Portret Jan van Ouwerkerk

Een medaillonportret van een goedgeklede heer op papier, op de rugzijde gesigneerd J. van Ouwerkerk Cz en gedateerd 1817. Dat riep bij de heer Ten Klooster de vraag op of hier wellicht sprake is van een zelfportret. Zou dit inderdaad een borststuk van de zeeschilder Jan van Ouwerkerk CZ zijn? 

Geboren in 1774 werd hij in 1794 uitgeroepen tot de beste tekenaar naar levend model. Dat betekende dat hij toen zijn opleiding naar prent en pleister aan de Teeken Akademie al had afgerond. Het schilderen leerde hij van Marinus Piepers in de behangselfabriek van diens vader Johannes, zo schreef hij in 1840. Vanaf 1829 legde hij zich toe op zeeschilderen en het onderwijzen aan huis. Portretten van zijn hand zijn verder niet bekend.

In 1818 behoorde Jan van Ouwerkerk tot de 15 (naar latere inzichten tijdens het 50-jarig bestaan in 1868 beperkt tot 14) oprichters (‘kunstvrienden’) van de Middelburgse afdeling van het in 1806 in Amsterdam in het leven geroepen genootschap V.W. dat kunsten en wetenschap wilde bevorderen. Dat gebeurde in verschillende departementen waar de leden (fraters) zich konden uitleven in bijvoorbeeld de taalkunde, de dichtkunst, de toonkunst en de tekenkunst. Van Ouwerkerk zou lang de directeur in dat laatste departement zijn, waar ook ander Middelburgse schilders en Teeken Akademie leerlingen als J.F. Schütz en W.J. van de Berghe actief waren. Al met al trof de betere middenstand met een enkele uitschieter naar boven (dr. J.C. de Man en mr. G.N. de Stoppelaar) zich bij de bijeenkomsten en soirées van V.W. 

Terug naar het portretmedaillon. Een dergelijk schilderijtje is bedoeld voor de geportretteerde of iemand in de naaste omgeving van hem of haar. De leeftijd schatten van de afgebeelde heer is een hachelijke zaak. Onmogelijk is het niet dat hij 43 jaar oud is, net als Van Ouwerkerk in dat jaar. Het lastige is dat er van Van Ouwerkerk geen portret is waar dit medaillon mee vergeleken kan worden. Ook een silhouettekening of knipsel van hem is niet bekend. Dat zou helpen, want het gezicht en profil is wel zo geprononceerd dat een dergelijk kunststukje uitsluitsel zou kunnen geven.

De signatuur lijkt authentiek. Het benadrukken met ‘fecit’ (getekend) dat het zijn werk is, zou kunnen duiden dat het voor iemand anders bedoeld is. Dan kan het nog steeds zijn eigen portret zijn. Voor een dame zal het wel niet geweest zijn, hij bleef ongehuwd. Een portret voor of van een van de kunstvrienden met wie hij in 1818 V.W. zou oprichten is ook een mogelijkheid. De namen van die heren zijn bekend. De oprichtingsvergadering van V.W. op 20 september 1818 vond plaats bij Hendrik Kraijesteijn (1772-1831), sinds dat jaar uitbater van het Logement van Oranje in de Lange Noordstraat. Deze zanger (tenor), leider van een rondreizend theatergezelschap, directeur van de Middelburgse schouwburg en toen logementhouder zou de eerste voorzitter van V.W. worden. Kijken we op het porretje naar het konterfeitsel van deze qua levensinvulling flamboyante man? 

Arnold Wiggers

Gerelateerd:

Kleine hoofden

Horror / Der Schrecken / Afgryzen / la Frayeur. Voorbeeldprent voor het oefenen in het tekenen van verschillende emoties – Zeeuws Archief, HTAM-H-46-VII

De nieuwe eeuw (de 19e) bracht in het begin weinig goeds. De voortdurende oorlogen van de Fransen tegen alles en iedereen legden de overzeese handel plat, wat tot een malaise in de havensteden leidde, dus ook in Middelburg. Economische rampspoed had natuurlijk ook effect op de Teeken Akademie met als dieptepunt 1813 toen er geen prijsuitreiking plaatsvond.

De lessen bouwkunde lijken toch redelijk in trek te zijn geweest. In 1805 en 1808 waren er telkens 6 klassen waarin steeds een primus werd aangewezen. Bij het tekenonderwijs was dat minder. In 1805 waren er prijzen voor het tekenen naar pleister en 3 voor het tekenen naar prent van beelden, grote hoofden en kleine hoofden. In 1808 was het tekenen naar beelden weggevallen, waardoor er maar 3 klassen geweest zullen zijn. Wat precies getekend werd in de verschillende categorieën naar prent is onduidelijk. Mogelijk werden met ‘kleine hoofden’ vooral de gezichtsuitdrukkingen bedoeld, waarvan tekenvoorbeelden bekend zijn. 

