Vondst van betekenis

Prijsband uit het atelier van Jan Dane, uitgereikt op 10-05-1780 aan onbekende door de Teeken Akademie. Voorplat. Inhoud: Gerard de Lairesse, Grondlegginge … (Amsterdam 1766) – Particuliere collectie.

Helaas is het mij niet overkomen: benaderd worden met de vraag of je belangstelling hebt voor een prijsband van de Teeken Akademie. De gelukkige die duidelijk betere connecties in het circuit heeft dan ik, wilde zijn verworven schat best laten zien en daar doe ik graag verslag van. 

De oudste prijsband van de Teeken Akademie die bekend is, stamt uit het tweede jaar waarin een uitreiking plaatsvond. Dat was op 10 mei 1780. Een bijzonder rijk uitgevoerde boekband die sinds de vroege jaren 60 van de vorige eeuw deel uitmaakt van de collectie van wat nu ZB Bibliotheek van Zeeland heet. Hij is aan Jan Roelof Worrell geschonken als primus in de 1e klas tekenen. Op die woensdag kregen nog 4 leerlingen van het Teeken-Collegie een prijs. Een van die prijzen bevindt zich nu weer in Middelburg, nadat hij ooit in een Franse privébibliotheek terecht gekomen was. Om die band gaat het hier 

Een gave, kalfsleren band die de typische bestempeling met het medaillon ‘Vernuft en vlijt’ op het voorplat heeft en de datum van uitreiking op het achterplat. Ook de overige stempels zijn oude bekenden: ze komen overduidelijk uit het Middelburgse atelier van de binder Jan Dane die in 1783 overleed. Op de staart van de rug staat zelfs een klein stukje van de in mijn ogen meest kenmerkende rol van deze binder. Een forse rol die een doorsnee van ruim 5 cm gehad moet hebben, want eenmaal geheel uitgerold ontstaat een lijnversiering over een lengte van zo’n 20 cm. Daarin springen, lopen en liggen tussen allerlei rococomotieven minstens 5 verschillende dieren. In deze boekband ontbreekt het rode lakzegel aan de binnenkant van het voorplat, zoals dat wel in andere bekende banden voorkomt. Bij nadere beschouwing blijkt dat er wel geweest te zijn. Het gat is gecamoufleerd met een marmeren schutblad dat duidelijk afwijkt van het schutblad achterin. Dat is onmiskenbaar een stuk uit een groter vel marmerpapier waaruit Jan Dane vaker schutbladen heeft gesneden.  

Wat beide banden uit 1780 gemeen hebben is dat de maand op het achterplat een 4 is, waar het een 5 moet zijn. Het is niet meer na te gaan of de oorspronkelijke uitreiking op 10 april gepland stond of dat iemand in het bindatelier consequent dezelfde fout heeft gemaakt. Dat laatste lijkt aannemelijker. Er bestaan meer voorbeelden van binders die met cijfers en letters wel eens moeite hadden. 

Wie mocht op 10 mei 1780 het boek mee naar huis nemen? Helaas ontbreekt in de band een opdracht en kunnen we van geluk spreken dat de datum op de buitenkant staat. Daarmee blijven nog 4 kandidaten over. Gezien de inhoud, Gerard de Lairesse, Grondlegginge der Teeken-konst (Amsterdam 1766), lijkt het niet te ver gezocht om de oorspronkelijke eigenaar te zoeken onder de twee andere primussen binnen de tekenkunde: Joris Mattheus Kersse (2e klas) en Jacob Visser (3e klas). Lourens van de Woude (1e klas bouwkunde) en Jacobus van Baere (2e klas bouwkunde) waren de andere prijswinnaars. Kersse won vaker prijzen, van Visser weten we dat niet. Over Joris Mattheus Kersse is verder geen informatie te vinden en ook Jacob Visser blijft een onbekende door het niet goed kunnen linken van gegevens aan zijn persoon. 

Dankzij deze band is weer een stapje gezet in de kennis over de prijsbanden van de Teeken Akademie. Niet eerder zag ik een kalfsleren band van de Teeken Akademie uit de 18e eeuw, wel meerdere marokijnen, altijd prijzen voor de besten in tekenen. We weten nu dat er in de relatief vette jaren voor de Franse tijd waarin kostbare boekbanden werden geschonken, de mindere prijzen weliswaar fraai waren, maar soberder en van minder kostbaar leer, wat de het uitvoeringsniveau van alle banden na 1813 werd. 

