
In hetzelfde jaar 1825 waarin zijn grootvader Teunis en zijn oom Anthony het leven lieten, zag Johan Engelbert van Andel het levenslicht. Op 9 augustus in dat jaar werd hij geboren als tweede zoon van David van Andel (1790-1837) (de oudere broer van Anthony) en Johanna Catharina Schmidt (1796-1828). Dat was al zijn derde echtgenote. In 1813 had hij Johanna Jacoba van der Sluis (1793-1819) gehuwd met wie hij 2 dochters kreeg. Zijn tweede echtgenote Maria Elisabeth Schmidt (1792-1821) overleed na een huwelijk van ruim een half jaar, waarna hij haar zuster Johanna Catharina huwde. Met haar kreeg hij 3 zonen, die hun moeder niet of nauwelijks gekend zullen hebben. In 1830 volgde het vierde huwelijk met Francina Cornelia van Oest (ca. 1788-1837) die timmerman en aannemer Daniel van Andel ook naar haar graf moest brengen. Zelf maakte hij die gang vier maanden later in augustus 1837, 47 jaar oud. Zijn zoontjes waren toen tussen de 10 en 13 jaar oud.
De jongens werden door het Hervormde Armbestuur vanaf 5 oktober 1837 in het Burgerweeshuis op het Molenwater geplaatst, waar ze tot hun meerderjarigheid (25 jaar) zouden blijven. Formeel dan, want de oudste (Teunis) stierf als soldaat in Rotterdam, 24 jaar, 11 maanden en 15 dagen oud. Hun halfzusjes uit 1814 en 1817 waren blijkbaar oud genoeg om het zelfstandig te rooien.
Johan Engelbert was genoemd naar zijn grootvader van moederszijde. In het register van wezen staat aangetekend dat hij als schrijver op het kantoor van procureur (jurist) Pieter Rekker werd geplaatst met ƒ 1 per week als loon. In 1846 volgde een aanstelling als opzichter waarmee het Burgerweeshuis bedoeld zal zijn. In datzelfde jaar maakte hij er tekeningen van: de straatwand, de achterzijde van het complex en het binnenplein in beide richtingen. Het hek dat de jongens van de meisjes moest scheiden, is prominent aanwezig, alsmede de strak gesnoeide bomen die kortgeleden weer erg in de mode waren.
Vermoedelijk volgde hij ook lessen op de Teeken Akademie. In het seizoen 1847-1848 zeker, want aan het eind ervan werd hij primus in de 3e klas naar prent. In zowel 1851 als 1852 was er voor hem lof in de 1e klas naar pleister. Toen hij in 1854 met Maria (Frederika) Pieternella Vroone (1827-1917) huwde, stond hij te boek als bode bij de Godshuizen. In deze sfeer lag ook zijn volgende werkkring bij de Polder Walcheren, waar hij in 1872 werd benoemd als bode en kamerbewaarder (conciërge) op een jaarwedde van ƒ 500. Dat bleek in de praktijk een tegenvaller. In 1873 beklaagde hij zich dat hij van zijn traktement ƒ 100 kwijt was aan het schoonhouden van de burelen. Gezien de kosten van de scholing van zijn 7 kinderen, was dat niet te doen, vond hij. Het polderbestuur kwam hem met een extra ƒ 100 tegemoet.
Johan Engelbert overleed in 1890. Zijn weduwe trok met de minderjarige jongste kinderen naar Den Haag, waar een dochter woonde. Ook de andere volwassen kinderen hadden Middelburg inmiddels verlaten. De tekeningen werden in 1912 door mej. M.C. Berdenis van Berlekom (1860-1922) aan het Zeeuws Genootschap geschonken.
Arnold Wiggers



