Paardekrachten aan de Noordpoort

Affiche van de verkoping van ‘Een Huis en Erve, met annexe Hoef- en Slotenmakers-Smederij en Pakhuis’, wijk M nr. 125 bij de Noordpoort (Noordpoortplein), 1840 (Detail) – ZB Bibliotheek van Zeeland. Afbeelding in: Beeldbank Zeeland record. Nr. 8591.

‘Die genegen mogt wezen, om een Paarde-Smitse, zynde teffens een Slootmakers-Winkel en een stal dat 7 Koppel Paarden op kunnen en Hof en Erve, waarin die Affaires veele Jaaren met succes is gefrequenteerd, van stonden aan te Koopen, addresseere zich by Maria Catharina Brunel, Weduwe Leendert Johannisse, woonende in dezelve Smitse aan de Noordpoort binnen deze stad’. Wie op deze advertentie in de Middelburgsche Courant van 23 maart 1799 gereageerd heeft, is onbekend. Het zou goed smid Gerrit Johannissen geweest kunnen zijn die in 1818 een knecht vraagt. Waarschijnlijk familie, maar geen broer van de jonggestorven Leendert, wel leeftijdsgenoot: Leendert werd in 1763 in Colijnsplaat geboren en Gerrit zag het levenslicht in ca. 1766 in Vlissingen. Twee zonen van Gerrit hebben aan het Noordpoortplein als smid gewerkt, doch stierven respectievelijk in 1831 en 1840 nog voor hun vader die in februari 1840 begraven werd. 

De volgende smid in het pand M 125 bij de Noordpoort of aan het Noordplein zoals het Noordpoortplein destijds genoemd werd, was Leonardus de Keijzer (ca. 1808-1857). Geboren in Kortgene huwde hij (Cea) Sia Cornelia Zwigtman (ca. 1809-1850), de in Wissenkerke geboren dochter van Cornelis Zwigtman (1782-1866), oud-Teeken Akademie leerling, schilder, dichter en wagenmaker. Werden de eerste kinderen De Keijzer nog in Kortgene geboren, in 1842 werd het zesde kind aangegeven in Middelburg. De oudste zoon Cornelis, de tweede in de rij, werd op 27 juli 1834 geboren. Hij volgde net als zijn grootvader Zwigtman lessen aan de Teeken Akademie. In 1850 werd hij primus in de 1e klas tekenen naar prent. Vervolgens trad hij in de voetsporen van zijn vader net als zijn jongere broer Pieter die smid in Kortgene werd. Cornelis huwde Johanna de Groot (1839-1884) in juni 1859. In november volgde hun eerste kind, Leonardus geheten, dat ook hun enig kind zou blijven. Het huwelijk liep in 1878 uit op een scheiding. Cornelis overleed in 1883. Zoon Leonardus, ook smid, ging 26 jaar oud failliet, verloor datzelfde jaar zijn 22-jarige vrouw en in de zomer daarop zijn enig kind. Hij tekende voor het KNIL, kwam terug en overleed als gepensioneerd sergeant en magazijnmeester in 1920 in Souburg.

Terug naar de smidse aan de Noordpoort. Leonardus de Keijzer sr. was in november 1851 in Kortgene een tweede huwelijk aangegaan met de Middelburgse Sara Jacoba Vermeulen (ca. 1810-1888). In de Memorie van Successie van Leonardus uit 1857 geeft zij te kennen de zaak aan het Noordplein te willen voortzetten. Het lijkt erop dat zij, mogelijk met Cornelis als meestersmid, de zaak bleef bestieren. 

De ‘Grof- en hoefsmederij annex Pakhuis, Woonhuis en Tuin’ aan de Noordpoort werden in maart 1875 geveild. De nieuwe eigenaar Hugo Bliek (1850-1930) adverteerde regelmatig met oude en nieuwe rijtuigen en vanaf de eeuwwende kwamen er ook rijwielen en later ook auto’s in de verkoop en reparatie. Daarvoor zal zoon Cornelis Janis (1883-1952) verantwoordelijk geweest zijn, die de zaak in 1920 overnam. 

In 1950 adverteerde garage A.J. Dijkwel voor het eerst in zowel de Provinciale Zeeuwsche Courant als het Zeeuwsch Dagblad, nog met achter de naam ‘v.h. Bliek’. De ontwikkelingen rond het Noordpoortplein hebben er voor gezorgd dat het rijtje woningen en bedrijven aan die kant van het plein afgebroken is. Dijkwel sloeg zijn vleugels uit in Middelburg en Vlissingen. Toch leuk dat Alexander Johans nazaten Richard Dijkwel en zijn dochter Luna in 2023 de Stadstekenaars in de categorie Liefhebbers waren en zo de Teeken Akademie weer met die plek aan het Noordpoortplein verbonden. 