Uit de incomplete gegevens kennen we 2 winnaars die als primus kleine hoofden werden onderscheiden. In 1805 werd Jan Dezer beloond voor zijn tekening in die categorie. Van deze Jan is verder niets te vinden. Over Frederik Hendrik Coulon de primus kleine hoofden in 1808 is wel wat bekend. Het levenslicht zag hij op 27 juni 1791 in het gezin van Hendrik Coulon (ca. 1765-1815) en Pieternella Vinke (ca. 1769-1809). Hendrik Coulon was notaris en kort na de omwenteling van 1795 ook actief in de plaatselijke politiek. In juli 1809 vocht hij in de Middelburgsche Courant een geschil met zijn confrater Joannes de Vries uit. De laatste lijkt bakzeil te halen om fijntjes af te sluiten met de hoop dat ‘denzelven Coulon in ’t vervolg voorzigter en wijzer zal worden, en men van hem niet zal moeten zeggen, hoe dommer iemand is, hoe onbeschaamder hij is’. In de koffiehuizen zal om de notarissen flink gegniffeld zijn.

De schilder Frederik Hendrik huwde op de eerste april 1813 met de dienstbode Catrina Janse Tappers (1791-1854). Van hun 10 kinderen bereikten 4 kinderen de volwassen leeftijd. De geboorten afgaande woonde het gezin in eerste jaren in de Korte Noordstraat (L 106); tussen 1816 en zeker 1820 was er een woning in het Kerspel, waarna we Coulon vanaf 1822 aantreffen in de Beddewijkstraat (K 134). Van hieruit opereerde hij als zelfstandig schilder, volgens een advertentie uit 1825. Gezien een gezamenlijke advertentie waarin 2 à 3 schildersknechten worden gevraagd (05-07-1827) werkte hij samen met Jan de Wolff (ca. 1801-1873) op de Vlasmarkt. Toen de laatste in 1829 failliet ging, verhuisde Coulon naar de Vlasmarkt. 

Zoals wel vaker bij schilders het geval maakte ook Catrina Janse Tappers in de overlijdensadvertentie van F.H. Coulon op 14 juli 1846 gewag van ‘een langdurig lijden’. Het werken met de grondstoffen van verf en dus de verf zelf was verre van onschuldig. Ze sloot af met een nota bene waarin ze mededeelde dat de schilderszaak ‘voor de Weduwe door haren oudsten Zoon’ zal worden voortgezet. Dit betrof Johannes Coulon (1816-1885) die mogelijk ook de Teeken Akademie bezocht. Bewijs is er niet voor. Een tweede zoon Pieter Jacobus (1819-1905) was kleermaker van beroep. Een vak dat elders geleerd werd. 

Arnold Wiggers

Korte Noordstraat 15 met links van de fiets de ingang van nummer 13 (Wijk L nr. 106), mogelijk een achterwoning of een bovenwoning, woning van het jonge gezin van F.H. Coulon rond 1815 – Foto: Arnold Wiggers 17-12-2025
Beddewijkstraat K 134 (=17). Tussen 1822 en 1829 woonhuis en bedrijfspand van de schilder F.H. Coulon. Tussen 1893 en 1980 een café onder de naam ’t Zinken Toogje (in diverse spellingen). Foto: Tina Kannegieter ca. 1964 – Beeldbank Zeeland recordnr. 85418

Prijsbanden ter veiling

Titelpagina W. Goeree, Natuurlyk en Schilderkonstig Ontwerp der Menschkunde … Amsterdam 1682.

In de novemberveiling van veilinghuis Bubb Kuyper in Haarlem werden 2 Vernuft en Vlijt-banden aangeboden. Mooi ingebonden boekwerken die ooit aan de beste leerlingen van de Teeken Akademie zijn uitgereikt. Helaas ontbreken in beide boeken de opdracht en is niet met zekerheid te zeggen wie ze ooit in ontvangst heeft mogen nemen. Nu had de Teeken Akademie de gewoonte om op het voorplat in een hangend medaillon het motto ‘Vernuft en Vlijt’ te laten stempelen en op het achterplat in hetzelfde medaillon de datum. Dat laatste kan helpen om toch een mogelijke eerste eigenaar te identificeren. 

Een graag gegeven boek was de Grondlegginge der Teeken-konst, Zynde een korte en zeekere weg om door middel van de Geometrie of Meetkunde, de Teeken-konst volkomen te leeren van Gerard de Lairesse. Zo ook op 5 augustus 1788, zo leert het achterplat. Het betreft het eerste deel in de editie uit 1766. De tand der tijd heeft nogal vat gehad op de band, maar interessant is hij ondanks dat wel. Uit de periode tot 1795 was nog geen kalfsleren band bij mij bekend, wel een aantal veel kostbaardere banden in rood en groen geitenleer. Ook in eenvoud schuilt waarde en nu weten we zeker dat er ook voor 1795 zulke banden werden geschonken. Een indicatie voor wie het boek was, is niet te geven. Met het verbranden van het huis van de secretaris van de Teeken Akademie op 17 mei 1940 ging ook het archief ervan in vlammen op. Dat was ook het geval met de leggers van de Middelburgsche Courant in de Provinciale Bibliotheek, waardoor de Krantenbank tussen 1795 en 1815 nogal wat hiaten heeft.

