Portret Jan van Ouwerkerk

Een medaillonportret van een goedgeklede heer op papier, op de rugzijde gesigneerd J. van Ouwerkerk Cz en gedateerd 1817. Dat riep bij de heer Ten Klooster de vraag op of hier wellicht sprake is van een zelfportret. Zou dit inderdaad een borststuk van de zeeschilder Jan van Ouwerkerk CZ zijn? 

Geboren in 1774 werd hij in 1794 uitgeroepen tot de beste tekenaar naar levend model. Dat betekende dat hij toen zijn opleiding naar prent en pleister aan de Teeken Akademie al had afgerond. Het schilderen leerde hij van Marinus Piepers in de behangselfabriek van diens vader Johannes, zo schreef hij in 1840. Vanaf 1829 legde hij zich toe op zeeschilderen en het onderwijzen aan huis. Portretten van zijn hand zijn verder niet bekend.

In 1818 behoorde Jan van Ouwerkerk tot de 15 (naar latere inzichten tijdens het 50-jarig bestaan in 1868 beperkt tot 14) oprichters (‘kunstvrienden’) van de Middelburgse afdeling van het in 1806 in Amsterdam in het leven geroepen genootschap V.W. dat kunsten en wetenschap wilde bevorderen. Dat gebeurde in verschillende departementen waar de leden (fraters) zich konden uitleven in bijvoorbeeld de taalkunde, de dichtkunst, de toonkunst en de tekenkunst. Van Ouwerkerk zou lang de directeur in dat laatste departement zijn, waar ook ander Middelburgse schilders en Teeken Akademie leerlingen als J.F. Schütz en W.J. van de Berghe actief waren. Al met al trof de betere middenstand met een enkele uitschieter naar boven (dr. J.C. de Man en mr. G.N. de Stoppelaar) zich bij de bijeenkomsten en soirées van V.W. 

Terug naar het portretmedaillon. Een dergelijk schilderijtje is bedoeld voor de geportretteerde of iemand in de naaste omgeving van hem of haar. De leeftijd schatten van de afgebeelde heer is een hachelijke zaak. Onmogelijk is het niet dat hij 43 jaar oud is, net als Van Ouwerkerk in dat jaar. Het lastige is dat er van Van Ouwerkerk geen portret is waar dit medaillon mee vergeleken kan worden. Ook een silhouettekening of knipsel van hem is niet bekend. Dat zou helpen, want het gezicht en profil is wel zo geprononceerd dat een dergelijk kunststukje uitsluitsel zou kunnen geven.

De signatuur lijkt authentiek. Het benadrukken met ‘fecit’ (getekend) dat het zijn werk is, zou kunnen duiden dat het voor iemand anders bedoeld is. Dan kan het nog steeds zijn eigen portret zijn. Voor een dame zal het wel niet geweest zijn, hij bleef ongehuwd. Een portret voor of van een van de kunstvrienden met wie hij in 1818 V.W. zou oprichten is ook een mogelijkheid. De namen van die heren zijn bekend. De oprichtingsvergadering van V.W. op 20 september 1818 vond plaats bij Hendrik Kraijesteijn (1772-1831), sinds dat jaar uitbater van het Logement van Oranje in de Lange Noordstraat. Deze zanger (tenor), leider van een rondreizend theatergezelschap, directeur van de Middelburgse schouwburg en toen logementhouder zou de eerste voorzitter van V.W. worden. Kijken we op het porretje naar het konterfeitsel van deze qua levensinvulling flamboyante man? 

Arnold Wiggers

Gerelateerd:

Kleine hoofden

Horror / Der Schrecken / Afgryzen / la Frayeur. Voorbeeldprent voor het oefenen in het tekenen van verschillende emoties – Zeeuws Archief, HTAM-H-46-VII

De nieuwe eeuw (de 19e) bracht in het begin weinig goeds. De voortdurende oorlogen van de Fransen tegen alles en iedereen legden de overzeese handel plat, wat tot een malaise in de havensteden leidde, dus ook in Middelburg. Economische rampspoed had natuurlijk ook effect op de Teeken Akademie met als dieptepunt 1813 toen er geen prijsuitreiking plaatsvond.