Arnold Wiggers

Hoefsmedenexamen bij de smederij van Hugo Bliek op het Noord(poort)plein, ca. 1905 – Fotograaf onbekend
Citroën-garage Dijkwel aan het Noordpoortplein, ca. 1970. In november 1972 verdween het hele complex – Foto: D.P. Cornelisse, Beeldbank Zeeland Record nr. 14905

Bode Van Andel

J.E. van Andel, Voorzijde van het Burgerweeshuis te Middelburg van ’t Molenwater te zien, 1846. Gewassen tekening in o.i. inkt, 32 x 52 cm – Zeeuws Archief, Collectie KZGW ZI-II-0675a

In hetzelfde jaar 1825 waarin zijn grootvader Teunis en zijn oom Anthony het leven lieten, zag Johan Engelbert van Andel het levenslicht. Op 9 augustus in dat jaar werd hij geboren als tweede zoon van David van Andel (1790-1837) (de oudere broer van Anthony) en Johanna Catharina Schmidt (1796-1828). Dat was al zijn derde echtgenote. In 1813 had hij Johanna Jacoba van der Sluis (1793-1819) gehuwd met wie hij 2 dochters kreeg. Zijn tweede echtgenote Maria Elisabeth Schmidt (1792-1821) overleed na een huwelijk van ruim een half jaar, waarna hij haar zuster Johanna Catharina huwde. Met haar kreeg hij 3 zonen, die hun moeder niet of nauwelijks gekend zullen hebben. In 1830 volgde het vierde huwelijk met Francina Cornelia van Oest (ca. 1788-1837) die timmerman en aannemer Daniel van Andel ook naar haar graf moest brengen. Zelf maakte hij die gang vier maanden later in augustus 1837, 47 jaar oud. Zijn zoontjes waren toen tussen de 10 en 13 jaar oud. 

De jongens werden door het Hervormde Armbestuur vanaf 5 oktober 1837 in het Burgerweeshuis op het Molenwater geplaatst, waar ze tot hun meerderjarigheid (25 jaar) zouden blijven. Formeel dan, want de oudste (Teunis) stierf als soldaat in Rotterdam, 24 jaar, 11 maanden en 15 dagen oud. Hun halfzusjes uit 1814 en 1817 waren blijkbaar oud genoeg om het zelfstandig te rooien. 

Johan Engelbert was genoemd naar zijn grootvader van moederszijde. In het register van wezen staat aangetekend dat hij als schrijver op het kantoor van procureur (jurist) Pieter Rekker werd geplaatst met ƒ 1 per week als loon. In 1846 volgde een aanstelling als opzichter waarmee het Burgerweeshuis bedoeld zal zijn. In datzelfde jaar maakte hij er tekeningen van: de straatwand, de achterzijde van het complex en het binnenplein in beide richtingen. Het hek dat de jongens van de meisjes moest scheiden, is prominent aanwezig, alsmede de strak gesnoeide bomen die kortgeleden weer erg in de mode waren.

Vermoedelijk volgde hij ook lessen op de Teeken Akademie. In het seizoen 1847-1848 zeker, want aan het eind ervan werd hij primus in de 3e klas naar prent. In zowel 1851 als 1852 was er voor hem lof in de 1e klas naar pleister. Toen hij in 1854 met Maria (Frederika) Pieternella Vroone (1827-1917) huwde, stond hij te boek als bode bij de Godshuizen. In deze sfeer lag ook zijn volgende werkkring bij de Polder Walcheren, waar hij in 1872 werd benoemd als bode en kamerbewaarder (conciërge) op een jaarwedde van ƒ 500. Dat bleek in de praktijk een tegenvaller. In 1873 beklaagde hij zich dat hij van zijn traktement ƒ 100 kwijt was aan het schoonhouden van de burelen. Gezien de kosten van de scholing van zijn 7 kinderen, was dat niet te doen, vond hij. Het polderbestuur kwam hem met een extra ƒ 100 tegemoet. 

Johan Engelbert overleed in 1890. Zijn weduwe trok met de minderjarige jongste kinderen naar Den Haag, waar een dochter woonde. Ook de andere volwassen kinderen hadden Middelburg inmiddels verlaten. De tekeningen werden in 1912 door mej. M.C. Berdenis van Berlekom (1860-1922) aan het Zeeuws Genootschap geschonken.

Arnold Wiggers

J.E. van Andel, Middenplaats van het Burgerweeshuis te Middelb[urg]: naar de voorzijde te zien, 1846. Gewassen tekening in o.i. inkt, 32 x 52 cm – Zeeuws Archief, Collectie KZGW ZI-II-0675c
J.E. van Andel, Middenplaats van het Burgerweeshuis te Middelb[urg]: naar achterzijde te zien, 1846. Gewassen tekening in o.i. inkt, 32 x 52 cm – Zeeuws Archief, Collectie KZGW ZI-II-0675d

Verwarrende portrettengalerij

Om de haverklap verschijnen er gedrukt of digitaal oproepen met verzoeken over informatie over afgebeelde personen. Een schoolfoto, familiefeest, collega’s of een onduidelijk gezelschap. Wie heeft ze zelf niet, die foto’s met misschien wel een familielid, van wie je geen idee hebt wie dat dan wel moet zijn? Soms schreef iemand op de achterkant van een afdruk de namen van de geportretteerde personen, vaker niet. En hoe gaat dat met digitale opnamen? Met geschilderde of getekende portretten is dat niet anders en wat dacht u van die zwarte silhouetten? 

