Verwarrende portrettengalerij

Om de haverklap verschijnen er gedrukt of digitaal oproepen met verzoeken over informatie over afgebeelde personen. Een schoolfoto, familiefeest, collega’s of een onduidelijk gezelschap. Wie heeft ze zelf niet, die foto’s met misschien wel een familielid, van wie je geen idee hebt wie dat dan wel moet zijn? Soms schreef iemand op de achterkant van een afdruk de namen van de geportretteerde personen, vaker niet. En hoe gaat dat met digitale opnamen? Met geschilderde of getekende portretten is dat niet anders en wat dacht u van die zwarte silhouetten? 

Dit allemaal omdat ik op Anthony van Andel stuitte. Hij werd in 1810 door de Teeken Akademie onderscheiden als primus in de 2e klas naar pleister. Mogelijk heeft hij daarna ook prijzen gewonnen of onderwijs op de academie gehad, wat door hiaten in de archieven ongewis blijft. Omdat hij bij zijn huwelijk in 1821 fijnschilder werd genoemd, kan hij goed (tevens) bij een behangselschilder zijn opleiding gehad hebben en mogelijk had hij daar ook zijn werkkring. Bij zijn overlijden werd hij portretschilder genoemd, wat benadrukt wordt door het nagelaten werk.

De op Artindex gevonden doopdatum 7 september 1792 van Anthony, kan kloppen, gezien de 29 jaren die hij telde bij zijn huwelijk in 1821. Hij trouwde toen de Vlissingse Maria Cornelia Brieve (1787-1872) met wie hij een zoon zou hebben, Teunis Martinus van Andel (1822-1911). Zijn ouders waren sluiswachter Teunis van Andel (ca. 1762-1825) en Maria Roose (ca. 1758-1827). Vader Teunis stierf in januari en zoon Anthony in maart 1825. Een klein familiedrama, waar er in de familie meer van waren. Daarover later.

Op 31 augustus 1820 adverteerde A. van Andel in de Vlissingsestraat I nr 162 (later 35) dat bij hem een ‘welgelijkend, naar het leven getekend’ portret van ds. D.M. Kaakebeen te ‘bekomen’ was. Daniel Matthijs Kaakebeen (1788-1835) stond kort (bijna 2,5 jaar) op de Middelburgse kansel, toen hij op 27 augustus 1820 zijn afscheidspreek hield. Hij had een beroep op Amsterdam aangenomen, wat als bekroning van het ambt gold. Het Zeeuws Genootschap heeft een dergelijk portret, wat in ‘Om prijs en plaats’ op p. 171 afgebeeld is als portret van Daniel van Kakebeeke (en zo komen misverstanden in de wereld). Het is een tekening in kleur, gesigneerd en gedateerd. Op de site van het RKD is een zwart-witfoto te vinden van een ovalen geschilderd portret vrijwel identiek aan die tekening van Kaakebeen. Hier wordt de afgebeelde echter Gijsbert Waller (1787-1850) genoemd, die in 1830 naar Middelburg kwam. Andere afbeeldingen tonen beslist een ander gezicht, dus hier is (ook) iets fout gegaan.

Verder zijn er nog portretten van ds. Petrus van Raden (1817), 2 verschillende van zowel ds. Adriaan Isaac Snouck Hurgronje (1818) en ds. Bartout van der Feen (1821). Diens echtgenote Christina Sebastiaan Emants is ook geportretteerd. De heren waren allen predikant te Middelburg en tijdgenoten van Anthony van Andel. De portretten van Van Raden en Van der Feen zijn door een andere Teeken Akademie-leerling Johannes Jacobus Lievense (1810-1895) nog eens nagetekend. Vreemd genoeg zou volgens de moderne beschrijving het portret van Van Raden ineens Aegidius Gillissen (1712-1800) verbeelden. 

Kortom: wil je je naam bij het juiste portret? Noteer dan je naam erop!