Aan de tweede, kalfsleren band is met wat verbeeldingskracht en slagen om de arm wel een naam te hangen. Op 21 september 1836 werd een exemplaar van Natuurlyk en Schilderkonstig Ontwerp der Menschkunde … van Willem Goeree geschonken. Het betrof een exemplaar van de eerste editie uit 1682. Nu werd in 1827 en in 1829 hetzelfde werk in de derde druk van 1753 geschonken aan respectievelijk de primus in de 2e klasse naar prent Johannes Jacobus Lievense en Job la Brand als aanmoedigingsprijs ook in de 2e klas naar prent. De boekenprijzen werden met opzet uitgezocht, waardoor de geschenken zowel inhoudelijk als in omvang en uitvoering met de schooljaren gelijke tred hielden. En nu gaat het verder op glad ijs: Indien in 1836 de prijs ook aan de primus in de 2e klas naar prent is overhandigd, was Daniel Schuilwerve (1814-1884) de gelukkige. Deze loodgieter is eerder aan bod geweest in deze serie.

Dit is dan nu de plaats om aan dat portretje van Schuilwerve nog een paar details toe te voeen. Zijn erfgenamen in 1884 waren de toen nog in leven zijnde 3 dochters en een zoon. Dochter Maartje was overleden en haar 2 kinderen kregen haar erfportie. Er viel ƒ 21.000 te verdelen, waaronder onroerend goed en nogal wat schuldbrieven op Rusland. Hoe zou het afgelopen zijn met de 1250 zilveren roebels in aandelen Fransch Caucasische Spoorweg na 1918? Dochter Johanna vertrok nog in hetzelfde jaar 1884 naar Amerika. In de Verenigde Staten had ze ‘familiebetrekkingen’. Dat moet dan haar oom Leunis Jan de Maagd zijn geweest die in 1881 met vrouw Lena Noordhoek en 3 kinderen de overtocht maakte. Dat deden toen 3 gezinnen en 2 vrijgezellen uit Kortgene. In 1887 ging ook haar oudere zuster de dienstbode Sentina Maria Schuilwerve haar familie achterna, ook al gaf zij als reden voor vertrek verbetering van levensomstandigheden aan.  

Arnold Wiggers

Etsen met de Stadstekenklas

Een etsje van de toren uit het wapen van Middelburg – foto: Liesbeth Labeur

De Teeken Akademie was op 10 december jl. op bezoek bij de Stadstekenklas, groep 5 van Het Element uit Dauwendale, de klas van meester Yordi Wieland. Kunstenaar Liesbeth Labeur liet de klas dit keer een hele oude manier van printen zien: de etstechniek. De leerlingen hebben het etsen ook zelf uitgeprobeerd. Tekenen met een punt en daarna ininkten en een afdruk maken met de etspers.

De etsen die gemaakt zijn, zijn hier op deze foto’s lang niet allemaal te zien. Maar ze zijn wel te zien straks aan het einde van het schooljaar, als we een expositie gaan organiseren. Kunstwerkjes van het wapen van Middelburg en FC Dauwendale, van mooie gebouwen en huizen uit de wijk en natuurlijk 67. Later in het jaar meer over deze expositie van de Stadstekenklas.

De Teeken Akademie heeft weer met buitengewoon veel plezier gewerkt met de Stadstekenklas. We hebben in twee groepjes gewerkt. Als de ene groep aan het etsen was, maakte de andere groep een memoryspel. Ook te gek om te doen met de Stadstekenklas en een leuke manier van tekenen (en spelen). Tot ziens allemaal, tot het volgende avontuur. Klas en meester Yordi, heel veel dank.

Ininkten van het plaatje – foto: Liesbeth Labeur
Afdrukken met de etspers – foto: Liesbeth Labeur
Spannend – foto: Liesbeth Labeur
Voetbal en FC Dauwendale was een populair etsonderwerp – foto: Liesbeth Labeur
Tekenen van het memoryspel – foto: Liesbeth Labeur
– foto: Liesbeth Labeur
– foto: Liesbeth Labeur
67 en FC Dauwendaele – foto: Liesbeth Labeur

Orgelmaker Hooghuys

Orgel in de St. Bavo te Aardenburg voor 1944 – Foto uit Archief 1976. Maker onbekend.