Dit allemaal omdat ik op Anthony van Andel stuitte. Hij werd in 1810 door de Teeken Akademie onderscheiden als primus in de 2e klas naar pleister. Mogelijk heeft hij daarna ook prijzen gewonnen of onderwijs op de academie gehad, wat door hiaten in de archieven ongewis blijft. Omdat hij bij zijn huwelijk in 1821 fijnschilder werd genoemd, kan hij goed (tevens) bij een behangselschilder zijn opleiding gehad hebben en mogelijk had hij daar ook zijn werkkring. Bij zijn overlijden werd hij portretschilder genoemd, wat benadrukt wordt door het nagelaten werk.

De op Artindex gevonden doopdatum 7 september 1792 van Anthony, kan kloppen, gezien de 29 jaren die hij telde bij zijn huwelijk in 1821. Hij trouwde toen de Vlissingse Maria Cornelia Brieve (1787-1872) met wie hij een zoon zou hebben, Teunis Martinus van Andel (1822-1911). Zijn ouders waren sluiswachter Teunis van Andel (ca. 1762-1825) en Maria Roose (ca. 1758-1827). Vader Teunis stierf in januari en zoon Anthony in maart 1825. Een klein familiedrama, waar er in de familie meer van waren. Daarover later.

Op 31 augustus 1820 adverteerde A. van Andel in de Vlissingsestraat I nr 162 (later 35) dat bij hem een ‘welgelijkend, naar het leven getekend’ portret van ds. D.M. Kaakebeen te ‘bekomen’ was. Daniel Matthijs Kaakebeen (1788-1835) stond kort (bijna 2,5 jaar) op de Middelburgse kansel, toen hij op 27 augustus 1820 zijn afscheidspreek hield. Hij had een beroep op Amsterdam aangenomen, wat als bekroning van het ambt gold. Het Zeeuws Genootschap heeft een dergelijk portret, wat in ‘Om prijs en plaats’ op p. 171 afgebeeld is als portret van Daniel van Kakebeeke (en zo komen misverstanden in de wereld). Het is een tekening in kleur, gesigneerd en gedateerd. Op de site van het RKD is een zwart-witfoto te vinden van een ovalen geschilderd portret vrijwel identiek aan die tekening van Kaakebeen. Hier wordt de afgebeelde echter Gijsbert Waller (1787-1850) genoemd, die in 1830 naar Middelburg kwam. Andere afbeeldingen tonen beslist een ander gezicht, dus hier is (ook) iets fout gegaan.

Verder zijn er nog portretten van ds. Petrus van Raden (1817), 2 verschillende van zowel ds. Adriaan Isaac Snouck Hurgronje (1818) en ds. Bartout van der Feen (1821). Diens echtgenote Christina Sebastiaan Emants is ook geportretteerd. De heren waren allen predikant te Middelburg en tijdgenoten van Anthony van Andel. De portretten van Van Raden en Van der Feen zijn door een andere Teeken Akademie-leerling Johannes Jacobus Lievense (1810-1895) nog eens nagetekend. Vreemd genoeg zou volgens de moderne beschrijving het portret van Van Raden ineens Aegidius Gillissen (1712-1800) verbeelden. 

Kortom: wil je je naam bij het juiste portret? Noteer dan je naam erop!

Arnold Wiggers 

De grote bedijker I.L. van Wuijckhuise

Engelbertstraat, Hertogin Hedwigepolder. Foto: Wim Helm, 28 augustus 1975 Een van de polders, bedijkt door I.L. van Wuijckhuise – Beeldbank Zeeland, Recordnr. 61638

Hoeveel leerlingen van de Teeken Akademie zouden een polder naar zich vernoemd gekregen hebben? En dat ook nog bij leven! Izaak Levinus van Wuijckhuise overkwam het. Geboren in Aardenburg op 25 oktober 1844 uit het tweede huwelijk van hoefsmid Johannes Jacobus van Wuijckhuise (1811-1851) met Francina Versprille (1815-1853) werd hij vroeg wees. Op 16-jarige leeftijd vertrok hij naar Middelburg, waar hij onder de hoede van de gemeentearchitect Cornelis Krijger (1830-1876) kwam. Naast het onderricht dat hij van Krijger kreeg, volgde hij ook lessen aan andere opleidingen. Vanaf het seizoen 1861-1862 tot en met 1864-1865 heeft hij met succes aan de Teeken Akademie en de inwonende Industrieschool lessen bijgewoond. In 1862 kreeg hij een getuigschrift en in 1863 een medaille als primus in de 1e klas bouwkunde én een prijs op de Industrieschool. In 1864 kreeg hij alleen van de Industrieschool een prijs. Mogelijk liet hij dat jaar de Teeken Akademie schieten en concentreerde hij zich op het diploma gezworen landmeter. In 1865 ontving hij zowel de grote zilveren medaille van de koning als primus in de bouwkunde als opnieuw een prijs van de Industrieschool. Het zou hem ook in de rest van zijn leven niet aan erkenning ontbreken 

