
Voor een Zeeuwse rijksdaalder jaarlijks kon vanaf 2 november 1778 iedereen of één van zijn kinderen als leerling deelnemen aan de lessen op het Teeken Collegie. Dat ‘iedereen’ en ‘kinderen’ bleef beperkt tot de manlijke kunne voor zover het onderwijsdeelname betrof. Vrouwen (in de praktijk alleen weduwen) waren welkom om tegen de gevraagde rijksdaalder hun zonen aan te melden; zelf op de lessen verschijnen was onvoorstelbaar. In het reglement is de enige leeftijdsgrens 12 jaar, de ondergrens voor toelating. Het lijkt erop dat het leeftijdsverschil tussen leerlingen en kunstoefenaars niet altijd groot was. Of anders gezegd: ook formeel niet volwassenen (destijds 25 jaar) konden zich in 1778 tegen betaling van het cursusgeld inschrijven als kunstoefenaar. Hoe moeten we anders de inschrijving van Willem van Heulen A[brahams] Z[oon] verklaren? Hij werd geboren op 2 mei 1761 en was dus 17 jaar oud bij de start van de instelling. Getalenteerd was hij ook: in 1781 werd hij tot primus in de 3e klas tekenen naar prent benoemd. Vermoedelijk was hij toen al jaren bij een meester timmerman in de leer.
Hoewel de naam Van Heulen veelvuldig in Zeeland voorkwam in de 18e eeuw, was Haarlem Willems geboortestad. Zijn vader Abraham Jansz van Heulen (1729-1794) en moeder Cornelia Vaans (1736-1795) moeten met hun zonen na 1761 naar Middelburg getrokken zijn. Willem huwde -volgens een genealogische site in 1788 – Tannetje Kuiper (ca. 1760-1807). Bij de volkstelling van 1797 is hij timmerman en woonachtig in de Seisstraat. Blijkbaar was Willem behoorlijk wiskundig onderlegd waardoor hij in 1798 van stadswege tot landmeter kon worden benoemd en in 1814 tot wijnroeier (functionaris om de te betalen accijnzen op verbruikte wijn te bepalen), twee overheidsfuncties die vaak samengingen. Daarbij was hij volgens de advertentie die bij zijn overlijden in de Middelburgsche Courant van 6 februari 1821 verscheen ook nog stedelijk ‘proever … van dranken’ en niet te vergeten brandspuitmeester.
In 1799 is ‘onze’ Willem van Heulen timmerman in de Langeviele. In de Middelburgsche Courant liet hij op 16 maart 2 advertenties opnemen waarin hij zich opwierp als boedelbeheerder. Ten eerste voor Pieter Mispelblom (ca. 1741-1799), vleeshouwer in de Lange Geere, en zijn vrouw Agnieta Kuyper (ca. 1736-1799) die respectievelijk 13 en 10 februari 1799 kwamen te overlijden. Dit zou familie van Willems vrouw Tannetje kunnen zijn. De tweede boedel was van de op 22 februari 1799 in het Oude Manhuis op 72-jarige leeftijd overleden naamgenoot Willem van Heulen, weduwnaar van Anna Elizabeth van Fernij (1724-1786). Voordien had deze in de Langeviele gewoond. Gegeven dat ook deze Willem in Haarlem gedoopt was, ligt een familierelatie voor de hand. Van nageslacht van Willem en Anna Elizabeth is geen sprake, dus mogelijk was het pand in de Langeviele voordelig op ‘onze’ Willem overgegaan.
In dat pand begon Willem van Heulen in juli 1800 een ‘molenaars-affaire’. Bekwame molenaarsknechten waren aanwezig voor het maken en repareren van molens. Behalve in het timmerhout en de molenmakerij zat hij ook in het plant en pootgoed. Of dat wat te veel was? In 1810 sprak hij in de krant krachtig de geruchten tegen dat hij zich wilde ontdoen van de molenmakersactiviteiten. Bij het opmaken van zijn nalatenschap in 1821 hadden de 4 kinderen weinig te klagen. In zijn boedel bevonden zich 5 onroerende goederen, waaronder het woonhuis De Meerkat in de Langeviele en een speelhof in de Jodengang.
Arnold Wiggers