Arnold Wiggers

De firma Ws. van Uije & Zonen op weg naar het einde 

Gezicht op de Turfkaai met badhuis (verbrand in 1944). Prentbriefkaart – Beeldbank Zeeland recordnr. 14874

In 1859 stapte Jacobus Cornelis uit de firma Ws. van Uije en Zonen en startte met zijn zoon Wilhelmus JCz (1837-?) de firma Van Uije & Cie, oorspronkelijk voor handel in en fabricage van natuurlijke oliën en zaden, later vooral petroleum. Tot hun wapenfeiten behoorde de afbraak van de windmolen De Nijverheid oftewel Branderijmolen achter de Schouwburg in 1870. Vermoedelijk door financiële problemen werd de firma in 1875 geliquideerd. Dat vermoeden wordt versterkt door het vertrek van beide vennoten uit Middelburg. 

Ondertussen werd de firma Ws. van Uije voortgezet door Jacobus Johannes met zijn zoon Wilhelmus (1828-1905). Tot de bijzondere werken in deze jaren behoorde de gedenksteen op het woonhuis van Jacob Cats in de Lange Noordstraat die op zaterdag 2 juni 1860 werd geplaatst. De kosten van het stuk, ‘gevat in een sierlijken lijst van Bentheimer steen’ werden bestreden zoals dat heette door vrijwillige bijdragen van enkele ingezetenen. 

Afbraak en nieuwbouw bleven hand in hand gaan. In 1865 ging het oude gemeentehuis van Arnemuiden tegen de vlakte en verrees een nieuw voor ƒ 5.975. Het huis Hazewind (Langedelft H nr. 6) moest in september van hetzelfde jaar wijken voor een jongensschool met onderwijzerswoning. Voor ƒ 13.300 klaarde Ws. van Uije en Zonen de klus. De Langevielebinnenbrug werd in 1869 voor ƒ 8.908 vervangen door een basculebrug.

Jacobus Johannes trad eind 1868 uit de firma terug waardoor Wilhelmus JJz de enige vennoot werd. Voor hardstenen monumenten bleef Van Uije en Zonen het adres: in augustus 1870 kreeg de firma de opdracht om een zeskantige gedenknaald te maken voor het graf in Vlissingen van vijf aan pokken overleden bemanningsleden van het Amerikaanse oorlogsschip Guinietta. Het geld daarvoor was door de overige bemanningsleden vrijwillig bijgedragen, zo schreven de kranten. 

In dezelfde categorie vallen twee gedenktekens. Op 16 september 1875 kreeg vice-admiraal A.J. de Smit van den Broecke (1801-1875) er een op zijn laatste rustplaats op het kerkhof van Oost-Souburg naar ontwerp van Alexander Neugebauer, gelauwerd leerling van de Teeken Akademie. Eind augustus 1877 werd het graf van mr. R.W. graaf Van Lynden, (1808-1876) wijlen Commissaris des Konings in Zeeland, van een gedenkteken voorzien. 

Wilhelmus JJz. had ondertussen (per 1 januari 1875) in Teeken Akademie laureaat (1866) Jan Adriaan Frederiks (1849-1931) een medevennoot gevonden. Dit moet louter zakelijk geweest zijn, want van een directe familierelatie is geen sprake. Jan Antiek zoals zijn bijnaam zou worden ging in 1890 weer uit Ws. van Uije en Zonen. Inmiddels had hij als bouwkundige naam gemaakt onder meer bij de restauratie van de Abdij, waar Van Uije en Zonen trouwens niet bij betrokken was. 

Tot de laatste grote werken van Ws. van Uije en Zonen behoorden de bouw van de Badinrichting aan de Nieuwe Haven in opdracht van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, het verpleeghuis in de Langeviele (beide in 1898) en een villa voor de bankier J.A. Zip aan de Noordsingel (1899).

Het huwelijk van Wilhelmus en Johanna Pieternella Jansen bleef kinderloos. Bij het overlijden van Wilhelmus in 1905 hield de firma Ws. van Uije & Zonen op te bestaan. A. Loois jr. liet per advertentie weten de ‘timmer-, metsel- en aanemerszaak’ van Van Uije overgenomen te hebben. De steenhouwerij werd voortgezet door de firma Louis Renguet & Co en D.M. Boone adverteerde nog in 1911 met: ‘D.M. Boone voorheen W. van Uije & Zonen in bouwmaterialen.’