Voor een Zeeuwse rijksdaalder kon van de eerste maandag in november tot de laatste vrijdag in maart vijfmaal in de week van half zes tot acht uur lessen gevolgd worden aan de Teeken Akademie. Een uitzondering werd gemaakt voor een aantal jongens van de Weesschool die gratis onderwijs ontvingen. Minimumleeftijd was 12 jaar. Plaats van handelen was de bovenverdieping van de Waag op de Balans. Zo stond het in het reglement dat eind 1778 aan alle intekenaars ter hand werd gesteld. Dat waren de honoraire leden, intekenaars die een zoon hadden aangemeld voor het onderwijs en ‘kunstoeffenaars, die voor zig zelven hebben ingeteekend’.

Onder die laatste groep komen nogal wat jonge ambachtslieden voor. Tekenen was een bezigheid die aanzien had en ongetwijfeld een mooie tijdsbesteding vormde. Wat is leuker om dat in gezelschap te doen en onderwijl contacten en kennis op te doen? 

Orgelmaker Gerrit Simonse Hooghuys (1753-1813) was een van hen. De genealogisch gegevens zijn nogal fragmentarisch. Katholiek gedoopt op de eerste dag van het nieuwe jaar 1754 in Wormer, moet hij op enig moment voor eind 1778 in Middelburg beland zijn. Daar tekende hij in voor de eerste cursus van de Teeken Akademie die liep van maandag 2 november 1778 tot vrijdag 26 maart 1779. Tot primus heeft hij het nooit gebracht.

Uit zijn huwelijk met Anna Theresia Heijlandt werd in Middelburg in februari 1780 een zoon geboren die Simon Gerard (1780-1853) werd genoemd. Zij zal niet lang daarna overleden zijn, want in april 1787 huwde hij de weduwe Anna Maria van Dongen (ca. 1749-1812). Zij bracht het pand De Roode Sage in de Langeviele in, waar de zaak werd gevestigd. Huis- en draaiorgels zullen de gewoonlijke handel hebben uitgemaakt, maar kerkorgels ging hij niet uit de weg.

In 1806 vertrok hij naar Brugge waar hij zich aanbood als orgelmaker, zowel voor nieuwe als te repareren instrumenten. Als reden wordt in de literatuur gewezen op het vertrek van een andere orgelbouwer daar. Hij bleef naar het noorden kijken, waarbij RK of NH niet zoveel lijkt uit te maken. Blijkbaar had hij weet dat de hervormde gemeente in Aardenburg een orgel wilde installeren, waarop hij in december 1808 een brief schreef dat te Brugge zowel een goed binnenwerk (uit 1764) als een fraaie orgelkas uit de Augustijnenkerk te koop waren. In Aardenburg had men hier wel oren naar en daarop werd met Hooghuijs een contract gesloten. In juni 1809 was het werk klaar en de St. Bavo van een goed klinkend orgel voorzien.  

Eind november 1810 vestigde hij zich opnieuw in het familiepand Langeviele (nu 47), waar zijn zoon -ook orgelmaker- zijn zaak zal hebben voortgezet. Hier stierf hij op 24 januari 1813 als weduwnaar en ‘facteur’ (= instrumentenmaker). Hij was de grondlegger van een dynastie Belgische orgelbouwers. Zoon Simon Gerard verkocht in 1813 het pand en vertrok definitief naar Brugge.

De kas van het orgel in de St. Bavo werd in 1852 nog gemoderniseerd in neo-gotische stijl door de Middelburgse stadsarchitect H.H. Grauss. Bij de bevrijding kwam het orgel redelijk ongeschonden door de strijd, in elk geval werd door de Klokken- en Orgelraad de aanbeveling gedaan het te restaureren. Vanuit de orgelcommissie van de Hervormde kerk kwam een ander geluid en kwam het tot sloop.

Arnold Wiggers
Zie: J.H. Kluiver, Historische orgels in Zeeland. Archief 1974 en 1976

Seijbel en Seijbel of toch niet?

Korte Noordstraat (richting Lange Noordstraat) met de kazerne rond 1950. Ongeveer bij het eerste balkon was wijk I nr. 17 waar Pieter Hendrik Seijbel en zijn gezin woonde. Foto D.P. Cornelisse – ZB, Beeldbank Zeeland recordnr. 13326

De aanmoedigingsprijs die Pieter Hendrik Seijbel in 1821 in de 2e klas bouwkunde ontving, bleef ook zijn enige onderscheiding die hij op de Teeken Akademie ooit in ontvangst mocht nemen. Hij zag op 13 oktober 1799 in Kapelle het levenslicht als zoon van Pieter Seijbel (1776-1822) en Pieternella Seijbel (ca. 1780-1848). Bij hun huwelijk te Kapelle in oktober 1797 stonden beide echtelieden te boek als Pieter Hendrik Seijbel dienstknecht en Pieternella Pieterse Seijbel renteniersdochter. De namen komen zo verder nergens meer voor. In 1810 zal nog een tweede zoon geboren zijn die de namen Jacobus Johannes meekreeg, mogelijk in Middelburg. In elk geval gaf vader Pieter Seijbel als timmerman in 1811 een dochtertje in Middelburg aan. Noch dit kind, noch de 4 hierna geboren kinderen zouden de peuterleeftijd overleven. Bij het overlijden van Pieter in 1822 waren Pieter Hendrik en Jacobus Johannes de enige nog in leven zijnde kinderen. De jongste zoon zou in 1827 op 17-jarige leeftijd overlijden. 

