waar hij zich aanbood als orgelmaker, zowel voor nieuwe als te repareren instrumenten. Als reden wordt in de literatuur gewezen op het vertrek van een andere orgelbouwer daar. Hij bleef naar het noorden kijken, waarbij RK of NH niet zoveel lijkt uit te maken. Blijkbaar had hij weet dat de hervormde gemeente in Aardenburg een orgel wilde installeren, waarop hij in december 1808 een brief schreef dat te Brugge zowel een goed binnenwerk (uit 1764) als een fraaie orgelkas uit de Augustijnenkerk te koop waren. In Aardenburg had men hier wel oren naar en daarop werd met Hooghuijs een contract gesloten. In juni 1809 was het werk klaar en de St. Bavo van een goed klinkend orgel voorzien.  

Eind november 1810 vestigde hij zich opnieuw in het familiepand Langeviele (nu 47), waar zijn zoon -ook orgelmaker- zijn zaak zal hebben voortgezet. Hier stierf hij op 24 januari 1813 als weduwnaar en ‘facteur’ (= instrumentenmaker). Hij was de grondlegger van een dynastie Belgische orgelbouwers. Zoon Simon Gerard verkocht in 1813 het pand en vertrok definitief naar Brugge.

De kas van het orgel in de St. Bavo werd in 1852 nog gemoderniseerd in neo-gotische stijl door de Middelburgse stadsarchitect H.H. Grauss. Bij de bevrijding kwam het orgel redelijk ongeschonden door de strijd, in elk geval werd door de Klokken- en Orgelraad de aanbeveling gedaan het te restaureren. Vanuit de orgelcommissie van de Hervormde kerk kwam een ander geluid en kwam het tot sloop.

Arnold Wiggers
Zie: J.H. Kluiver, Historische orgels in Zeeland. Archief 1974 en 1976