Arnold Wiggers 

De grote bedijker I.L. van Wuijckhuise

Engelbertstraat, Hertogin Hedwigepolder. Foto: Wim Helm, 28 augustus 1975 Een van de polders, bedijkt door I.L. van Wuijckhuise – Beeldbank Zeeland, Recordnr. 61638

Hoeveel leerlingen van de Teeken Akademie zouden een polder naar zich vernoemd gekregen hebben? En dat ook nog bij leven! Izaak Levinus van Wuijckhuise overkwam het. Geboren in Aardenburg op 25 oktober 1844 uit het tweede huwelijk van hoefsmid Johannes Jacobus van Wuijckhuise (1811-1851) met Francina Versprille (1815-1853) werd hij vroeg wees. Op 16-jarige leeftijd vertrok hij naar Middelburg, waar hij onder de hoede van de gemeentearchitect Cornelis Krijger (1830-1876) kwam. Naast het onderricht dat hij van Krijger kreeg, volgde hij ook lessen aan andere opleidingen. Vanaf het seizoen 1861-1862 tot en met 1864-1865 heeft hij met succes aan de Teeken Akademie en de inwonende Industrieschool lessen bijgewoond. In 1862 kreeg hij een getuigschrift en in 1863 een medaille als primus in de 1e klas bouwkunde én een prijs op de Industrieschool. In 1864 kreeg hij alleen van de Industrieschool een prijs. Mogelijk liet hij dat jaar de Teeken Akademie schieten en concentreerde hij zich op het diploma gezworen landmeter. In 1865 ontving hij zowel de grote zilveren medaille van de koning als primus in de bouwkunde als opnieuw een prijs van de Industrieschool. Het zou hem ook in de rest van zijn leven niet aan erkenning ontbreken 

Zijn eerste ervaringen met bedijkingen deed hij op als opzichter bij de bedijking van de Elisabethpolder bij Biervliet. Na zijn huwelijk in 1867 met Maatje Dingemanse (1845-1923) zal hij in de avonduren gewerkt hebben voor de middelbare acte rechtlijnig tekenen en perspectief. Na het behalen van dat diploma werd hij aangenomen op de Burgeravondschool, de opvolger van de Teeken Akademie. Hij bleef tot 1903 ‘met veel liefde’ lesgeven, heet het in zijn necrologie. Tussen 1870-1874 was hij opnieuw in dienst van de Middelburgse gemeentewerken waar hij onder meer verantwoordelijk was voor ontwerp en bouw van de (toenmalige) Koningsbrug. Vanaf 1 januari 1874 trad hij in dienst van ’s Lands Domeinen in Zeeland waar hij het tot hoofdopziener zou brengen. 

In de beginjaren kreeg hij als opzichter bij de Domeinen de opdracht de oesterpercelen in de Oosterschelde in kaart te brengen. De nauwkeurigheid ervan bracht hem soortgelijk werk in de Zuiderzee bij Wieringen. De verschillende bedijkingsprojecten van schorren (buitendijks dus Rijkseigendom) die hij als opzichter begeleide, brachten hem zoveel kennis en ervaring dat hij vanaf 1896 de plannen maakte voor de vele bedijkingen in vooral Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Beveland. Onder zijn leiding werden de Koninginnepolder (1893), Anna Mariapolder (1896), Koningin Emmapolder (1897), Mosselpolder (1899), Kanaalpolder (1900), Völckerpolder (1903), Hedwigepolder (1904), herdijking van de Bathpolder (1906), Van Dunnépolder (1907), Prins Hendrikpolder (1907) en Hogerwaardpolder (1912) gerealiseerd. Voor de polder die in 1911 gereedkwam werd door de eigenaren de naam Van Wuijckhuisepolder voorgedragen, wat door de provincie werd overgenomen. Als kers op de taart werd hij in 1912 benoemd tot ridder in de orde van Oranje-Nassau. In 1915 ging hij met pensioen.

De laatste jaren van hun leven woonde het echtpaar Van Wuijckhuise op de Herengracht 118. Van hun 6 kinderen werden er 5 (eentje net) volwassen. Maatje stierf 8 juni 1923 en Izaak Levinus op 30 november 1928. De Middelburgsche Courant wijdde 5 december een necrologie aan hem. 