Een bloedband tussen Pieter en Pieternella Seijbel heb ik niet kunnen vinden. Wel tussen Hendrik Sloover en Pieter Hendrik Seijbel, beiden in 1821 prijswinnaars in dezelfde klas. Het waren neven. Vader Pieter Seijbel was een broer van Anna Seijbel, de moeder van Hendrik Sloover. 

Wonen deed de familie in de Lange Noordstraat, wijk L nummer 127. Dit is niet maar zo een pand, maar het immense Het Groote Huis, heden ten dage nr. 39 en Rijksmonument. Vanaf 1795 had sociëteit De Vergenoeging een aantal jaren een gedeelte in gebruik. Mogelijk dat de familie ook een gedeelte gebruikte sinds de koop in 1812. Erfgenaam Pieter Hendrik stootte het in 1826 af. Hem vinden we met zijn gezin in de Korte Noordstraat terug.

Na het overlijden van Pieter Seijbel plaatste ‘Wed. P. Seybel geb. Seybel’ een advertentie in de Middelburgsche Courant van 27 juni 1822 waarin ze aankondigde dat de ‘Affaire’ door haar en haar zoon gecontinueerd zou worden. 

Op 11 mei 1826 gaven Pieter Hendrik Seijbel en Johanna Kievits elkaar het ja-woord. Johanna was in Waspik katholiek gedoopt op 17 mei 1798 terwijl haar moeder dat niet was. Als geboorteplaats komt ook het aangrenzende Capelle in de Langstraat voor, waarmee Sprang-Capelle is bedoeld. Het echtpaar kreeg 5 kinderen van wie er 3 volwassen werden. Die kinderen werden geboren in de Korte Noordstraat. Daar zou op 6 juni 1848 ook de moeder van Pieter Hendrik Seijbel overlijden. De aangifte werd gedaan door de zoon en Pieter Sloover (broer van Hendrik), schilder en neef. En dan komt het: de weduwe Pieter Seijbel heet ineens Pieternella van Hemert. Onder deze naam is ze eerder nooit in de administratie verschenen. Bij de akte is geen enkele verklaring of verwijzing naar ouders.

Toen Pieter Hendrik op 14 april 1861 betrapt werd bij het ‘werpen van vuilnis in een binnen haven’, volgde op 15 mei de veroordeling tot het betalen van een boete van ƒ 3. Hij verkoos een dag te zitten, wat plaatsvond van 16 op 17 november. Bij die inschrijving in het Huis van Bewaring werd hij zoon van Pieter Seijbel en Petronella van Hemert genoemd.

In februari 1862 overleed Johanna Kievits. Pieter Hendrik zou haar op bijna 75-jarige leeftijd op 6 mei 1874 volgen. De ambtenaar noteerde als naam van zijn moeder … Pieternella Seijbel.

Arnold Wiggers

Het Groote Huis, Lange Noordstraat 39 omstreeks 1930. In 1795 gedeeltelijk in gebruik genomen als sociëteit door De Vergenoeging. In 1812 gekocht door Pieter Seijbel. Dit bezit werd in 1826 door zoon Pieter Hendrik verkocht – Zeeuws Archief, Beeldbank. Foto W.A. J. Mes

Stadstekenklas tekent Bolwerk in Dauwendaele

Een kaart van Dauwendaele getekend door de Stadstekenklas

De Stadstekenklas, groep 5 van Basisschool het Element uit Dauwendaele, de klas van meester Yordi Wieland, had vandaag de voorzitter van de Teeken Akademie op bezoek, Arnold Wiggers. En kunstenaar Liesbeth Labeur. Met de klas hebben we het vandaag gehad over topografie. Op de kaart van Middelburg hebben we opgezocht waar de school ligt. En waar het stadhuis ligt, dat we de vorige keer tekenden. En Dauwendaele.

We hebben ook nog een stukje geschiedenis besproken. Over het bolwerk, dat vroeger rond Middelburg liep, en dat er nu nog steeds een stukje bolwerk in Dauwendaele ligt. We bekeken een oude kaart van Middelburg, gemaakt door Cornelis Goliath. Het kanaal was er toen nog niet. Soms was het een beetje abstract om over de kaarten te praten, maar er zijn desondanks prachtige plattegronden van Middelburg gemaakt. Heerlijk om te zien wat er allemaal getekend wordt door onze Stadstekenklas. Met plezier was de Teeken Akademie op bezoek en tot de volgende keer.