Zijn eerste ervaringen met bedijkingen deed hij op als opzichter bij de bedijking van de Elisabethpolder bij Biervliet. Na zijn huwelijk in 1867 met Maatje Dingemanse (1845-1923) zal hij in de avonduren gewerkt hebben voor de middelbare acte rechtlijnig tekenen en perspectief. Na het behalen van dat diploma werd hij aangenomen op de Burgeravondschool, de opvolger van de Teeken Akademie. Hij bleef tot 1903 ‘met veel liefde’ lesgeven, heet het in zijn necrologie. Tussen 1870-1874 was hij opnieuw in dienst van de Middelburgse gemeentewerken waar hij onder meer verantwoordelijk was voor ontwerp en bouw van de (toenmalige) Koningsbrug. Vanaf 1 januari 1874 trad hij in dienst van ’s Lands Domeinen in Zeeland waar hij het tot hoofdopziener zou brengen. 

In de beginjaren kreeg hij als opzichter bij de Domeinen de opdracht de oesterpercelen in de Oosterschelde in kaart te brengen. De nauwkeurigheid ervan bracht hem soortgelijk werk in de Zuiderzee bij Wieringen. De verschillende bedijkingsprojecten van schorren (buitendijks dus Rijkseigendom) die hij als opzichter begeleide, brachten hem zoveel kennis en ervaring dat hij vanaf 1896 de plannen maakte voor de vele bedijkingen in vooral Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Beveland. Onder zijn leiding werden de Koninginnepolder (1893), Anna Mariapolder (1896), Koningin Emmapolder (1897), Mosselpolder (1899), Kanaalpolder (1900), Völckerpolder (1903), Hedwigepolder (1904), herdijking van de Bathpolder (1906), Van Dunnépolder (1907), Prins Hendrikpolder (1907) en Hogerwaardpolder (1912) gerealiseerd. Voor de polder die in 1911 gereedkwam werd door de eigenaren de naam Van Wuijckhuisepolder voorgedragen, wat door de provincie werd overgenomen. Als kers op de taart werd hij in 1912 benoemd tot ridder in de orde van Oranje-Nassau. In 1915 ging hij met pensioen.

De laatste jaren van hun leven woonde het echtpaar Van Wuijckhuise op de Herengracht 118. Van hun 6 kinderen werden er 5 (eentje net) volwassen. Maatje stierf 8 juni 1923 en Izaak Levinus op 30 november 1928. De Middelburgsche Courant wijdde 5 december een necrologie aan hem. 

Arnold Wiggers

Middelburg. Houtkaai met Koningsbrug. Prentbriefkaart ca. 1900. Ontworpen door I.L. van Wuijckhuise en onder zijn toezicht gebouwd – Beeldbank Zeeland, Recordnr. 13017

Jos Croïn, een Zeeuws schilder in Parijs

Jos Croin terwijl hij aan een portret werkt van Wilhelmina Theodora (Puck) Goekoop-Santhagens – Foto: Adriaan Goekoop jr. Collectie Haags Gemeentemuseum

De in 1894 geboren Middelburger Jos Croin zou volgens sommige bronnen in 1912 naar de Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag zijn vertrokken om het diploma tekenleraar te halen. Het ontbreken van enige aanleg voor wiskunde maakte dat tot een onmogelijke opgave. Vervolgens kwam de Teeken Akademie in beeld, dat wil zeggen als subsidieverstrekker. Onduidelijk is wanneer precies en waar hij ging studeren met die financiële ondersteuning. Daar moeten de nu nog onvindbare bronnen opheldering verschaffen. Volgens Don en Schnitger ging hij van 1915 tot 1919 naar de academie in Den Haag en daarna naar Amsterdam. Andere informatie spreekt van een tweejarige studie aan de Academie voor Beeldende Kunst in Amsterdam, die in 1916 begon. Na het afscheid van de academie verbleef hij enige tijd in Laren en Den Haag, waarna hij in 1920 van de dirigerende leden van de Middelburgse Teeken Akademie een beurs voor een reis naar Rome en Parijs kreeg. Parijs zou de stad zijn waar hij nadien voornamelijk zou wonen en werken, alhoewel over jaartallen daar ook weer onduidelijkheid bestaat. 