De lessen bouwkunde lijken toch redelijk in trek te zijn geweest. In 1805 en 1808 waren er telkens 6 klassen waarin steeds een primus werd aangewezen. Bij het tekenonderwijs was dat minder. In 1805 waren er prijzen voor het tekenen naar pleister en 3 voor het tekenen naar prent van beelden, grote hoofden en kleine hoofden. In 1808 was het tekenen naar beelden weggevallen, waardoor er maar 3 klassen geweest zullen zijn. Wat precies getekend werd in de verschillende categorieën naar prent is onduidelijk. Mogelijk werden met ‘kleine hoofden’ vooral de gezichtsuitdrukkingen bedoeld, waarvan tekenvoorbeelden bekend zijn. 

Uit de incomplete gegevens kennen we 2 winnaars die als primus kleine hoofden werden onderscheiden. In 1805 werd Jan Dezer beloond voor zijn tekening in die categorie. Van deze Jan is verder niets te vinden. Over Frederik Hendrik Coulon de primus kleine hoofden in 1808 is wel wat bekend. Het levenslicht zag hij op 27 juni 1791 in het gezin van Hendrik Coulon (ca. 1765-1815) en Pieternella Vinke (ca. 1769-1809). Hendrik Coulon was notaris en kort na de omwenteling van 1795 ook actief in de plaatselijke politiek. In juli 1809 vocht hij in de Middelburgsche Courant een geschil met zijn confrater Joannes de Vries uit. De laatste lijkt bakzeil te halen om fijntjes af te sluiten met de hoop dat ‘denzelven Coulon in ’t vervolg voorzigter en wijzer zal worden, en men van hem niet zal moeten zeggen, hoe dommer iemand is, hoe onbeschaamder hij is’. In de koffiehuizen zal om de notarissen flink gegniffeld zijn.

De schilder Frederik Hendrik huwde op de eerste april 1813 met de dienstbode Catrina Janse Tappers (1791-1854). Van hun 10 kinderen bereikten 4 kinderen de volwassen leeftijd. De geboorten afgaande woonde het gezin in eerste jaren in de Korte Noordstraat (L 106); tussen 1816 en zeker 1820 was er een woning in het Kerspel, waarna we Coulon vanaf 1822 aantreffen in de Beddewijkstraat (K 134). Van hieruit opereerde hij als zelfstandig schilder, volgens een advertentie uit 1825. Gezien een gezamenlijke advertentie waarin 2 à 3 schildersknechten worden gevraagd (05-07-1827) werkte hij samen met Jan de Wolff (ca. 1801-1873) op de Vlasmarkt. Toen de laatste in 1829 failliet ging, verhuisde Coulon naar de Vlasmarkt. 

Zoals wel vaker bij schilders het geval maakte ook Catrina Janse Tappers in de overlijdensadvertentie van F.H. Coulon op 14 juli 1846 gewag van ‘een langdurig lijden’. Het werken met de grondstoffen van verf en dus de verf zelf was verre van onschuldig. Ze sloot af met een nota bene waarin ze mededeelde dat de schilderszaak ‘voor de Weduwe door haren oudsten Zoon’ zal worden voortgezet. Dit betrof Johannes Coulon (1816-1885) die mogelijk ook de Teeken Akademie bezocht. Bewijs is er niet voor. Een tweede zoon Pieter Jacobus (1819-1905) was kleermaker van beroep. Een vak dat elders geleerd werd. 

Arnold Wiggers

Korte Noordstraat 15 met links van de fiets de ingang van nummer 13 (Wijk L nr. 106), mogelijk een achterwoning of een bovenwoning, woning van het jonge gezin van F.H. Coulon rond 1815 – Foto: Arnold Wiggers 17-12-2025
Beddewijkstraat K 134 (=17). Tussen 1822 en 1829 woonhuis en bedrijfspand van de schilder F.H. Coulon. Tussen 1893 en 1980 een café onder de naam ’t Zinken Toogje (in diverse spellingen). Foto: Tina Kannegieter ca. 1964 – Beeldbank Zeeland recordnr. 85418

Prijsbanden ter veiling

Titelpagina W. Goeree, Natuurlyk en Schilderkonstig Ontwerp der Menschkunde … Amsterdam 1682.