De Stadstekenklas bekijkt de kaart van Goliath – foto: L. Labeur
de kaart van Goliath uit 1657. Gravure, ca 1690 – Zeeuws Archief, Zelandia Illustrata I-294
Tijdens de tekenles over kaarten – Foto: L. Labeur
Een kaart van Dauwendaele getekend door de Stadstekenklas
Een kaart van Dauwendaele getekend door de Stadstekenklas
Tijdens de tekenles over kaarten – Foto: L. Labeur
Een kaart van Dauwendaele getekend door de Stadstekenklas
Een kaart van Dauwendaele getekend door de Stadstekenklas
Een kaart van Dauwendaele getekend door de Stadstekenklas

Sloover

Kijkje door de Wal op de Lange Jan. De straat links is de Kapoenstraat. Het pand links vooraan (Inboedels S.B. Suurmond) zou B 99 geweest kunnen zijn, waar Pieter Sloover en later zijn zoon Karel hun schilderszaak hadden. Fotograaf onbekend, ca. 1920 – Zeeuws Archief, Verzameling Beeld en Geluid, nr. 400

Om de prijswinnaars uit de familie Sloover en Seijbel goed in beeld te krijgen moeten we naar Goes. Engel Sloover (1776-1853) was daar bij zijn huwelijk met Anna Seijbel (ca. 1789-1811) in april 1797 een timmermansknecht. Nog in het zelfde jaar stond hij te boek als slager. Op zich niet zo gek, omdat zijn vader ook slachter (slager) was. Engel had nog meer in zijn mars: in 1811 komt hij in de administratie voor als (varkens)slager en bakker. Na de dood van Anna huwde hij Dorothea Verdonk (1789-1851) en groeide het gezin verder. Het lijkt erop dat de oudste zoon Hendrik (1800-1832) naar zijn oom Pieter Seijbel, meester timmerman in de Lange Noordstraat in Middelburg is gegaan en daar een opleiding heeft gekregen, die op de Teeken Akademie verder werd verfijnd. In 1821 ontving hij een aanmoedigingsprijs in de 2e klasse bouwkunde. Behalve dat hij als loteling vanaf 1820 met regelmaat voor zijn nummer moest opkomen weten we niet veel van hem. In 1831 werd hij ‘finaal ontslagen’ uit de militie vanwege bloedspuwing. Hij overleed ongehuwd in september 1832.

Zijn ietwat jongere broer Pieter (1801-1858) treffen we ook in Middelburg aan. Niet als timmerman, maar als schilder. Hij moet beslist talentvol zijn geweest en heeft voor zijn vestiging in Middelburg zijn opleiding aan de Tekenschool in Goes gehad waar hij verschillende keren (1820 en 1821) onderscheiden is. In 1824 huwde hij te Middelburg Pieternella Duivenee (1802-1879). Alleen hun zoon Karel (1826-1879) bereikte de volwassen leeftijd. 

In augustus 1834 begon Pieter Sloover een ‘schildersaffaire’ in de St. Pieterstraat. Hij hanteerde ook het penseel. Zo schilderde hij in 1845 vermoedelijk een schoorsteenstuk met enkele zeilschepen en een roeibootje (De Wete 1992). In 1840 was zijn zaak verplaatst naar de Wal, waar hij niet alleen als schilder, lijstenmaker en vergulder zijn geld verdiende, maar ook als depothouder voor middelen tegen wandluizen. Al snel blijkt uit de advertenties dat Sloover zelf de middelen aanbracht, wat wel een gifspuit zal zijn geweest. Vermoedelijk was dat middel verre van onschuldig waardoor zijn sterfbed (1858) tot ‘een langdurig en smartvol lijden’ maakte. Zijn weduwe zette de firma voort onder de naam Wed. P. Sloover & Zoon. 

Zoon Karel werd in 1841, 1843 en 1845 aan de Teeken Akademie onderscheiden voor zijn tekenwerk. Gehuwd was hij in 1852 met Cornelia Johanna Prince (1825-1913). Al snel volgden 2 kinderen (1853 en 1854) en dan lijkt er iets aan de hand te zijn geweest. Kort nadat de zaak door Karel en zijn moeder werd overgenomen in juni 1858, verscheen een advertentie van de firmanten in de Middelburgsche Courant waarin gewaarschuwd werd niets te borgen aan Cornelia Prince, ‘also zij voor geene betaling instaan’. Het zal goed gekomen zijn, want vanaf juli 1859 werden tot 1868 nog 7 kinderen geboren. 