Regelmatig was hij in Nederland om er te schilderen en te exposeren. Ook zijn familieleven speelde zich vooral in Nederland af. In 1921 huwde hij in Bemmel Anna Bernardina Homan van der Heide (1899-?) met wie hij een zoon kreeg, de in 1922 in Oisterwijk geboren August Hijacinth, genoemd naar zijn grootvader. Het huwelijk liep in 1925 spaak. Een tweede maal huwde hij in Amsterdam in 1935 met de in Den Haag geboren Pauline Charlotte Elise Kölsch (1904-?). Volgens de acte woonde hij ook in de hoofdstad, terwijl in de Middelburgsche Provinciale Zeeuwsche Courant krant van 19 september 1935 stond dat hij zijn woonplaats Middelburg (Heerengracht M. 48, nu 124, het adres van zijn ouders, niet ver van nr. 96 waar de soms verwant schilderende Raymond Kimpe woonde) verruild had voor Parijs. In 1942 strandde ook zijn tweede huwelijk.

In de jaren ‘30 zal hij ook in Veere en Arnemuiden geschilderd hebben, waar hij vooral schepen in een somber kleurenpalet vastlegde. In november 1931 opende boekhandelaar Fey in de Lange Burg enkele panden verder dan zijn winkel een kleine kunstzaal. Uit de Vlissingsche Courant van 28 november wordt duidelijk dat het het huisnummer 106 is en het pand De Balance heet. Tot de eerste exposanten behoorden Jos Croïn, Lucie van Dam van Isselt, een verder niet nader aangeduide Franse schilder Pol (met ‘een merkwaardig doek’) en Raymond Kimpe, vertegenwoordigd met 6 werken. Een van de 2 werken van Croïn daar te zien (en vermoedelijk te koop), was Haven van Veere. Na zijn plotse overlijden schreef een recensent in een necrologie dat Croïn een ‘intuïtief en emotioneel schilder’ was en dat ‘het was alsof lente en zomer voor hem niet bestonden’. Zijn kleurigste schilderijen zijn de portretten, want naast landschapsschilder en graveur was hij een begaafd portrettist. 

Enkele dagen nadat in november 1949 een tentoonstelling van zijn werk bij kunsthandel Huinck & Scherjon aan de Herengracht in Amsterdam geopend was, stierf hij in een Amsterdams ziekenhuis. In de Volkskrant van 24 november 1949 adverteerde Doris Croin, met adres Vijverberg te Wassenaar, dat haar ‘innig geliefde man’ onverwacht was overleden. Doris blijft vooralsnog een onbekende. 

Arnold Wiggers

Jos Croïn, Hoogaars, gesigneerd rechtsonder. Olieverf op doek, 47 x 61 cm.

Jos Croïn, een Middelburgs talent

Jos Croïn, Amsterdam, Prinsengracht. Olieverf op doek, 55 x 65,5 cm – Foto: Kunstmakelaardij Metzemaekers (website)

Wie op Wikipedia naar de Teeken Akademie zoekt, vindt daar een lemma dat vanuit een ver buitenland door Rudolf Buitelaar bijgehouden wordt, waarvoor dank. Zo’n stuk tekst moet aan allerlei eisen voldoen, waardoor voor Wiki schrijven een soort specialisme geworden is. In het lemma wordt Josephus Judocus Zacharias Croin (1894-1949) genoemd als kunststudent die tussen 1915-1919 jaarlijks ƒ 500 kreeg om zich te laten scholen aan de kunstacademies van Den Haag en Amsterdam. Dat verbaasde me. Een in Middelburg geboren en getogen kunstschilder die een beurs heeft gehad en niet voorkomt in ‘Om prijs en plaats’? Waar komt die informatie vandaan? Uit het artikel ‘Vernuft en vlijt’ van Carin Schnitger en Peter Don in Zeeuws Tijdschrift (1986, nr.1). Aan het eind van hun artikel over de Teeken Akademie schrijven ze dat er weliswaar van voor 1940 nauwelijks of geen archief is door de stadsbrand van 1940, doch voor een deel van de financiële administratie vanaf 1889 geldt dat niet. 

Het archief van de Teeken Akademie berustte in 1986 nog bij bestuursleden thuis. Inmiddels is het in het Zeeuws Archief en in bewerking, waardoor stukken niet zonder meer te raadplegen zijn. Bij eerder onderzoek trof ik niets van een financiële administratie van voor 1940 aan, dus ben ik nog eens op zoek gegaan. Helaas, de stukken zijn voorlopig nog niet boven water. 

Wie was Josephus Judocus Zacharias Croin of zoals hij doorgaans heet: Jos Croïn? Geboren werd hij 15 maart 1894 als zoon van Augustinus Hijacinthus Croin (1867-1936), afkomstig uit Hoofdplaat, en Anna Opperman (1865-1934) die in Goes was geboren. Hun huwelijk vond op 7 september 1892 in Middelburg plaats, waar A.H. Croin een meubelmakerij op de Vlasmarkt had. Op 1 december 1896 kwam er een zusje Cornelia Victorine Paulina genaamd, die in 1970 in Oostburg overleed. Een derde kind, een jongetje, kwam op 8 april 1901 levenloos ter wereld. 