Arnold Wiggers

angeviele K 378 in 1897, destijds in eigendom van de weduwe Ermerins-Tak. In 1898 verbouwd tot verpleeghuis (tot 1918) – Beeldbank Zeeland recordnr. 69548

De andere Wilhelmus van Uije 

Gezigt op de stad [Assen]. 20e -eeuwse reproductie naar een tekening van W. van Uije, ca. 1851-1860 – Gemeente Assen, Ag04924

Naast het dirigerende lid Wilhelmus van Uije kende de Teeken Akademie twee bekroonde leerlingen met die naam. Allemaal familie. De ene primus was Wilhelmus JJz de bouwkundige die in 1854 de familieonderneming Ws. van Uije en Zonen kwam versterken en de andere was Wilhelmus Wz, een (half)oom van voorgaande, die een andere richting opging. Eerst de familierelatie: uit het tweede huwelijk van Wilhelmus sr. met Johanna Jacoba Kok was Wilhelmus, die op 3 juli 1819 het leven zag, het zesde kind. Na hem kwam nog een levenloos broertje, waarmee hij de jongste nazaat was. Zijn halfbroers Jacobus Johannes en Cornelis Johannes uit het eerste huwelijk van hun vader met Johanna van der Wiele vormden de zonen in de firmanaam.

Waar de andere genoemde familieleden Van Uije allen in de bouwkunde thuis waren, werd Wilhelmus Wilhelmuszoon van Uije in 1839 ‘slechts’ primus in de eerste klas naar prent. Verder onderwijs aan de Teeken Akademie, ervoor of erna, is onbekend: het bleef bij die ene prijs als 20-jarige. Wat zijn parcours vervolgens was, is in nevelen gehuld. Hij duikt weer op in de burgerlijke stand van Assen waar hij op 20 januari 1850 in het huwelijk trad met Antoinette Gerardine Petronille de Geus. Zijn bruid was geboren op 5 februari 1820 in Antwerpen uit het huwelijk van Adrianus de Geus en Henriëtte Swam. In 1850 was vader De Geus opzichter bij de waterstaat in Drenthe, vandaar het huwelijk in Assen. Wilhelmus was volgens de trouwacte woonachtig in Arnhem, terwijl bij de inschrijving in het bevolkingsregister van Assen in 1850 staat dat hij afkomstig was uit Deventer. 

Hoe dan ook, in de krant van 4 juni 1850 meldde de redacteur van de Middelburgsche Courant in de Drentsche Courant gelezen te hebben (of was hij getipt?) dat in Assen twee schilderstukken van oud plaatsgenoot W. van Uije geëxposeerd werden. Twee landschappen die getuigden van veel aanleg bij de jonge schilder die bij de juiste ontwikkeling hem tot een groot schilder zouden kunnen doen uitgroeien. Het zou anders lopen. Nog bij de geboorte van de oudste zoon Willem Johannes (1850-1907) stond hij te boek als schilder. Bij de geboorte van Adrianus Hendrik (1852) en Jacobus Cornelis (1859) was dat ‘tekenmeester’. Uit deze jaren zijn litho’s naar tekeningen van Wilhelmus van gezichten van Assen bekend die een wat naïeve indruk maken. Tussen 1863 en 1867 exploiteerde hij met Bernardus Jan Somer (1844-1910) een fotoatelier in Assen, wat hij daarna tot 1879 alleen voortzette*. 

In 1879 verhuisde het echtpaar Van Uije-de Geus naar Rotterdam, waar ze bij hun jongste zoon Jacobus Cornelis gingen wonen. Wilhelmus werd ingeschreven als koopman, zonder meer. Hij stierf hier in 1889, zijn weduwe in Den Haag in 1906.

Hoewel Wilhelmus van Uije Ws. in het kunstenaarsoverzicht van Scheen voorkomt, is van hem geen schilderij bekend, ook het Drents Museum bewaard anno nu geen schilderwerk van hem. Wel worden in het Drents Archief meerdere foto’s van Van Uije bewaart, waaronder een stereofoto van zijn oudste zoon Wilhelmus Johannes.

Arnold Wiggers


*zie: M. Goslinga en M. Hiemink, Assen gephotographeerd. Foto’s tussen 1860 en 1910. Assen 2018

Stereofoto: Tuin en Horstwijk. Gezigt op den tuin van den Heer van Uije en op het buiten [= de burgemeesterswoning villa Horstwijk] van den Burgemeester [van Assen W.A. baron Van der Feltz]. Fotograaf: Wilhelmus van Uije, ca. 1865 – Drents Archief, Collectie stereofoto’s Drents Museum DM 27068
Stereofoto van Wilhelmus Johannes van Uije (Assen 1850-Amsterdam 1907) met een stereokijker, ca. 1865. Fotograaf [vader] Wilhelmus van Uije – Drents Archief, Collectie stereofoto’s Drents Museum DM27067

De Firma Ws. van Uije onder de zonen J.J. en J.C. 