Ook Karel Sloover bleef zich aanbevelen voor het ‘zuiveren van wandluizen’, wat ook hem parten gespeeld zal hebben. Net als zijn vader stierf hij relatief jong en volgens zijn weduwe ook ‘na een langdurig lijden’. Een zoon (Pieter) werd ook schilder en diens zoon (Karel) was leraar schilderen aan de Middelburgse Ambachtschool, een voortzetting van de Teeken Akademie. In Goes bleef tot december 1970 een Sloover een slagerij exploiteren 

Arnold Wiggers

De metselaars Jan Jacobus en Willem Cornelis van Heulen

Hans Hermann (J.E.R. Herrmann)(1858-1942), De Middelburgse vleeshal, 1887. Olieverf op doek. Vers vlees werd in de vleeshal verkocht, het slachten gebeurde elders. Het naambordje links vermeldt R[obertus] Meertens. Vader en zoon (beiden Robertus) waren vleeshouwers. Vader ging in 1889 failliet.

Van de 4 kinderen van Willem van Heulen die in 1821 de erfenis mochten verdelen, was Jan Jacobus de enige zoon. Zijn geboortedatum kennen we uit de huwelijkse bijlagen die hij en zijn bruid Johanna Zegers (Bergen op Zoom 1798-1871) bij hun huwelijk in 1818 moesten overleggen. Dat wil zeggen, voor de Nationale Militie was hij op 4 april 1793 geboren en volgens het geboorteregister van de Nederduits-gereformeerde (hervormde) kerk op 20 september. Dat laatste zal eerder kloppen, omdat daar ook bij staat dat hij op 29 september gedoopt is. Uit het Certificaat van de Nationale Militie komen we in elk geval te weten dat hij 5 voet en 3 duim groot was wat neerkomt op nog geen 1 meter 60, bruin haar en bruine ogen had en geen bijzondere kenmerken. Al met al goedgekeurd en niet opgeroepen. 

Ondertussen had hij aan de Teeken Akademie lessen in de bouwkunde gevolgd, wat hem goed afging, getuige de uitverkiezing tot primus in de 4e klas in 1810. Het verwondert dan wel om in de Middelburgsche Courant van 10 november 1818 te lezen dat hij een ‘Affaire als Vleeschhouwer’ is begonnen. Geen slagerij zoals tegenwoordig. Vleeshouwer, slachter of slager waren beschermde beroepen. Verkoop van (vers) vlees gebeurde tot 1900 alleen in de vleeshal naast het stadhuis. Geslacht werd op andere plaatsen, die alle onder controle van ambtenaren stonden. Geconserveerd vlees (gedroogde en gerookte worsten, hammen en dergelijke) was wel in winkels te koop.  

Ruim een week later is de trouwerij van Jan Jacobus (vleeshouwer) en Johanna (particuliere). De eerste van hun 5 zonen, Willem Cornelis, werd op 13 november 1819 in de Korte Noordstraat geboren, in 1822 zoon nummer 2 op de Lange Burg wijk B 11 en nummer 3 in 1829 iets verderop in de straat. Bij die aangifte gaf Jan Jacobus op dat hij winkelier was en bij zoon nummer 4 in 1835 en 5 in 1838 noteerde de ambtenaar ‘metselaar’. In zijn overlijdensakte in oktober 1860 werd hij timmerman genoemd, wat beter aansluit bij zijn Teeken Akademie-opleiding dan slachter.

De oudste zoon Willem Cornelis van Heulen (1819-1871) bezocht net als vader en grootvader de Teeken Akademie. Ook hij werd onderscheiden en wel in 1839 toen hij primus in de 3e klasse bouwkunde werd. Toen hij op gevorderde leeftijd op 17 juni 1857 de weduwe Engeltje Huisman (1827-1911) trouw beloofde, was er van dit paar een dossier ‘huwelijkse bijlagen’. Daaruit valt op te maken dat Willem Cornelis kleiner dan zijn vader was (nog geen 1 m 50) en blauwe ogen had. Van beroep was hij metselaar, wat zijn vader destijds ook was. 

Engeltje was weduwe van de winkelier Gillis Haccou (1821-1855) met wie ze twee kinderen had. Samen kregen Willem Cornelis en Engeltje 5 dochters van wie er 3 volwassen werden. In 1858 stond het gezin ingeschreven in Vlissingen, waarschijnlijk voor een grotere, tijdelijke metselklus. In september 1859 waren ze terug in Middelburg. Toen werd Jannetje van Heulen geboren, in de Latijnseschoolstraat waar halfbroer en -zus Haccou en haar oudere zusje Johanna Engeltje ook het levenslicht zagen. Het laatste adres in Middelburg was op de Molenberg, waar in 1865 de jongste dochter geboren werd en kort daarop stierf. Vervolgens ging het gezin naar Den Haag, waar metselaar Willem Cornelis op 24 januari 1871 overleed. Zijn weduwe volgde hem op de laatste dag van maart 1911 als Scheveningse. 