Laten we Jos zijn lemma op Wikipedia eens bekijken. Na het bezoeken van een tentoonstelling van werk van Vincent van Gogh zou hij als elfjarige besloten hebben kunstschilder te worden. Volgens de Middelburgsche Courant was er van zondag 25 maart tot zondag 1 april 1906 in de bovenzaal van Sociëteit St. Joris aan de Balans een Van Gogh tentoonstelling te zien, georganiseerd door de vereniging ‘Voor de kunst’. Wellicht was het een uitje voor zijn verjaardag, want hij was toch echt net 12 jaar geworden. Uit de verzameling van mw. J. Cohen Gosschalk-Bonger waren een 50-tal schilderijen en tekeningen bijeengebracht, waaronder topstukken. Niet zo vreemd, want de eigenaresse was Jo Bonger (1862-1925), die nadat ze weduwe van Theo van Gogh (1857-1891), de broer van Vincent (1853-1890), was geworden, een tweede huwelijk met de kunstschilder Johan Cohen Gosschalk (1873-1912) was aangegaan. Vincent was net 16 jaar dood en de waardering was nog lang niet algemeen. Zowel Jo als haar tweede man hebben zich ingespannen om het werk van Van Gogh onder de aandacht te brengen. Op de jonge Croin maakte de rondgang in St. Joris een onuitwisbare indruk. 

Het klopt dat hij in augustus 1910 in Vlissingen een medaille kreeg, maar niet op een tentoonstelling van Zeeuwse schilders. Hij zond tekeningen in voor de Huisvlijttentoonstelling. De onderscheiding was een van de vele te winnen medailles voor allerlei categorieën van door liefhebbers gemaakte kunst(nijverheid). De medaille die Jos Croin in ontvangst mocht nemen was door wethouder Kalbfleisch beschikbaar gesteld. Hoe dan ook, het was wel een opmaat naar een kunstopleiding die door de Teeken Akademie mede mogelijk gemaakt werd.

Arnold Wiggers

Henri Matthieu (Han) Wezelaar (1901-1984), Portretkop van Jos Croïn – Beeldbank Zeeland, Recordnummer 153150

Hoe het de zonen Van Velthoven verging

Lange Noordstraat 56 waar tussen 1842-1845 M.C. van Velthoven-Ridderbos haar winkel in damesartikelen had – Foto: Arnold Wiggers 08-10-2024

Na het bedrijfsfiasco van Jacobus Johannes van Velthoven met zwager Wilhelm Abraham Born werd zoon Jacobus (1818-1875) per januari 1841 opgenomen in de zaak J.J. van Velthoven & Zoon, die hij na het onverwachte overlijden van zijn vader eind dat jaar per 1 januari 1842 ging leiden. In oktober van dat jaar trad hij in het huwelijk met Maria Christina Ridderbos (1812-1851), weduwe Charles Dornickx, een zeeman die in 1841 te Batavia was overleden, van wie zij twee zoontjes had. Maria Christina was winkelierster in Vlissingen en verplaatste haar zaak in damesartikelen en -mode naar de Lange Noordstraat in Middelburg. 

Trok Vlissingen of stootte Middelburg af? In december 1844 berichtte Jacobus in de Middelburgsche Courant dat hij naast een zaak in Vlissingen ook zijn timmerbedrijf in Middelburg op oude voet bleef voortzetten. Per 1 april 1845, zo adverteerde hij in de Vlissingsche Courant, was hij gevestigd aan het Groenewoud, waar M.C. van Velthoven-Ridderbos ook haar damesmodezaak had. Vermoedelijk waren de broers Anthonie (1821-1900) en Philippus van Velthoven (1823-1890) inmiddels ook in het bedrijf aan het Molenwater. Daar wijst een advertentie uit 1849 op waar sprake is van het bedrijf Weduwe J.J. van Velthoven & (meervoud) Zonen. Voor drie timmerende zonen zal te weinig ruimte geweest zijn, zodat Jacobus naar Vlissingen vertrok. 

Met het timmerbedrijf Van Velthoven aan het Molenwater (Zuidsingel) bleef het niet lang goed gaan. Op 5 augustus 1854 stierf de weduwe J.J. van Velthoven, Anna Maria Cornelia Stemme (1793-1854). Haar jongste zoon Philippus kwam op enig moment op het dievenpad en liep in 1855 tegen de lamp. Voor diefstal uit een gesloten kelder door ‘inklimming’ werd hij veroordeeld tot 5 jaar tuchthuis. Die zal hij niet volledig hebben uitgezeten hebben, want in februari 1858 werd hij aangenomen op de Rijksmarinewerf in Vlissingen als huistimmerman 2e klasse. In 1866 volgde een overplaatsing naar Den Helder waar hij in 1868 Neeltje Boll (1825-1903) huwde en in 1890 kinderloos overleed.