Middelburg, Lange Noordstraat met de R.K. kerk, gebouwd door de firma Ws. van Uije, 1844-1845. Prentbriefkaart Gebr. Hildernisse ca. 1910 – Zeeuws Archief, Collectie KZGW, ZI Prentbriefkaarten nr. 2047

Het eerste grote project dat de firma Ws. van Uije en Zonen onder de directie van de zonen Jacobus Johannes en Cornelis Johannes ter hand nam, was de bouw van de katholieke kerk in de Lange Noordstraat in Middelburg (1844-1845). In de aanneemsom ƒ 38.400 zat naast de bouw van een nieuwe kerk naar ontwerp van Joseph Broudrez, ook de afbraak van het woonhuis wijk C nummer 25 (hoek Lombardstraat-Lange Noordstraat richting Korte Noordstraat), dat voor de kerk plaats moest maken. Een groot pand waarschijnlijk, niet alleen door het grondvlak van de kerk. Ook de advertentie die rond 1 augustus 1844 in zowel de Middelburgsche, als de Vlissingsche en de Zierikzeesche Courant verscheen roept het beeld van een fors geheel op: ‘Te koop aan den afbraak van het Huis in de Lange Noordstraat … eene aanzienlijke partij Deur-, Licht- en Schuifkozijnen, Kapgebindten, Balken, Ribben, Kassen, Bedsteden, Spiegels, Dorpels, Vloerstenen, Pannen, Metselsteenen, Paardebakken enz.’ Trouwens, ook de afbraak van de oude katholieke (schuil)kerk aan de Blauwedijk in 1848 was het werk van de firma en ook daar werd afbraak te gelde gemaakt.

De zonen waren ondertussen aan gezinnen begonnen. Jacobus Johannes (ca. 1802-1873) huwde 27 januari 1825 Cornelia Johanna Pieternella van Ockenburg (ca. 1802-1868), met wie hij 8 kinderen kreeg. ‘Steenhouwer’ Cornelis Johannes (1803-1879) trad op 5 oktober 1831 met Cornelia Pieternella Ripping (1811-1847) in het huwelijk, waarin 7 kinderen werden geboren. Hij werd in 1837 rechter-plaatsvervanger in de Rechtbank van Koophandel, die voornamelijk over faillissementen oordeelde. Zijn broer werd tussen 1851 en 1865 meerdere malen tot gemeenteraadslid gekozen, waar hij steeds een liberaal geluid liet horen. Bij aanbestedingen moet dit wel eens bijzondere situaties opgeleverd hebben, ondanks dat Van Uije bij stemmingen die zijn bedrijf aanging de raadszaal verliet. 

Waterstaatswerken behoorden tot het specialisme van de firma. Voor ƒ 14.000 werd in 1847 de bouw van een aanlegsteiger en een veerdam bij Wolphaartsdijk aangenomen, waar het herstellen van ‘de dam aan het Kortgeensche Veer’ bij hoorde. Gezien de aanneemsom in 1851 van ƒ 54.500 was de bouw van de garancinefabriek ‘Zeeland’ voor de Zeeuwsche Maatschappij voor Meekrapbereiding in Wilhelminadorp een ander kapitaal werk voor de Middelburgse firma Van Uije. Een met stoommachines werkende onderneming die de meekrapwortels op een naar Frans voorbeeld ingerichte wijze met stenen vermaalde tot het veel gevraagde rode kleurstofpoeder. Vermoedelijk betrof het een uitbreiding van de meestoof met dezelfde naam die uit 1820 dateerde.

De directie werd in 1854 uitgebreid met Wilhelmus van Uije JJz (1828-1905), zoon en neef van de zittende vennoten, waarmee de derde generatie zijn entree maakte. Deze Wilhelm(us) was weer een leerling van de Teeken Akademie. In 1847 werd hij primus in de 1e klas en in 1849 onderscheiden met de medaille als primus in de bouwkunde. De gegevens van 1848 ontbreken, zodat het mogelijk is dat hij in het tussenliggende jaar ook tot de winnaars behoorde. Zijn vader zal als dirigerend lid in deze jaren de prijsuitdelingen met genoegen bijgewoond hebben.

Op 18 september 1857 huwde Wilhelmus JJz met Johanna Pieternella Jansen (1834-1905). Merkwaardig genoeg werd ze op 26 mei 1834 door haar vader Joost Jansen, kruidenier, aangegeven als Johanna Geertruida, terwijl bij de overlijdensaangifte in Arnhem de voornamen Geertruida Johanna luidden. 

Arnold Wiggers

Het Veêrhuis te Kortgene. Prentbriefkaart. Opname: R. Ochtman, ca. 1910 – Beeldbank Zeeland Recordnr. 9838
Veerdienst Kortgene-Wolphaartsdijk, gezien vanaf de silo in Kortgene. Foto C. Kotvis, september 1969 – Beeldbank Zeeland, Recordnr. 11838