Arnold Wiggers

Latijnse Schoolstraat 8. Een van de adressen waar Willem Cornelis van Heulen heeft gewoond. Foto: Arnold Wiggers 18-09-2025

Kunstoefenaar Willem van Heulen 

Langeviele richting Markt, ca. 1900. Links ingang Beddewijkstraat. Het vierde pand van rechts zou Wijk K 386 (nr. 31) geweest kunnen zijn, het woonhuis van Willem van Heulen. Prentbriefkaart, G.C. Reijers jr., Middelburg – ZB Beeldbank Zeeland recordnr. 13570

Voor een Zeeuwse rijksdaalder jaarlijks kon vanaf 2 november 1778 iedereen of één van zijn kinderen als leerling deelnemen aan de lessen op het Teeken Collegie. Dat ‘iedereen’ en ‘kinderen’ bleef beperkt tot de manlijke kunne voor zover het onderwijsdeelname betrof. Vrouwen (in de praktijk alleen weduwen) waren welkom om tegen de gevraagde rijksdaalder hun zonen aan te melden; zelf op de lessen verschijnen was onvoorstelbaar. In het reglement is de enige leeftijdsgrens 12 jaar, de ondergrens voor toelating. Het lijkt erop dat het leeftijdsverschil tussen leerlingen en kunstoefenaars niet altijd groot was. Of anders gezegd: ook formeel niet volwassenen (destijds 25 jaar) konden zich in 1778 tegen betaling van het cursusgeld inschrijven als kunstoefenaar. Hoe moeten we anders de inschrijving van Willem van Heulen A[brahams] Z[oon] verklaren? Hij werd geboren op 2 mei 1761 en was dus 17 jaar oud bij de start van de instelling. Getalenteerd was hij ook: in 1781 werd hij tot primus in de 3e klas tekenen naar prent benoemd. Vermoedelijk was hij toen al jaren bij een meester timmerman in de leer.

Hoewel de naam Van Heulen veelvuldig in Zeeland voorkwam in de 18e eeuw, was Haarlem Willems geboortestad. Zijn vader Abraham Jansz van Heulen (1729-1794) en moeder Cornelia Vaans (1736-1795) moeten met hun zonen na 1761 naar Middelburg getrokken zijn. Willem huwde -volgens een genealogische site in 1788 – Tannetje Kuiper (ca. 1760-1807). Bij de volkstelling van 1797 is hij timmerman en woonachtig in de Seisstraat. Blijkbaar was Willem behoorlijk wiskundig onderlegd waardoor hij in 1798 van stadswege tot landmeter kon worden benoemd en in 1814 tot wijnroeier (functionaris om de te betalen accijnzen op verbruikte wijn te bepalen), twee overheidsfuncties die vaak samengingen. Daarbij was hij volgens de advertentie die bij zijn overlijden in de Middelburgsche Courant van 6 februari 1821 verscheen ook nog stedelijk ‘proever … van dranken’ en niet te vergeten brandspuitmeester. 

In 1799 is ‘onze’ Willem van Heulen timmerman in de Langeviele. In de Middelburgsche Courant liet hij op 16 maart 2 advertenties opnemen waarin hij zich opwierp als boedelbeheerder. Ten eerste voor Pieter Mispelblom (ca. 1741-1799), vleeshouwer in de Lange Geere, en zijn vrouw Agnieta Kuyper (ca. 1736-1799) die respectievelijk 13 en 10 februari 1799 kwamen te overlijden. Dit zou familie van Willems vrouw Tannetje kunnen zijn. De tweede boedel was van de op 22 februari 1799 in het Oude Manhuis op 72-jarige leeftijd overleden naamgenoot Willem van Heulen, weduwnaar van Anna Elizabeth van Fernij (1724-1786). Voordien had deze in de Langeviele gewoond. Gegeven dat ook deze Willem in Haarlem gedoopt was, ligt een familierelatie voor de hand. Van nageslacht van Willem en Anna Elizabeth is geen sprake, dus mogelijk was het pand in de Langeviele voordelig op ‘onze’ Willem overgegaan. 

In dat pand begon Willem van Heulen in juli 1800 een ‘molenaars-affaire’. Bekwame molenaarsknechten waren aanwezig voor het maken en repareren van molens. Behalve in het timmerhout en de molenmakerij zat hij ook in het plant en pootgoed. Of dat wat te veel was? In 1810 sprak hij in de krant krachtig de geruchten tegen dat hij zich wilde ontdoen van de molenmakersactiviteiten. Bij het opmaken van zijn nalatenschap in 1821 hadden de 4 kinderen weinig te klagen. In zijn boedel bevonden zich 5 onroerende goederen, waaronder het woonhuis De Meerkat in de Langeviele en een speelhof in de Jodengang. 

Arnold Wiggers

Langeviele 39 (wijk K 383) De Witte Schoen. Een van de panden in eigendom van Willem van Heulen – Foto: Arnold Wiggers 18-09-2025