Ook Anthonie heeft de zaak aan het Molenwater niet voorgezet. Toen hij op 26 augustus 1857 op 35-jarige leeftijd de 10 jaar oudere Johanna Louwina Warnes (1812-1895) tot bruid nam, stonden beiden te boek als ‘particulier(e)’. Die ‘e’ in haar achternaam behield ze haar hele leven, terwijl de rest van de familie Warnas heette, zoals haar broer Marinus Warnas (1813-1877) die met Anthonies zuster Maria Adriana getrouwd was. Vanaf 1861 mocht hij zich trouwens officieel Koolhaas Warnas noemen. Ook het echtpaar Van Velthoven-Warnes stierf zonder nageslacht. Het nichtje (van twee kanten) Diderika Andresina Johanna Louise Timmermans, geboren Koolhaas Warnas (1851-1928) werd in 1900 de enige erfgename, waardoor de kinderen van Jacobus het nakijken hadden.

Jacobus van Velthoven zou in 1853 met Minolda Catharina Korssen (1823-1866) een tweede huwelijk aangaan. Naast de 2 kinderen uit het eerste huwelijk werden uit deze verbintenis nog 4 kinderen volwassen, van wie er geen in Zeeland bleef. Ergens voor 1865 stopte ook Jacobus met timmeren en vond emplooi bij de marine als bewaarder. Na voor de tweede keer weduwnaar te zijn geworden, vond hij in 1870 Maria Meijer (1835-1925) zijn derde echtgenote. Hij stierf onverwacht in 1875 in Amsterdam, waar verschillende kinderen uit zijn eerste twee huwelijken woonden. 

Arnold Wiggers

Stadstekenklas 2024-2025 is groep 6 van De Aquamarijn

tekengymnastiek met de Stadstekenklas, groep 6 (klas 4) van De Aquamarijn

Het was voor ons de eerste keer ook even zoeken toen we met juffrouw Jacqueline net na de zomervakantie een eerste afspraak hadden. De Aquamarijn? We hadden toch voor de Vrije School gekozen, mede omdat die 50 jaar bestaat? Hoe zit dat? Dat legde juf Jacqueline zo uit: ‘Het bestuur heeft het idee dat ‘Vrije School’ heden ten dage de ouders op het verkeerde been zet, want het onderwijsprincipe van de school heeft niets met vrij zoals in vrijblijvend van doen, maar alles met de ideeën van Rudolf Steiner. Die blijven onverkort de leidraad van het onderwijs op De Aquamarijn.’ Duidelijk.

De Aquamarijn heeft een kleutergroep en dan vervolgens 6 klassen, zoals vroeger overal gebruikelijk. Klas 4 (Groep 6) van deze school is de Stadstekenklas 2024-2025. Op woensdagochtend 30 oktober gingen we opnieuw naar het schoolgebouw op de grens van St Laurens en Middelburg. Juf Jacqueline had de klas voorbereid op ons bezoek. Zo’n 25 gezichten zagen ons komen om bekend te maken dat zij dit jaar de Stadstekenklas zijn. Daar hoort vooraf natuurlijk een korte inleiding bij over de Teeken Akademie. Typisch een taak voor voorzitter Arnold. Hoe maak je 9- en 10-jarigen duidelijk dat de academie al bijna 250 jaar oud is? Weliswaar is de academie begonnen als school, doch inmiddels al langer een organisatie die probeert het tekenen en de belangstelling voor kunst te bevorderen. Hoe leg je dat nu weer uit? De vreugde was er niet minder om toen Liesbeth dat moeilijke gedeelte kon afsluiten met de mededeling dat de klas de Stadstekenklas 2024-2025 is.

Het tekenonderwijs rond 1800 aan de Middelburgse academie bestond uit een drietal fasen: tekenen naar prent, tekenen naar gipsmodellen en als afsluiting het tekenen naar levend model. Na de bekendmaking ging Liesbeth door met de eerste les naar prent. De kinderen kregen een Teeken Akademie-potlood en een blad papier en moesten toen uit het hoofd, zonder voorbeeld, het Stadhuis op de Markt tekenen. Grappig om te zien dat voor een aantal jongens het meest herkenbaar de trap en het bordes bleek te zijn. Die werd onderaan de rand van het vel getekend en helemaal aan de bovenkant de windvaan met de meermin, die ze ook bleken te kennen. Vervolgens werd een groot scherm binnengereden waarop het Stadhuis groot was afgebeeld. Arnold vertelde nog iets over de buitenkant van het gebouw (de graven en gravinnen-beelden). En na dit korte college gingen de stadstekenklas verder met tekengymnastiek. De handen strekken na het luisteren, en ondertussen oefenen met het stadhuis. Een tekening met links tekenen, en dan met rechts. In een halve minuut en met de ogen dicht. Van dichtbij en veraf. Het leverde veel hilariteit op. Na deze rek en strek tekenoefeningen heeft de klas een half uur lang over de laatste tekening gedaan. Het stadhuis tekenen naar prent. De Teeken Akademie had een geweldige ochtend op De Aquamarijn en feliciteert klas 4 (groep 6) nogmaals met de benoeming tot Stadtekenklas. Wordt vervolgd. 

