Wagenmakers bij de (verdwenen) Vlissingse Poort

Straatzijde van het Vlissings Wagenplein met Logement ’t Hoekje op de hoek met de Winterstraat (rechts, richting Vlissingen). Foto W.D. de Bruijne, 14-08-1959 – Beeldbank Zeeland, recordnr. 2409

Winterstraat, Vlissings Wagenplein en Achtersingel, Middelburgse straatnamen die in de jaren ’60-‘70 van de vorige eeuw verdwenen zijn door de aanleg van de Schroebrug en de tangent. De gesloopte bebouwing stond niet hoog aangeschreven en de doorstroming van het verkeer was er mee gediend. Gesloopt was er in die buurt honderd jaar eerder ook al voor de aanleg van het Kanaal door Walcheren. Zonder tegengas ging de fraaie Vlissingse poort en een reeks huizen, werkplaatsen, schuurtjes voor de vlakte. 

Tot de onteigenden in 1866 behoorde Mattheus Hollebrandse (1817-?), stalhouder en wagenmaker woonachtig op de Achtersingel wijk Q nummer 135. De twee panden waar hij zijn bedrijf uitoefende moesten plaatsmaken voor het kanaaltracé. Hij vroeg behalve om de waarde van de panden ook een tegemoetkoming in het verlies van klandizie. Immers, hij moest uitzien naar een andere lokaliteit en zouden zijn klanten hem daar weten te vinden? Met de panden Q 119 en 120 op het Vlissings Wagenplein waar hij later zat, dus om de hoek, zal dat laatste meegevallen zijn.

De meest actieve wagenmaker in de buurt (Vlissingsestraat) was Elias Hollebrandse (1819-1888), de jongere broer van Mattheus. Hun vader Jacobus en ook grootvader Elias waren wagenmakers die vooral in Zeeuws-Vlaanderen actief waren. Van Mattheus of Elias is niet bekend of ze lessen op de Teeken Akademie gevolgd hebben. Van de vier oudste zonen van Mattheus is dat wel bekend, omdat ze alle vier onderscheiden zijn. 

Mattheus huwde in 1840 met Neeltje van Dale (1816-1856) met wie hij 9 kinderen kreeg, waaronder in 1855 een tweeling. Maria Jacoba Dekker (1825-1865) met wie hij een half jaar na het overlijden van zijn eerste vrouw huwde, schonk hem nog 5 kinderen. De oudste zoon uit het eerste huwelijk was Jacobus Joannes (1840-1864). Gelauwerd in 1859, 1861 en 1862 zou deze timmerman helaas jong overlijden. De tweede zoon Johan Izak (1842-1928) was een jaar naar zijn oudere broer primus naar ornament en ontving in 1861 een getuigschrift. Hij huwde in 1866 Maria Clasina Canbier (Cambier) (1842-1911). Zijn werkzame leven bracht hij door in Ritthem. Enigszins raadselachtig is de veiling van de wagenmakerij met huis te Ritthem èn de Middelburgse wagenmakerij en stalhouderij in maart 1873, blijkbaar alles in bezit van Mattheus. Dreigde een faillissement? Hoe dan ook, zowel vader als zoon bleven te boek staan als wagenmaker.

Zoon nummer drie, Elias (1844-?) ontving in 1864 een getuigschrift, in 1865 was hij primus naar ornament en in 1867 kreeg hij nogmaals een getuigschrift. Hij huwde in 1872 Lourina Louisa van Geelkerken (1849-?) waarbij hij wagenmaker als beroep opgaf. Zij kregen in Middelburg een dochtertje, waarna ze uit de bevolkingsadministratie verdwijnen. Abraham (1845-?) tenslotte was in 1863 primus naar ornament en in 1865 primus in de 2e klas naar prent. Hij vertrok als wagenmakersknecht naar Haarlemmermeer, waar hij in 1870 huwde met Maria Schreuder (1836-?) uit Nieuwveen. Zij was toen al tweemaal weduwe en had een aantal kinderen. In 1871 scheepten zij zich in voor de reis naar de Verenigde Staten.  

Abraham en mogelijk Elias zijn met hun gezin de oceaan overgestoken en zullen zich gesetteld hebben. Immers, in 1880 besloot vader Mattheus naar Amerika af te reizen, omdat hij daar verwanten had. Daarmee zal hij zijn zoon (of zonen) bedoeld hebben. 

Arnold Wiggers