Arnold Wiggers

Middelburg. Houtkaai met Koningsbrug. Prentbriefkaart ca. 1900. Ontworpen door I.L. van Wuijckhuise en onder zijn toezicht gebouwd – Beeldbank Zeeland, Recordnr. 13017

Jos Croïn, een Zeeuws schilder in Parijs

Jos Croin terwijl hij aan een portret werkt van Wilhelmina Theodora (Puck) Goekoop-Santhagens – Foto: Adriaan Goekoop jr. Collectie Haags Gemeentemuseum

De in 1894 geboren Middelburger Jos Croin zou volgens sommige bronnen in 1912 naar de Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag zijn vertrokken om het diploma tekenleraar te halen. Het ontbreken van enige aanleg voor wiskunde maakte dat tot een onmogelijke opgave. Vervolgens kwam de Teeken Akademie in beeld, dat wil zeggen als subsidieverstrekker. Onduidelijk is wanneer precies en waar hij ging studeren met die financiële ondersteuning. Daar moeten de nu nog onvindbare bronnen opheldering verschaffen. Volgens Don en Schnitger ging hij van 1915 tot 1919 naar de academie in Den Haag en daarna naar Amsterdam. Andere informatie spreekt van een tweejarige studie aan de Academie voor Beeldende Kunst in Amsterdam, die in 1916 begon. Na het afscheid van de academie verbleef hij enige tijd in Laren en Den Haag, waarna hij in 1920 van de dirigerende leden van de Middelburgse Teeken Akademie een beurs voor een reis naar Rome en Parijs kreeg. Parijs zou de stad zijn waar hij nadien voornamelijk zou wonen en werken, alhoewel over jaartallen daar ook weer onduidelijkheid bestaat. 

Regelmatig was hij in Nederland om er te schilderen en te exposeren. Ook zijn familieleven speelde zich vooral in Nederland af. In 1921 huwde hij in Bemmel Anna Bernardina Homan van der Heide (1899-?) met wie hij een zoon kreeg, de in 1922 in Oisterwijk geboren August Hijacinth, genoemd naar zijn grootvader. Het huwelijk liep in 1925 spaak. Een tweede maal huwde hij in Amsterdam in 1935 met de in Den Haag geboren Pauline Charlotte Elise Kölsch (1904-?). Volgens de acte woonde hij ook in de hoofdstad, terwijl in de Middelburgsche Provinciale Zeeuwsche Courant krant van 19 september 1935 stond dat hij zijn woonplaats Middelburg (Heerengracht M. 48, nu 124, het adres van zijn ouders, niet ver van nr. 96 waar de soms verwant schilderende Raymond Kimpe woonde) verruild had voor Parijs. In 1942 strandde ook zijn tweede huwelijk.

In de jaren ‘30 zal hij ook in Veere en Arnemuiden geschilderd hebben, waar hij vooral schepen in een somber kleurenpalet vastlegde. In november 1931 opende boekhandelaar Fey in de Lange Burg enkele panden verder dan zijn winkel een kleine kunstzaal. Uit de Vlissingsche Courant van 28 november wordt duidelijk dat het het huisnummer 106 is en het pand De Balance heet. Tot de eerste exposanten behoorden Jos Croïn, Lucie van Dam van Isselt, een verder niet nader aangeduide Franse schilder Pol (met ‘een merkwaardig doek’) en Raymond Kimpe, vertegenwoordigd met 6 werken. Een van de 2 werken van Croïn daar te zien (en vermoedelijk te koop), was Haven van Veere. Na zijn plotse overlijden schreef een recensent in een necrologie dat Croïn een ‘intuïtief en emotioneel schilder’ was en dat ‘het was alsof lente en zomer voor hem niet bestonden’. Zijn kleurigste schilderijen zijn de portretten, want naast landschapsschilder en graveur was hij een begaafd portrettist. 

Enkele dagen nadat in november 1949 een tentoonstelling van zijn werk bij kunsthandel Huinck & Scherjon aan de Herengracht in Amsterdam geopend was, stierf hij in een Amsterdams ziekenhuis. In de Volkskrant van 24 november 1949 adverteerde Doris Croin, met adres Vijverberg te Wassenaar, dat haar ‘innig geliefde man’ onverwacht was overleden. Doris blijft vooralsnog een onbekende. 

Arnold Wiggers

Jos Croïn, Hoogaars, gesigneerd rechtsonder. Olieverf op doek, 47 x 61 cm.