Liesbeth Labeur

Arnold Wiggers

Een tekening van het Stadhuis van Middelburg van Lev van de Stadstekenklas, groep 6 (klas 4) van De Aquamarijn
Een tekening van het Stadhuis van Middelburg van Manue van de Stadstekenklas, groep 6 (klas 4) van De Aquamarijn

PERSBERICHT Groep 6 (klas 4) van De Aquamarijn is Stadstekenklas 2024-25

Groep 6 (klas 4) van De Aquamarijn is Stadstekenklas 2024-25 – foto: L. Labeur

Allemaal blijde gezichten vanmorgen in groep 6 (klas 4) van De Aquamarijn, de school op de grens van Middelburg en St. Laurens die tot voor kort de Vrije School heette. De leerlingen van de klas zijn de Stadstekenklas 2024-2025. De Teeken Akademie wil met het project Stadstekenklas het tekenonderwijs in het lager onderwijs een steuntje geven. Eerder waren klassen van de Archipelschool Het Talent en De Oleanderhof in Arnemuiden de uitverkorenen.

Juffrouw Jacqueline had haar leerlingen al een beetje voorbereid, zodat de komst van voorzitter Arnold Wiggers en bestuurslid Liesbeth Labeur niet helemaal onverwacht was. De vreugde om de uitverkiezing was er niet minder om. De Teeken Akademie is mede op De Aquamarijn gekomen omdat de school (als Vrije School) 50 jaar bestaat.

De Stadstekenklas doorloopt in een aantal lessen het tekenonderwijs zoals dat rond 1800 aan de Teeken Akademie werd onderwezen. Liesbeth Labeur begon meteen na de bekendmaking met de eerste les, het tekenen naar een tekenvoorbeeld. Vandaag was dat een afbeelding op een groot tv-scherm van het Stadhuis op de Markt. Later volgt dan nog het teken naar een driedimensionaal voorbeeld in het Zeeuws Museum en dan nog het tekenen naar een model. Als ‘model’ wordt dan een monument uitgekozen, waardoor de kinderen buiten gaan tekenen.

Afsluitend vindt voor de zomervakantie 2025 een tentoonstelling van dit jaar gemaakte tekeningen in de ZB Bibliotheek van Zeeland plaats.

Stadstekenaars op pad

Stralend. Het weer, de Stadstekenaars en hun onderwerpen. Merel van Rens vroeg via het Instagramaccount Stadstekenaars aan de volgers wat zij en Arian van Dijk deze zaterdag de 26e oktober eens zouden vastleggen. Slot Ter Hooge en Café ’t Hof op de Vlasmarkt rolden daar uit. 

11.30. Op de fiets de Stadstekenaars opzoeken. De mist trok op en Ter Hooge lag te midden van het omringende parklandschap in herfstkleuren te schitteren. Waar zouden ze zitten? Bij de ingang van het wandelgebied stond een fiets. Een kinderpartijtje verliet het bos: vlaggetjes, ballonnen, kinderen en ouders. Getweeën op een bankje met aquarelleerverf de Stadstekenaars. 

14.30. Vlasmarkt. Het Café ’t Hof was dicht. Geen interieurtekeningen dus, maar ook de gevel is de moeite waard om nog eens op papier gebracht te worden. Best opvallend zo’n grijze, cementen(?) buitenkant. Het café maakt door een uithangbord reclame voor een bijzonder biermerk. Ineens een passant met exact dat bord op zijn T-shirt. Volgens mij ziet hij het niet. O ja, de beide panden van het café hebben een apart toegankelijk bovenhuis waardoor het complex maar liefst 4 huisnummers beslaat: 16 tot en met 22. Weer wat geleerd. 

En dan heb je tijd om eens goed naar de straat te kijken. Afwisseling genoeg in de bebouwing. Het lijkt erop dat langzamerhand de straat weer wat opkrabbelt, al ziet in vergelijking met het pand van de Weduwe Abrahams elke gevel er al vlug een keer verzorgd uit. 

Passanten werpen een blik over de schouders van de Stadstekenaars en vinden het werk mooi. Wie ook wil zien wat Merel en Arian op deze mooie zaterdag gedaan hebben, bezoek de accounts van de Stadstekenaars op de sociale media. Ook dit jaar komt er weer een afsluitende tentoonstelling van een jaar Stadstekenaar in De Drvkkerij. Die staat in januari gepland. Tot dan tekenen Merel en Arian lekker door aan hun portfolio ‘Middelburg’. 

Arnold Wiggers

Stadstekenaars 2024, kasteel Ter Hooge – foto: Arnold Wiggers
Stadstekenaars 2024, kasteel Ter Hooge – foto: Arnold Wiggers
Stadstekenaars 2024 – foto: Arnold Wiggers
Stadstekenaars 2024, Café ’t Hof – foto: Arnold Wiggers
Stadstekenaars 2024 – foto: Arnold Wiggers
Stadstekenaars 2024 – foto: Arnold Wiggers