In de novemberveiling van veilinghuis Bubb Kuyper in Haarlem werden 2 Vernuft en Vlijt-banden aangeboden. Mooi ingebonden boekwerken die ooit aan de beste leerlingen van de Teeken Akademie zijn uitgereikt. Helaas ontbreken in beide boeken de opdracht en is niet met zekerheid te zeggen wie ze ooit in ontvangst heeft mogen nemen. Nu had de Teeken Akademie de gewoonte om op het voorplat in een hangend medaillon het motto ‘Vernuft en Vlijt’ te laten stempelen en op het achterplat in hetzelfde medaillon de datum. Dat laatste kan helpen om toch een mogelijke eerste eigenaar te identificeren. 

Een graag gegeven boek was de Grondlegginge der Teeken-konst, Zynde een korte en zeekere weg om door middel van de Geometrie of Meetkunde, de Teeken-konst volkomen te leeren van Gerard de Lairesse. Zo ook op 5 augustus 1788, zo leert het achterplat. Het betreft het eerste deel in de editie uit 1766. De tand der tijd heeft nogal vat gehad op de band, maar interessant is hij ondanks dat wel. Uit de periode tot 1795 was nog geen kalfsleren band bij mij bekend, wel een aantal veel kostbaardere banden in rood en groen geitenleer. Ook in eenvoud schuilt waarde en nu weten we zeker dat er ook voor 1795 zulke banden werden geschonken. Een indicatie voor wie het boek was, is niet te geven. Met het verbranden van het huis van de secretaris van de Teeken Akademie op 17 mei 1940 ging ook het archief ervan in vlammen op. Dat was ook het geval met de leggers van de Middelburgsche Courant in de Provinciale Bibliotheek, waardoor de Krantenbank tussen 1795 en 1815 nogal wat hiaten heeft.

Aan de tweede, kalfsleren band is met wat verbeeldingskracht en slagen om de arm wel een naam te hangen. Op 21 september 1836 werd een exemplaar van Natuurlyk en Schilderkonstig Ontwerp der Menschkunde … van Willem Goeree geschonken. Het betrof een exemplaar van de eerste editie uit 1682. Nu werd in 1827 en in 1829 hetzelfde werk in de derde druk van 1753 geschonken aan respectievelijk de primus in de 2e klasse naar prent Johannes Jacobus Lievense en Job la Brand als aanmoedigingsprijs ook in de 2e klas naar prent. De boekenprijzen werden met opzet uitgezocht, waardoor de geschenken zowel inhoudelijk als in omvang en uitvoering met de schooljaren gelijke tred hielden. En nu gaat het verder op glad ijs: Indien in 1836 de prijs ook aan de primus in de 2e klas naar prent is overhandigd, was Daniel Schuilwerve (1814-1884) de gelukkige. Deze loodgieter is eerder aan bod geweest in deze serie.

Dit is dan nu de plaats om aan dat portretje van Schuilwerve nog een paar details toe te voeen. Zijn erfgenamen in 1884 waren de toen nog in leven zijnde 3 dochters en een zoon. Dochter Maartje was overleden en haar 2 kinderen kregen haar erfportie. Er viel ƒ 21.000 te verdelen, waaronder onroerend goed en nogal wat schuldbrieven op Rusland. Hoe zou het afgelopen zijn met de 1250 zilveren roebels in aandelen Fransch Caucasische Spoorweg na 1918? Dochter Johanna vertrok nog in hetzelfde jaar 1884 naar Amerika. In de Verenigde Staten had ze ‘familiebetrekkingen’. Dat moet dan haar oom Leunis Jan de Maagd zijn geweest die in 1881 met vrouw Lena Noordhoek en 3 kinderen de overtocht maakte. Dat deden toen 3 gezinnen en 2 vrijgezellen uit Kortgene. In 1887 ging ook haar oudere zuster de dienstbode Sentina Maria Schuilwerve haar familie achterna, ook al gaf zij als reden voor vertrek verbetering van levensomstandigheden aan.  

Arnold Wiggers